- Arrest van 19 februari 2013

19/02/2013 - P.12.0867.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het onderzoeksgerecht dat krachtens artikel 13 EVRM voorziet in een passend rechtsherstel in geval van overschrijding van de redelijke termijn, oordeelt onaantastbaar wat op grond van de elementen die het vaststelt, het passende rechtsherstel is; dat rechtsherstel kan in het stadium van de regeling van de rechtspleging bestaan in de loutere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, waarmee de rechter die ten gronde oordeelt zal moeten rekening houden en waaruit hij de bij de wet bepaalde gevolgen zal moeten afleiden (1). (1) Cass. 6 okt. 2010, AR P.10.0729.F, AC 2010, nr. 580 met concl. van advocaat-generaal Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0867.N

I

M. A. M. G. F.,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadslieden mr. Bart Spriet en mr. Hans Symoens, advocaten bij de balie te Antwerpen,

II

A. N. J. B.,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Jan Wellekens, advocaat bij de balie te Oudenaarde,

III

P. A. F. E.,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Tom Bauwens, advocaat te 1081 Brussel, Pantheonlaan 4, waar de eiser keuze van woonplaats doet,

IV

D. R. M. D. C.,

inverdenkinggestelde,

eiser,

alle cassatieberoepen tegen

1. J. B.,

burgerlijke partij,

2. J. B.,

burgerlijke partij,

3. D. B.

burgerlijke partij,

4. M.-J. B.,

burgerlijke partij,

5. N. B.,

burgerlijke partij,

die allen keuze van woonplaats hebben gedaan op het kantoor van mr. P. Bouts te 3700 Tongeren, Sint-Catharinastraat 54,

6. G. V., met kantoor te 2000 Antwerpen, Schildersstraat 27a, in zijn hoedanig-heid van curator van het faillissement van de nv Bell Meubelen,

burgerlijke partij,

7. P. G.,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 maart 2012.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser IV voert geen middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel van de eiser I

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de appelrechters oordelen ten onrechte dat zij enkel ontslag van rechtsvervolging kunnen uitspreken wanneer de overschrijding van de redelijke termijn de bewijs-voering en het recht van verdediging van de inverdenkinggestelden ernstig en on-herstelbaar heeft aangetast; zij moeten echter ontslag van rechtsvervolging uit-spreken van zodra die overschrijding ofwel heeft geleid tot het teloorgaan van bewijsmateriaal, ofwel de normale uitoefening van het recht van verdediging on-mogelijk heeft gemaakt; uit de vaststelling dat de eiser stelt dat door verloop van een periode van 14,5 jaar belangrijke financiële stukken niet meer beschikbaar zouden zijn, kan het arrest op basis van de enige overweging dat er een uitgebreid financieel onderzoek werd gevoerd dat verder aan tegenspraak zal kunnen worden onderworpen, niet wettig afleiden dat dit hier niet leidt tot een onherstelbare mis-kenning van de normale uitoefening van het recht van verdediging; door uitslui-tend de overschrijding van de redelijke termijn vast te stellen kent het arrest aan de eiser geen enkel rechtsherstel toe en laat het dat over aan het vonnisgerecht dat slechts in een latere fase kan beslissen.

2. Het arrest (ro 3.3.6) oordeelt : "In deze zaak heeft de overschrijding van de redelijke termijn de betrouwbaarheid van het bewijs en het recht van verdediging of dat van eerlijk proces niet aangetast en kan de normale uitoefening van het recht op verdediging nog steeds worden uitgeoefend door de inverdenkinggestelden.

De bewijsvoering kan nog steeds aan tegenspraak worden onderworpen, zowel ten laste als ten ontlaste."

Aldus geeft het arrest te kennen dat de vastgestelde overschrijding van de redelij-ke termijn noch de bewijsvoering heeft aangetast, noch de normale uitoefening van het recht van verdediging van de eiser onmogelijk heeft gemaakt.

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feite-lijke grondslag.

3. De rechter oordeelt onaantastbaar welke de gevolgen zijn van de overschrij-ding van de redelijke termijn die hij vaststelt. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

4. In zoverre het middel het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waar-voor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

5. Uit enkel de duur van de rechtspleging kan niet worden afgeleid dat de be-wijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstel-baar zijn aangetast.

In zoverre faalt het middel naar recht.

6. Voor het overige grondt het arrest (ro 3.3.6) het hierboven vermelde oordeel niet enkel op de reden die het middel aangeeft, maar ook op de redenen dat:

- de inverdenkinggestelden de mogelijkheid zullen hebben hun verdediging ten ontlaste te voeren over hun beweringen dat zij thans hun stellingen niet meer zouden kunnen staven omdat door tijdsverloop bepaalde stukken niet meer be-schikbaar zouden zijn, dat bepaalde getuigenissen niet meer mogelijk zouden zijn, dat zij niet over alles zouden zijn verhoord en dat zij zich thans niet alles meer met betrekking tot de feiten kunnen herinneren,

- er een zeer grondig onderzoek werd gevoerd met een diepgravende financiële enquête, diverse verhoren van betrokkenen en getuigen, die zal kunnen worden betwist voor de bevoegde rechter,

- voor de bodemrechter het onderzoek verder zal worden gezet en de inverden-kinggestelden evident reeds vroeger bepaalde stukken konden bijhouden of verzamelen, gelet op hun verhoren in de loop van de procedure.

7. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdedi-ging van de eiser niet ernstig en onherstelbaar heeft aangetast.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

8. Het onderzoeksgerecht dat krachtens artikel 13 EVRM voorziet in een pas-send rechtsherstel in geval van overschrijding van de redelijke termijn, oordeelt onaantastbaar wat op grond van de elementen die het vaststelt, het passende rechtsherstel is.

9. Dat rechtsherstel kan in het stadium van de regeling van de rechtspleging bestaan in de loutere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, waarmee de verwijzingsrechter die ten gronde oordeelt zal moeten rekening hou-den en waaruit hij de bij de wet bepaalde gevolgen zal moeten afleiden.

10. Anders dan waarvan het middel uitgaat, is een passend rechtsherstel niet onbestaande door de omstandigheid dat, hoewel de grondslag voor dat rechtsher-stel werd vastgesteld vooraleer de zaak bij de bodemrechter aanhangig werd ge-maakt, het pas in een latere fase van de rechtspleging gevolgen heeft, meer be-paald bij de beoordeling van de rechtspleging in haar geheel.

In zoverre faalt het middel naar recht.

Tweede middel van de eiser I

11. Het middel voert schending aan van artikel 197 Strafwetboek, artikel 450 WIB92 en artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: door te aanvaarden dat het gebruik van valse stukken mede voortduurt tot de einddatum van het nuttige gevolg van het gebruiksmisdrijf, meer bepaald tot de betaling van de belasting, miskent het arrest de gewone betekenis van het gebruik en laat het de verjaring niet aanvangen op het einde van het misdrijf, maar op het einde van het uitvloeisel van een reeds voordien voltrokken misdrijf; het arrest oordeelt dat het gebruik van valse stukken voortduurt tot minstens 28 februari 2006, zijnde de da-tum van de akkoordverklaring met de fiscale administratie, terwijl het niet vast-stelt dat die administratie nog geschaad werd door de van valsheid betichte stuk-ken na 22 mei 2002, zijnde datum waarop de administratie de valsheid bij het par-ket heeft aangegeven en die de eiser heeft aangeduid als einddatum van het ge-bruik.

12. Het arrest oordeelt niet dat het gebruik van valse stukken voortduurt tot de betaling van de belasting, maar wel tot het akkoord dat met de fiscus werd geslo-ten op 28 februari 2006.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

13. De verjaring van de strafvordering met betrekking tot het gebruik van valse stukken vangt aan op het ogenblik dat dit gebruik ophoudt de door de vervalser gewenste uitwerking te hebben en het dus een ander niet meer kan misleiden of schaden. De rechter stelt dat ogenblik onaantastbaar vast op grond van de gege-vens van het strafdossier. Het Hof gaat enkel na of de rechter de gewone betekenis van het woord gebruik niet miskent.

14. De door de vervalser gewenste uitwerking van het gebruik van valse stukken kan blijven duren tot de datum waarop hij niet langer de valsheid aanvoert om daarmee onrechtmatig voordeel te verkrijgen of nadeel te berokkenen. Wanneer dat gebruik het uitstellen van de betaling van verschuldigde belastingen tot doel heeft, kan het gebruik duren ten laatste tot de datum van de onvoorwaardelijke betaling van die belastingen.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

15. Met overname van de redenen vermeld in de schriftelijke nota van het openbaar ministerie, stelt het arrest (p. 26, vierde tot zevende alinea) het einde van het gebruik van valse stukken met betrekking tot zowel de gemeenrechtelijke valsheid als de fiscale valsheid vast op 28 februari 2006, op grond dat:

"Het beoogde doel van de feiten van gemeenrechtelijk en fiscale valsheid in ge-schriften en gebruik, bestaat erin enerzijds de litigieuze aanwending van de finan-ciële middelen te verdoezelen en anderzijds om aan een correcte aangifte en beta-ling van de verschuldigde belastingen te ontsnappen.

De hier weerhouden valsheden hadden dus onder meer tot doel de verschuldigde belastingen te ontduiken, dit wil zeggen ze niet te betalen of minstens de betaling ervan uit te stellen.

In casu blijkt uit het dossier dat inzake de NV Apotheek Spruyt er een akkoord met de fiscus werd gesloten op 28 februari 2006 (deel VII, stuk 2606-2607). Er zijn geen verdere gegevens beschikbaar met betrekking tot de definitieve betaling en verdere invorderingshandelingen n.a.v. dit akkoord zodat hic et nunc kan gesteld worden dat het nuttig gebruik van de valse stukken minstens geduurd heeft tot 28 februari 2006.

De verjaringstermijn begint derhalve slechts te lopen vanaf 28 februari 2006 (...)."

16. Met die redenen oordelen de appelrechters, zonder de gewone betekenis van het gebruik te miskennen, dat tot de datum van de akkoordverklaring met de fiscale administratie, het beoogde doel van de valsheden niet was bereikt en verantwoorden zij hun beslissing dat de verjaring van het gebruik van valse stukken slechts op die datum een aanvang heeft genomen, naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eiser II

17. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.2 en 13 EVRM: het arrest grondt zijn oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn de be-trouwbaarheid van het bewijs niet aantast en dat een eerlijk proces mogelijk blijft omwille van de mogelijkheid tot tegenspraak voor de onderzoeksgerechten en de rechter ten gronde, ten onrechte op de abstracte mogelijkheid tot tegenspraak en niet op de mogelijkheid tot tijdig verweer in de zin van de redelijke en concrete mogelijkheid om op het ogenblik van de kennisname van de precieze telastleggin-gen, bewijsmiddelen te verzamelen tegen wat het onderzoek heeft aangetoond; de precieze aard van de ten laste gelegde feiten kwam veel te laat tussen om redelij-kerwijze nog tijdig tegenspraak te voeren.

18. Met de redenen die het bevat, oordeelt het arrest (ro 3.3.6) onder meer dat er een zeer grondig onderzoek werd gevoerd met een diepgravende financiële enquête en diverse verhoren van betrokkenen en getuigen, alsmede dat de inverdenkinggestelden evident reeds vroeger bepaalde stukken konden bijhouden of verzamelen, gelet op hun verhoren in de loop van de procedure.

Aldus oordeelt het arrest zonder schending van de in het middel aangevoerde be-palingen dat de overschrijding van de redelijke termijn aan de eiser niet de moge-lijkheid tot tijdig verweer heeft ontnomen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

19. Voor het overige vereist het middel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser II

20. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten on-rechte dat artikel 21ter aan de onderzoeksgerechten niet de bevoegdheid verleent om de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, maar dat deze bevoegdheid enkel kan worden toegestaan op grond van het EVRM.

21. De mogelijkheid om de strafvordering vervallen te verklaren wanneer, als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn, de bewijsvoering en het recht van verdediging van de inverdenkinggestelden of beklaagden ernstig en on-herstelbaar zijn aangetast zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is, vloeit zowel voor de onderzoeksge-rechten als voor de vonnisgerechten niet voort uit artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, dat enkel betrekking heeft op de straftoemeting door de vonnisgerechten, maar wel uit de plicht voor die gerechten tot eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de inverdenkinggestelden of beklaagden, die zowel algemene rechtsbeginselen zijn als voortvloeien uit artikel 6.1 EVRM.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

22. Met het in het middel vermelde oordeel schendt het arrest noch de artikelen 6.1 en 13 EVRM noch artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvorde-ring, maar preciseert het integendeel op grond van een juiste toepassing van die bepalingen in welke gevallen het onderzoeksgerecht als gevolg van de overschrij-ding van de redelijke termijn tot het verval van de strafvordering kan beslissen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eiser III

23. Het middel voert schending aan van de artikel 6.1 en 13 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

24. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre faalt het middel naar recht.

Eerste onderdeel

25. Het onderdeel voert aan dat het arrest artikel 21ter Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering schendt door op grond van die bepaling de bevoegdheid van de onderzoeksgerechten te beperken om in geval van overschrijding van de redelijke termijn een passend rechtsherstel uit te spreken; door zonder uitdrukke-lijke wettekst de bevoegdheid van de raadkamer te miskennen om over te gaan tot rechtsherstel in de vorm van de niet-ontvankelijkheid van de strafvervolging, schendt het arrest ook de artikelen 6.1 en 13 EVRM.

26. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser II en kan om dezelfde reden niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

27. Het onderdeel voert aan dat het arrest het onderscheid miskent tussen de mogelijkheid die artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering aan de vonnisrechter biedt om de strafmaat deels of geheel te herleiden en de mo-gelijkheid voor de onderzoeksgerechten om de uitdoving van de strafvordering uit te spreken.

28. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aan-gevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

29. Het onderdeel voert aan dat het arrest dat de beschikking van de raadkamer hervormt en de procedurele argumenten van de verdediging verwerpt, niet voldoet aan zijn omstandigere motiveringsplicht.

30. Het onderdeel preciseert niet op welk verweer het arrest niet antwoordt noch aan welke andere motiveringsverplichting het niet voldoet.

Het onderdeel is onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser III

31. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.2 en 13 EVRM en artikel 149 Grondwet: de motivering van het arrest beperkt zich tot het criterium van de mogelijkheid tot tegenspraak van alle beklaagden van de ten laste gelegde feiten, zonder te onderzoeken of elke beklaagde afzonderlijk nog in de mogelijk-heid is zijn juiste betrokkenheid bij de totstandkoming van de ten laste gelegde feiten te bewijzen.

32. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel van de eiser II en kan om dezelfde reden niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

33. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 272,90 euro waarvan de eiser I 68,21 euro ver-schuldigd is en de eisers II, III en IV elk 68,23 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 19 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Strafvordering

  • Overschrijding van de redelijke termijn

  • Passend rechtsherstel

  • Onderzoeksgerecht

  • Regeling van de rechtspleging