- Arrest van 14 februari 2013

14/02/2013 - C.11.0777.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De wetgever voert, door de aangifte van de verantwoordelijke voor de verwerking, enerzijds een a priori toezicht in ten voordele van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zodat die commissie zich ervan kan vergewissen of de aangegeven verwerking conform de bij wet bepaalde beginselen is, en legt, anderzijds, aan de verantwoordelijke voor de verwerking de strafrechtelijk bestrafte verplichting op om aan een natuurlijke persoon, die hierom verzoekt, alle inlichtingen te verstrekken die hij krachtens de wet dient te geven.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0777.F

J.-M. D.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

WAALS GEWEST,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 3 februari 2009.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In zijn cassatieverzoekschrift, waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voert de eiser een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

Ontvankelijkheid

De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel is onnauwkeurig en vermengt feit en recht.

Het onderdeel voert aan dat mededeling aan de eiser van de aangifte die de Franse Gemeenschap overeenkomstig artikel 17 Wet Verwerking Persoonsgegevens bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke le-venssfeer heeft gedaan, niet het antwoord is, in de zin van artikel 10 van die wet, op zijn vraag om toegang tot de persoonsgegevens.

Het onderdeel is aldus gericht tegen de beslissing van het arrest die oordeelt dat het voldoende is dat de eiser de aan de Franse Gemeenschap gevraagde gegevens heeft ontvangen waarop hij luidens artikel 10 van die wet recht had, nadat het ar-rest eerst erop gewezen had dat de eiser nooit een formeel antwoord gekregen heeft op zijn brief aan de Franse Gemeenschap van 19 mei 2003.

Noch de kennis van de inhoud van de brief van de eiser van 19 mei 2003, noch de controle van feitelijke gegevens zijn noodzakelijk voor het onderzoek van het on-derdeel.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid

Volgens artikel 1, § 1, Wet Verwerking Persoonsgegevens, wordt onder per-soonsgegevens verstaan iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Krachtens artikel 1, § 4, eerste lid, wordt onder "verantwoordelijke voor de ver-werking" verstaan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, de feitelijke vereni-ging of het openbaar bestuur die alleen of samen met anderen het doel en de mid-delen voor de verwerking van persoonsgegevens bepaalt.

Artikel 17, § 1, eerste lid, bepaalt dat de verantwoordelijke voor de verwerking of, in voorkomend geval, diens vertegenwoordiger, voordat wordt overgegaan tot één of meer volledig of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerkingen van gegevens die voor de verwezenlijking van een doeleinde of van verscheidene samenhangende doeleinden bestemd zijn, daarvan aangifte doet bij de Commissie voor de be-scherming van de persoonlijke levenssfeer.

De aangifte moet, overeenkomstig artikel 17, § 3, 5° en 6°, het doel of het geheel van samenhangende doeleinden van de geautomatiseerde verwerking en de cate-gorieën van ontvangers aan wie de gegevens kunnen worden verstrekt, vermelden.

Artikel 17, § 2, bepaalt dat de Commissie binnen drie werkdagen een ontvangbe-wijs van de aangifte doet geworden.

Krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, a) en b), heeft de betrokkene die zijn identiteit bewijst het recht om vanwege de verantwoordelijke voor de verwerking kennis te krijgen van het al dan niet bestaan van verwerkingen van hem betreffende gege-vens, ten minste informatie te krijgen over de doeleinden van die verwerkingen, en van de categorieën gegevens waarop die verwerkingen betrekking hebben; hij heeft tevens het recht op verstrekking in begrijpelijke vorm van de gegevens zelf die worden verwerkt, alsook op alle beschikbare informatie over de oorsprong van die gegevens.

Artikel 10, § 1, tweede lid, bepaalt dat de betrokkene daartoe een gedagtekend en ondertekend verzoek richt aan de verantwoordelijke voor de verwerking of aan ie-dere andere persoon die de Koning aanwijst.

Artikel 10, § 1, derde lid, voegt daaraan toe dat de inlichtingen onverwijld en ten laatste binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het verzoek worden meege-deeld.

Artikel 39, 5°, straft de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegen-woordiger in België, zijn aangestelde of lasthebber die geen mededeling doet van de inlichtingen bedoeld in artikel 10, § 1, binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het verzoek, met een geldboete van honderd frank tot honderdduizend frank.

Uit die bepalingen volgt dat de wetgever, enerzijds, door de aangifte van de ver-antwoordelijke voor de verwerking, een a priori toezicht invoert ten voordele van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zodat die commissie zich ervan kan vergewissen of de aangegeven verwerking conform de bij wet bepaalde beginselen is, en, anderzijds, aan de verantwoordelijke voor de verwerking de strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting oplegt om aan een na-tuurlijke persoon die hierom verzoekt, alle inlichtingen te verstrekken die hij krachtens de wet dient te geven.

Alleen wanneer de verantwoordelijke voor de verwerking de inlichtingen die met name betrekking hebben op de categorieën van gegevens en de persoonsgegevens die zijn verwerkt, meedeelt aan de natuurlijke persoon die hierom verzoekt, kwijt hij zich van zijn informatieplicht t.a.v. de betrokkene.

Het arrest stelt vast dat "[de eiser] bij verzoekschrift van 13 augustus 2003 bij de eerste rechter, zetelend zoals in kort geding, [...] een vordering aanhangig heeft gemaakt [...] om de Franse Gemeenschap te doen veroordelen [...] om hem een reeks inlichtingen mee te delen betreffende de litigieuze verwerking van gegevens die hij 19 mei 2003 had opgevraagd" en dat de eiser "de beroepen beslissing ver-wijt dat zij [...] geen uitspraak heeft gedaan over zijn vordering om toegang te verkrijgen tot zijn persoonsgegevens".

Het arrest wijst erop dat "het klopt dat de beslissing geen uitspraak heeft gedaan over de vordering die ertoe strekt de mededeling te verkrijgen van gegevens waarop de litigieuze verwerking betrekking had en die hij in [zijn brief] van 19 mei 2003 had opgevraagd" en dat "[de eiser] nooit een formeel antwoord op [die brief] heeft gekregen".

Het arrest stelt vast dat "de aangifte die de Franse Gemeenschap bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft gedaan" die "onder meer de categorieën van de verwerkte persoonsgegevens vermeldt", en "het ont-vangbewijs van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van 29 april 2004" werden "bezorgd aan eisers raadsman tijdens het debat voor de eerste rechter".

Het arrest dat uit deze vaststelling afleidt dat "[de eiser] al vanaf de rechtspleging voor de eerste rechter, via die weg, de informatie heeft ontvangen die hij in [zijn brief] had opgevraagd en [...] die hij, luidens artikel 10 van de wet van 8 decem-ber 1992, het recht had te verkrijgen", verantwoordt niet naar recht zijn beslissing "dat het weinig uitmaakt dat de beroepen beslissing geen recht heeft gedaan op de vordering om de in dat artikel bedoelde inlichtingen te doen verstrekken" en om, bijgevolg, "zijn vordering om toegang te verkrijgen tot zijn persoonsgegevens" te verwerpen.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 14 februari 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verwerking van persoonsgegevens

  • Verantwoordelijke voor de verwerking

  • Verplichtingen

  • Voorwerp

  • Doel