- Arrest van 22 februari 2013

22/02/2013 - C.12.0239.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal m.o. Van Ingelgem.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0239.N

STAD GENT, publiekrechtelijk rechtspersoon, vertegenwoordigd door het colle- ge van burgemeester en schepenen, met zetel te 9000 Gent, Stadhuis, Botermarkt 1,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

R L,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de vrederechter van 27 decem-ber 2010, op verwijzing na het arrest van het Hof van 29 oktober 2009.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft op 11 januari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert een juridische tegenstrijdigheid aan tussen, enerzijds, de impliciete beslissing van de vrederechter dat de kwestieuze heffing geen retributie maar een belasting is en, anderzijds, de beslissing waarbij hij de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaart.

In zoverre het onderdeel artikel 149 Grondwet als geschonden aanwijst, is het niet ontvankelijk.

2. Krachtens artikel 590, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek neemt de vrederech-ter kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag 1.860 euro niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt, inzonderheid de vorderin-gen bedoeld in de artikelen 569 tot 571, 574 en 578 tot 583.

Op grond van deze wetsbepaling neemt de vrederechter kennis van alle geschillen met betrekking tot een gemeentelijke retributie indien de opgelegde heffing 1.860 euro niet te boven gaat.

3. De materiële bevoegdheid wordt bepaald door het voorwerp van de eis, zo-als dit uit de dagvaarding blijkt.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat :

- de eiseres haar vordering steunt op het verschuldigd zijn van een retributie op grond van het reglement goedgekeurd door de gemeenteraad op 29 juni 2004 en dat de lokale politiezone op basis daarvan op 21 maart 2006 ten laste van de verweerder een factuur opstelde, waarvan het bedrag van 100 euro na aanma-ning op 9 mei 2006 werd verhoogd met 25 euro administratiekosten;

- de eiseres in haar op 29 april 2010 voor de vrederechter neergelegde conclusie aanvoerde dat er in casu wel degelijk een rechtstreeks aanwijsbare tegenpresta-tie was, zodat er helemaal geen sprake kan zijn van een belasting.

5. De vrederechter oordeelt dat de vordering op basis van het retributieregle-ment ongegrond is om reden dat:

- enerzijds in het retributiereglement niet wordt aangegeven voor welke bijzon-dere dienst in het persoonlijk belang van de "belastingplichtige" of voor welk rechtstreeks en bijzonder voordeel de heffing geschiedt;

- anderzijds de eiseres niet het bewijs levert dat deze dienstverlening in het per-soonlijk belang van de "belastingplichtige" werd uitgevoerd.

6. De vrederechter, die in het raam van de wettigheidscontrole van artikel 159 Grondwet, oordeelt dat de vordering op basis van het retributiereglement onwettig is en de vordering als ongegrond afwijst, doet geen uitspraak over een geschil betreffende de toepassing van een gemeentelijke belasting en schendt de overige in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

7. De verweerder heeft op pagina van 2 van de op 15 maart 2010 voor de vre-derechter neergelegde conclusie aangevoerd dat:

- het overduidelijk is dat er in deze zaak geen sprake is van een retributie, maar wel van een eenzijdig door de overheid opgelegde sanctie;

- hij niet ervoor gekozen heeft om van de "dienst" die de Stad ter beschikking stelt, zijnde het wegtakelen van zijn voertuig, gebruik te maken.

8. Anders dan het onderdeel aanvoert, werd aldus door de verweerder betoogd dat het wegtakelen van zijn voertuig een sanctie uitmaakte en bijgevolg niet kon beschouwd worden als een dienst die in zijn belang werd geleverd.

9. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de vraag of de dienst in het belang van de verweerder werd geleverd niet in het debat was, mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 505,04 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 22 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman G. Jocqué

A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Vrederechter

  • Retributie

  • Wettigheidscontrole