- Arrest van 22 februari 2013

22/02/2013 - C.12.0319.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De beschikking van buitenvervolgingstelling die gesteund is op de vaststelling dat er niet voldoende bezwaren bestaan tegen de verdachte, heeft enkel tot gevolg dat de strafvordering voorlopig wordt stopgezet1; zij staat een heropening van het gerechtelijk onderzoek wegens nieuwe bezwaren niet in de weg; de appelrechters die de vordering van de eiser verjaard verklaren op grond dat de bescherming van artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering overbodig is omdat de burgerlijke vordering nog niet verjaard was wanneer de strafvordering verviel door de beschikking van de raadkamer en een beroep op de verjaring van de strafvordering veronderstelt dat er aan de strafvordering geen einde is gekomen door een uitspraak, verantwoorden hun beslissing niet naar recht(1). (1) Cass. 29 maart 1999, AR S.98.0105.F, AC 1999, nr. 189; zie ook Cass. 2 april 2003, AR P.03.0040.F, AC 2003, nr. 221 en Cass. 16 feb. 2005, AR. P.04.1428.F, AC 2005, nr. 95.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0319.N

D T V,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. VLAAMS VERBOND VAN PARACLUBS vzw, met zetel te 2600 Ber-chem, Boomgaardstraat 22 bus 17,

2. H P,

3. P R,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre-Brasstraat 6, waar de verweerders woon-plaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 januari 2012.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Krachtens artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade. Zij kan echter niet verjaren voor de strafvordering.

2. Krachtens artikel 128, eerste lid, Wetboek van Strafvordering verklaart de raadkamer dat er geen reden is tot vervolging indien zij van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, of dat te-gen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat.

De beschikking van buitenvervolgingstelling die gesteund is op de vaststelling dat er geen voldoende bezwaren bestaan tegen de verdachte, heeft enkel tot gevolg dat de strafvordering voorlopig wordt stopgezet. Zij staat een heropening van het gerechtelijk onderzoek wegens nieuwe bezwaren niet in de weg.

3. De appelrechters stellen vast dat:

- de eiser letsels opliep bij het valschermspringen op 8 augustus 2001;

- het strafonderzoek werd geseponeerd op 14 juni 2002;

- de eiser klacht met burgerlijke partijstelling heeft neergelegd bij de onder-zoeksrechter op 10 april 2003;

- de raadkamer te Hasselt bij beschikking van 5 mei 2006 oordeelde dat er geen reden was voor vervolging;

- de eiser op 1 en 6 juni 2007 overging tot dagvaarding voor de burgerlijke rech-ter van de verweerders.

4. De appelrechters oordelen dat de bescherming van artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering overbodig is omdat de burgerlijke vordering nog niet verjaard was wanneer de strafvordering verviel door de beschikking van de raadkamer van 5 mei 2006 en een beroep op de verjaring van de strafvordering veronderstelt dat er aan de strafvordering geen einde is gekomen door een uit-spraak.

De appelrechters die de vordering van de eiser op deze gronden verjaard verkla-ren, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

5. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 22 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

B. Wylleman

G. Jocqué

A. Smetryns

B. Deconinck

E. Dirix

Vrije woorden

  • Raadkamer

  • Beschikking tot buitenvervolginstelling

  • Gevolg