- Arrest van 15 februari 2013

15/02/2013 - F.11.0020.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De erkenning van het recht van degene tegen wie de verjaring loopt, welke de verjaring stuit, is een vrijwillige handeling; de naleving van een wettelijke verplichting, zoals de wettelijke verplichting tot opname van een schuld in de boekhouding van een onderneming, staat een vrijwillige handeling niet in de weg (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0020.N

RINCO nv, met zetel te 9990 Maldegem, Bogaerdestraat 168, bus M,

eiseres,

met als raadsman mr. Bart Coopman, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1081 Brussel, Jules Besmestraat 124,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, Administratie van de btw, registratie en domeinen, voor wie optreedt de e.a. inspecteur van het btw-ontvangkantoor te Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 108,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 22 juni 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 24 oktober 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 2248 Burgerlijk Wetboek stuit de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, de verjaring.

De erkenning van het recht van degene tegen wie de verjaring loopt, is een vrij-willige handeling. De naleving van een wettelijke verplichting staat een vrijwillige handeling niet in de weg.

2. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de wettelijke verplichting tot opname van een schuld in de boekhouding van een onderneming verhindert dat deze op-name een erkenning in de zin van artikel 2248 Burgerlijk Wetboek is, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel voert aan dat de loutere opname van een schuld in de boek-houding geen erkenning van schuld uitmaakt omdat zij andere oorzaken kan heb-ben dan een zekere wilsuiting.

4. Het onderdeel vereist een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet be-voegd is en is mitsdien niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

5. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat voor de oudste jaren de verjaring reeds was ingetreden. Zij oordelen enkel dat de eiseres de te herziene btw niet zonder meer op grond van de verplichtingen voortvloeiend uit de boekhoudwetgeving in haar boekhouding als schuld uitdrukte en dat dit blijkt uit het feit dat ze de bedragen voor de jaren waarvoor de verjaring al was ingetreden, toch behield.

6. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 477,06 euro en voor de verweerder op 84,69 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Erwin Francis, en in openbare rechtszitting van 15 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols

J. Pafenols E. Francis G. Jocqué

K. Mestdagh E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Verjaring

  • Stuiting

  • Schulderkenning

  • Vrijwillige handeling