- Arrest van 20 februari 2013

20/02/2013 - P.12.1629.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 443, eerste lid, van het Strafwetboek vereist dat de publieke telastlegging van een bepaald, niet bewezen feit dat de eer of het aanzien kan krenken, kwaadwillig is gebeurd; daartoe hoeft men niet te weten dat de feiten die iemands eer of aanzien kunnen krenken, onjuist zijn (1). (1) Zie Cass. 25 april 1955, AC 1955, I, 704.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1629.F

C. A.,

Mr. Adrien Masset, advocaat bij de balie te Verviers,

tegen

1. M.-Th. M.,

2. R. V. D.,

3. M. A. en

4. A. L.,

5. G. S.,

Mrs. Michel Voglimacci en Henri Brouillard, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 11 september 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering

Eerste middel

Het middel dat gericht is tegen de veroordeling wegens laster, verwijt het arrest dat het niet antwoordt op de conclusie van de eiser die het bestaan betwist van het bij artikel 443, eerste lid, Strafwetboek vereiste bijzonder opzet en dat het die be-paling schendt door te oordelen dat de eiser kwaadwillig heeft gehandeld, zelfs indien hij te goeder trouw kon geloven dat de door hem aan de verweerder G. S. ten laste gelegde feiten, werkelijk waren gepleegd.

De voormelde bepaling vereist dat de publieke telastlegging van een bepaald, niet-bewezen feit dat de eer of het aanzien kan krenken, met kwaadwillig opzet is ge-beurd.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat voornoemd opzet afhangt van de weten-schap dat de feiten die iemands eer kunnen krenken of hem aan de openbare ver-achting kunnen blootstellen, onjuist zijn, voegt het aan de wet een voorwaarde toe die zij niet stelt.

De appelrechters hebben, met overneming van de redenen van de eerste rechter geoordeeld dat de eiser, door aldus op te treden en hiermee door te gaan ondanks het ontbreken van enig materieel bestanddeel dat zijn vermoedens tegen G. S. kon bevestigen, diende te weten dat hij laatstgenoemde zware professionele en eco-nomische schade zou berokkenen.

De appelrechters beantwoorden de conclusie van de eiser die het moreel bestand-deel van het misdrijf betwist, door hier tegenover te stellen dat het feit dat de da-der te goeder trouw mocht aannemen dat de ten laste gelegde feiten werkelijk hadden plaatsgevonden, niet uitsluit dat hij kwaadwillig heeft gehandeld. Het ar-rest stelt vast dat dit hier het geval is aangezien hij, overtuigd van de gegrondheid van zijn aantijgingen, met constante hardnekkigheid specifieke beschuldigingen heeft geuit waarvan het wettig bewijs niet geleverd werd en waarvan de lasterlijke aard, gelet op de aanzienlijke beroepshinder voor de burgerlijke partij, dermate duidelijk is dat hij geen twijfel laat bestaan over het opzet van de dader.

Het hof van beroep dat aldus de koppigheid van de eiser, de ernst van de aantij-gingen en de professionele impact ervan in aanmerking neemt, heeft daaruit naar recht het kwaadwillig opzet van de eiser kunnen afleiden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel dat gericht is tegen de schuldigverklaring aan belaging, oefent kritiek uit op de beoordeling door het hof van beroep van de ernst van de verstoring van de rust van de verweerders, waarbij het een gebrek aan motivering, het niet-beantwoorden van de conclusie en een schending van artikel 442bis Strafwetboek aanvoert.

Om als een ernstige verstoring van de rust te worden aangemerkt in de zin van die bepaling, dient de aan de klager zonder redelijke verantwoording berokkende ver-storing objectief als een ernstige verstoring te worden beschouwd. De feitenrech-ter mag zich niet ertoe beperken zijn beoordeling louter te gronden op de gevolgen van het gedrag van de dader zoals die subjectief door het slachtoffer worden erva-ren. Hij moet de ernst van de verstoring van de rust afwegen rekening houdende met de gevolgen die, volgens een gangbare mening, dergelijk onverantwoord, irri-tant en herhaald gedrag op de bevolking of het betrokken sociaal milieu kan heb-ben.

Het arrest houdt rekening met de niet-betwiste herhaling van feiten die op zich niet strafbaar zijn, de aard van de verhouding tussen de eiser en de verweerders, de gevoeligheid van laatstgenoemden, de weerslag die deze handelingen op hen hebben en de wijze waarop dergelijk gedrag algemeen door de maatschappij wordt ervaren. De appelrechters wijzen daarnaast op de duur van de incriminatie-periode, het aantal gestelde handelingen en de volharding van de eiser in zijn ge-drag, ondanks de protesten van de slachtoffers.

Eensdeels antwoorden de appelrechters aldus op de conclusie van de eiser door daar een andersluidende beoordeling tegenover te stellen en verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

Anderdeels konden zij, op grond van de voormelde overwegingen, naar recht oor-delen dat de eiser, door herhaaldelijk de woning van de verweerders voorbij te rij-den en te vertragen of stil te houden om hen te observeren en in de gaten te hou-den, hun rust ernstig heeft verstoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de burger-lijke rechtsvorderingen van de verweerders

De eiser voert geen bijzonder middel aan.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 20 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Laster

  • Bestanddelen

  • Opzettelijk bestanddeel

  • Kwaadwilligheid