- Arrest van 12 februari 2013

12/02/2013 - P.12.1746.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De woorden 'eens anders driften' in artikel 379, eerste lid, Strafwetboek, dat strafbaar stelt 'hij die een aanslag tegen de zeden pleegt doordat hij, ten einde eens anders driften te voldoen, de ontucht, het bederf of de prostitutie van een minderjarige van het mannelijke of vrouwelijke geslacht opwekt, begunstigt of vergemakkelijkt', dienen gelezen te worden ten aanzien van degene die 'opwekt, vergemakkelijkt of begunstigt', zodat de minderjarige een 'ander' is in de door dit wetsartikel bedoelde zin (1). (1) Zie Cass. 8 sept. 1992, AR 5375, AC 1991-1992, nr. 596.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1746.N

D M A G,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 9 oktober 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 379, § 1 (lees: eerste lid), Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat een minder-jarige waarvan sprake in voormeld artikel, een "andere" is, in de daarin bedoelde zin; de "minderjarige", bedoeld in artikel 379, eerste lid, Strafwetboek is niet de "andere" in de door datzelfde artikel bedoelde zin; na lezing van het strafdossier komt op geen enkel ogenblik naar voren dat er sprake is van het voldoen van an-dermans driften, andere dan deze van de minderjarige; de eiser heeft immers niet gepoogd contact te leggen tussen de minderjarige en een derde; in de zin dat de minderjarige wel de "andere" zou zijn, kan er onmogelijk sprake zijn van het vol-doen van "eens anders driften", als de minderjarige de vraag tot ontucht negatief beantwoordde en dus geen oogmerk heeft om zijn driften te voldoen.

2. Artikel 379, eerste lid, Strafwetboek stelt strafbaar "hij die een aanslag te-gen de zeden pleegt doordat hij, ten einde eens anders driften te voldoen, de on-tucht, het bederf of de prostitutie van een minderjarige van het mannelijke of vrouwelijke geslacht opwekt, begunstigt of vergemakkelijkt".

De woorden "eens anders driften" in artikel 379, eerste lid, Strafwetboek dienen gelezen te worden ten aanzien van degene die "opwekt, vergemakkelijkt of begun-stigt", zodat de minderjarige een "andere" is in de door dit wetsartikel bedoelde zin.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel in fei-te van de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 210bis, § 1 en § 2, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat het bedrieglijk handelen en het in dat verband te verstane opzet, dienen te worden verstaan als een misleidend han-delen gelijk te stellen met een niet te vertrouwen handelen, waarbij ditzelfde han-delen mooier wordt voorgesteld dan het in werkelijkheid is en men in wezen door een list of een leugen iemand in dwaling doet verkeren; valsheid in geschrifte ver-eist het opzet om voor zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te ver-schaffen; uit het strafdossier blijkt niet dat de eiser het bedrieglijk opzet of oog-merk om te schaden had om via de aanmaak van een vals netlogprofiel en een vals hotmailprofiel in contact te treden met minderjarigen met het oog op pedoseksuele praktijken; de vraag tot seksuele gunsten gebeurde trouwens via een andere ac-count; het was bovendien de minderjarige die eerst contact zocht met de eiser; het opnieuw contact leggen met een vroegere geliefde met als enig doel de relatie op-nieuw te starten, kan niet als een onrechtmatig voordeel worden beschouwd en het is voorbarig dit als belaging te bestempelen, waarvoor het hof van beroep overi-gens niet gevat werd.

5. Artikel 210bis Strafwetboek stelt strafbaar:

"§ 1. Hij die valsheid pleegt, door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te voeren in een infor-maticasysteem, te wijzigen, te wissen of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van dergelijke gegevens verandert, wordt ge-straft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van zes-entwintig euro tot honderdduizend euro of met een van die straffen alleen.

§ 2. Hij die, terwijl hij weet dat aldus verkregen gegevens vals zijn, hiervan gebruik maakt, wordt gestraft alsof hij de dader van de valsheid was."

Krachtens artikel 193 Strafwetboek vereist valsheid in informatica bedrieglijk op-zet, dit wil zeggen het opzet om aan zichzelf of een ander een onrechtmatig voor-deel te verschaffen, of het oogmerk om te schaden.

6. De appelrechters oordelen onaantastbaar dat de eiser bedrieglijk met het door hem aangemaakte, misleidende en valse netlogprofiel en valse hotmailprofiel doelbewust potentiële slachtoffers heeft willen benaderen en meer bepaald te de-zen aldus via chat in contact is gekomen met de minderjarige die hij heeft uitge-nodigd om tegen betaling met hem seks te hebben.

Aldus oordelen zij wettig dat de eiser de bedoeling had zichzelf een onrechtmatig voordeel te verschaffen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

7. In zoverre het middel kritiek heeft op het feit dat het arrest melding maakt van eisers bewering dat het zijn bedoeling was zijn ex-partner te kunnen benade-ren, wat de appelrechters gelijkstellen met het belagen van zijn ex-partner, komt het op tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk.

8. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel in fei-te van de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk.

Derde middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden niet eisers vraag of er geen sprake kan zijn van enige vorm van uit-lokking aan de hand van de constitutieve bestanddelen van de uitlokking.

10. De eiser heeft in appelconclusie enkel aangevoerd dat "de vraag (kan) ge-steld worden of er geen sprake kan zijn van enige vorm van uitlokking gezien de toch wel toevallige band tussen [zijn ex-partner] en [de minderjarige]."

11. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

- de eiser in werkelijkheid met de minderjarige via chat in contact is gekomen;

- hij haar heeft uitgenodigd om tegen betaling met hem seks te hebben;

- zijn bewering of de vraag niet kan gesteld worden of er in hoofde van de min-derjarige geen uitlokking kan weerhouden worden, schrijnend is.

Aldus beantwoorden de appelrechters eisers verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 77,61 euro.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 12 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Artikel 379, Strafwetboek

  • Eens anders driften