- Arrest van 19 februari 2013

19/02/2013 - P.12.1072.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De enkele omstandigheid dat twee van de drie zaakvoerders van een rechtspersoon niet mede-vervolgd worden, sluit niet uit dat de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk kan verklaard worden(1). (1) Zie Cass. 20 dec. 2005, AR P.05.1220.N, AC 2005, nr. 684.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1072.N

LA DELICIA DE DOLCE MANGO bvba ook LA DELICIA DI DOLCE MANGO bvba genoemd, met zetel te 3360 Bierbeek, Tiensesteenweg 97,

beklaagde,

eiseres,

met als raadslieden mr. Kristiane Hubrechts en mr. Carl Hubrechts, advocaten bij de balie te Leuven.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 9 mei 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, grieven aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste grief

1. De grief voert aan dat het arrest ten onrechte melding maakt van de naam La Delicia di Dolce Mango als zijnde de maatschappelijke benaming van de eiseres terwijl deze benaming in werkelijkheid La Delicia de Dolce Mango is.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, meer bepaald de door de eiseres zowel voor de eerste rechter als voor het hof van beroep neergelegde conclusies, blijkt dat de eiseres in de door haar neergelegde procedurestukken de benaming "La Delicia di Dolce Mango" heeft gebruikt.

3. Het lichte verschil in de beide benamingen laat geen twijfel over de maat-schappelijke benaming van de eiseres en kan haar niet schaden.

De grief is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede grief

4. De grief voert miskenning van de bewijskracht van akten aan: het arrest verklaart ten onrechte de eiseres schuldig aan de ten laste gelegde feiten op grond dat zij haar maatschappelijk doel realiseerde zonder de sociaalrechtelijke bepa-lingen in aanmerking te nemen en niets ondernomen heeft om een einde te stellen aan de inbreuken uit gemakzucht, financieel gewin en met het oog op het nemen van een concurrentievervalsende voorsprong op de sector; deze stelling vindt geen steun in het strafdossier waarvan het arrest de bewijskracht miskent.

5. De grief preciseert niet van welke stukken van het strafdossier het arrest de bewijskracht miskent.

In zoverre hij miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, is de grief bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

6. Voor het overige komt de grief op tegen de beoordeling van de feiten door het arrest en is hij evenmin ontvankelijk.

Derde grief

7. De grief voert schending aan van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek: het ar-rest verklaart de eiseres ten onrechte schuldig aan de ten laste gelegde feiten door het materiële en het morele element van de misdrijven bij de natuurlijke persoon gelijk te schakelen met het materiële en morele element bij de rechtspersoon; de handelingen die door een natuurlijke persoon als orgaan werden gepleegd, kunnen niet automatisch de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon in het gedrang brengen; de constitutieve bestanddelen van het misdrijf moeten ten laste van de rechtspersoon bewezen zijn; indien twee van de drie zaakvoerders van de eiseres niet vervolgd worden en niets te maken hebben met de ten laste gelegde feiten, kan de schuld van de eiseres als rechtspersoon niet vaststaan.

8. De enkele omstandigheid dat twee van de drie zaakvoerders van een rechts-persoon niet mede-vervolgd worden, sluit niet uit dat de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk kan verklaard worden.

In zoverre de grief uitgaat van het tegendeel, faalt hij naar recht.

9. Met de redenen die het vermeldt, oordeelt het arrest (p. 4 en 5) dat vaststaat dat de eiseres werknemers in dienst genomen heeft en dat een van de zaakvoerders op de hoogte was van het bestaan van strafbare feiten in haren hoofde. Het oor-deelt ook dat de eiseres haar maatschappelijk doel realiseerde zonder de sociaalrechtelijke bepalingen in aanmerking te nemen, niets ondernomen heeft om een einde te stellen aan de inbreuken uit gemakzucht en financieel gewin en met het oog op het nemen van een concurrentievervalsende voorsprong op de sector.

Met die redenen stelt het arrest concreet vast welke de handelingen zijn die de ei-seres gesteld heeft en die haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de ten laste gelegde feiten met zich meebrengen, zonder automatisch die verantwoorde-lijkheid af te leiden van de schuld van een natuurlijke persoon die gehandeld heeft als orgaan van de rechtspersoon. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

10. Voor het overige verplicht de grief tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is de grief niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten .

Bepaalt de kosten op 67,32 euro.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 19 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Niet-vervolging van zaakvoerders van rechtspersoon

  • Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersoon