- Arrest van 25 februari 2013

25/02/2013 - F.12.0008.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De termen “rechten en andere heffingen” in Verordening 222/77 van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer, doelen op douanerechten, kwantitatieve beperkingen en heffingen of maatregelen van gelijke werking; een last is geen heffing van gelijke werking als een douanerecht, maar een binnenlandse belasting in de zin van artikel 110 VWEU, indien hij deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor groepen producten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve, onafhankelijk van de oorsprong of de bestemming van het product toegepaste criteria; een heffing in de vorm van een binnenlandse belasting kan slechts als een heffing van gelijke werking als een douanerecht worden aangemerkt indien haar toepassingsmodaliteiten zodanig zijn, dat de last in feite uitsluitend op ingevoerde en niet op nationale producten komt te rusten (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0008.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de administratie der dou-ane en accijnzen, Directie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Eller-manstraat 21,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. BELGIAN REFINING CORPORATION nv, met zetel te 2040 Antwerpen, Scheldelaan 490, Haven 663,

2. ANTWERP TERMINAL & PROCESSING COMPANY nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Beliweg 20, Haven 279,

3. TOTAL RAFFINADERIJ NEDERLAND nv, vennootschap naar buiten-lands recht, met zetel te 4455 TM Nieuwdorp Zld (Nederland), Luxemburg-weg 1,

verweersters,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweersters woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 oktober 2011.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 13 november 2012 verwe-zen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 21 januari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Uit de preambule van de verordening blijkt dat de termen "rechten en ande-re heffingen" in Verordening 222/77 van 13 december 1976 betreffende commu-nautair douanevervoer (hierna: Verordening 222/77), doelen op douanerechten, kwantitatieve beperkingen en heffingen of maatregelen van gelijke werking.

2. Het Hof van Justitie van de EU oordeelt bij arrest van 9 september 2004, Carbonati Apuani, C-72/03, dat een last geen heffing van gelijke werking als een douanerecht, maar een binnenlandse belasting is in de zin van artikel 110 VWEU, indien hij deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor groepen producten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve, onafhankelijk van de oorsprong of de bestemming van het product toegepaste cri-teria.

Een heffing in de vorm van een binnenlandse belasting kan, volgens het arrest van 2 april 1998 van het Hof van Justitie, Outokumpu Oy, C-213/96, slechts als een heffing van gelijke werking als een douanerecht worden aangemerkt indien haar toepassingsmodaliteiten zodanig zijn, dat de last in feite uitsluitend op ingevoerde en niet op nationale producten komt te rusten.

3. Het middel dat ervan uitgaat dat douanerechten, kwantitatieve beperkingen en heffingen of maatregelen van gelijke werking, de accijnzen in het algemeen omvatten die verschuldigd zijn in de lidstaten over wiens grondgebied de goe-deren worden vervoerd, faalt naar recht.

Prejudiciële vraag

4. De verzoeker verzoekt het Hof de vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of artikel 13 in samenhang met de artikelen 36.1 en 39.2 van Verordening 222/77, zo moet worden uitgelegd dat de aangever inzake de re-geling van het intern communautair douanevervoer, ook de schuldenaar is van de accijnzen wanneer accijnsproducten aan deze schorsingsregeling worden onttrok-ken.

5. Het antwoord op deze vraag kan duidelijk worden afgeleid uit de opzet van de verordening en de onder randnummer 2 vermelde arresten van het Hof van Jus-titie.

Het is derhalve niet nodig de prejudiciële vraag te stellen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 518,06 euro en voor de verweersters op 106,24.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Koen-Mestdagh, Geert Jocqué, Antoine Lievens en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 25 februari 2013 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deco-ninck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman A. Lievens

G. Jocqué K.Mestdagh B. Deconinck

VOORZIENING TOT CASSATIE

VOOR : de BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat, 14, Administratie der Dou-ane en Accijnzen, Directie Antwerpen, 2060 Antwerpen, Eller-manstraat 21,

bijgestaan en vertegenwoordigd door Meester Antoine DE BRUYN, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat, 67, waar keu-ze van woonplaats wordt gedaan,

eiser tot cassatie,

TEGEN : 1./ de nv BELGIAN REFINING CORPORATION, met maat-schappelijke zetel te 2040 Antwerpen, Schedelaan 490, Haven 663, met ondernemingsnummer 0404.560.472,

2./ de nv ANTWERP TERMINAL & PROCESSING COM-PANY, met maatschappelijke zetel te 2030 Antwerpen, Beliweg 20, Haven 279, met ondernemingsnummer 0428.806.613,

3./ de vennootschap naar buitenlands recht, nv TOTAL RAFFI-NADERIJ NEDERLAND, met zetel te Nederland, 4455 TM Nieuwdorp Zld, Luxemburgweg 1,

verweersters in cassatie,

* * *

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en Heren Raadshe-ren, leden van het Hof van Cassatie,

* * *

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser heeft de eer het arrest aan Uw toezicht te onderwerpen dat op 4 okto-ber 2011 op tegenspraak werd gewezen door de zesde kamer van het Hof van Be-roep te Antwerpen (2009/AR/3034).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Verweersters hebben in de periode van 7 september 1989 tot 12 april 1990 aangiften voor communautair douanevervoer (T2) opgesteld voor het vervoer vanuit Nederland van hoeveelheden minerale olie, zonder dar accijnzen, bijzonde-re accijnzen en BTW dienden betaald te worden.

Het exemplaar 5 van deze aangiften werd niet binnen een redelijke termijn bij het kantoor van vertrek terugbezorgd zodat de aangiften niet regelmatig wer-den aangezuiverd; uit een strafonderzoek bleek dat de goederen in werkelijkheid werden gelost in België, en niet in Duitsland zoals vermeld op de T2 documenten, zonder dat aangifte was gedaan bij de Belgische douaneautoriteiten.

Uit hoofde van het onttrekken van deze goederen onder schorsing van ac-cijns aan de doorvoer, werden de daders en medeplichtigen aan deze feiten op strafrechtelijk vlak veroordeeld bij vonnis van 13 mei 2004 van de Correctionele Rechtbank te Brussel.

Op 18 november 1993 ging eiser over tot dagvaarding van de verweersters, en hun borgsteller de NV SNS BANK, in betaling van de verschuldigde accijnzen en bijzondere accijnzen.

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen oordeelde bij vonnis van 5 oktober 2009 dat geen (internationale dan wel Belgische) wetsbepalingen ver-weersters tot schuldenaars maakt van de accijnzen zodat de vorderingen van eiser ongegrond werden verklaard.

Bij verzoekschrift, neergelegd op 9 november 2009 ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen, tekende eiser hoger beroep aan tegen deze beslissing.

Het bestreden arrest bevestigde de beslissing van de eerste rechter dat de verweersters geen schuldenaar zijn van de gevorderde accijnzen en bijzondere ac-cijnzen.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

- de artikelen 1, 2.3., in fine, 13, 27.1., 32.1., 34, 35, 36.1., 39 en 59.1 van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair vervoer;

- de artikelen 1 en 14 van de wetsbepalingen betreffende het accijnsregime van minerale olie, gecoördineerd op 20 november 1963.

Aangevochten beslissing:

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser ongegrond en be-vestigt het vonnis van de eerste rechter dat de vordering van eiser ongegrond ver-klaarde.

De beslissing dat verweersters niet als accijnsschuldenaar kunnen worden beschouwd, werd gemotiveerd op grond van de volgende overwegingen:

« 2.1. - Vooreerst dient onderzocht te worden of (verweersters) al dan niet als accijnsschuldenaar kunnen aanzien worden.

« (Eiser) steunt zich op de Verordening 222/77 van de Raad van 13 december 1976 en de uitvoeringsbepalingen opgenomen in Verordening 1062/87 van 27 maart 1987.

« Uit de tekst van de preambule van de Verordening 222/77, en meer bepaald de overwegingen 2, 3 en 7, blijkt evenwel dat deze verordening enkel slaat op douanerechten, kwantitatieve beperkingen en heffingen of maatregelen van gelijke werking.

« De minerale olie, die het voorwerp was van de kwestieuze T2-documenten, was een communautair product dat in het vrije verkeer was, waarop geen douanerechten, noch kwantitatieve beperkingen noch heffingen of maatrege-len van gelijke werking van toepassing waren.

« Accijnzen zijn geen douanerechten, noch kwantitatieve beperkingen noch heffingen of maatregelen van gelijke werking en op grond van deze Veror-dening kunnen (verweersters) dan ook niet als accijnsschuldenaar aanzien worden.

« ...

« Er is dus geen duidelijke wetsbepaling aan te duiden op grond waarvan de persoon die de op basis van de douanewetgeving de verplichtingen moet na-leven die voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling van douane-vervoer ook schuldenaar zou zijn van de accijns en bijzondere accijns.

« 4.4. - De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat (verweersters) geen schuldenaar zijn van de gevorderde accijns en bijzondere accijns.»

(arrest, p.7, 4.2. en p.9, tweede en derde alinea).

Grieven:

1./ Overeenkomstig artikel 2.3, in fine, van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair vervoer, waarvan de toepassing in onderhavige zaak niet wordt betwist, geldt de regeling voor in-tern communautair douanevervoer voor het vervoer van communautaire goederen, voor zover op die goederen douane-, fiscale, economische, statistische of andere maatregelen betreffende het handelsverkeer van toepassing zijn.

In zoverre op minerale olie accijnzen en BTW zijn verschuldigd, zijn hierop fiscale maatregelen van toepassing zodat de regeling voor intern communautair douanevervoer geldt voor het vervoer van minerale olie.

2./ Voor met toepassing van de regeling voor intern communautair douanever-voer te vervoeren goederen moet, overeenkomstig artikel 39.1 van de voormelde Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976, een aangifte T2 worden gedaan.

Krachtens artikel 39.2 van diezelfde verordening, zijn de bepalingen van ti-tel II, met betrekking tot het extern communautair douanevervoer, van overeen-komstige toepassing op de regeling voor intern communautair douanevervoer.

Artikel 13 van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 de-cember 1976, is aldus van toepassing op de regeling voor intern communautair douanevervoer van minerale olie, luidens welke bepaling de aangever - zijnde de persoon die, zelf of door een gevolmachtigde, een aangifte voor communautair douanevervoer ten aanzien waarvan de vereiste douaneformaliteiten zijn vervuld heeft gedaan, waardoor hij zich tegenover de bevoegde autoriteiten verplicht tot het regelmatig verrichten van dat douanevervoer (artikel 11, a) - verplicht is:

a) de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden aan het kantoor van bestemming aan te brengen, met inachtneming van de door de bevoegde au-toriteiten getroffen identificatiemaatregelen;

b) de bepalingen na te leven betreffende de regeling voor communautair doua-nevervoer en inzake douanevervoer in elk van de Lid-Staten over het grond-gebied waarvan het vervoer plaatsvindt.

Artikel 36.1. van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 de-cember 1976, bepaalt dat de actie tot invordering van de eventueel opeisbare rechten en andere heffingen, onverminderd eventuele strafvervolging, wordt op-gestart door de lidstaat waar de overtreding of onregelmatigheid met betrekking tot het communautair vervoer is vastgesteld.

Enkel in de specifieke gevallen omschreven in artikel 34 van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976, kan de aangever worden vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de rechten en andere heffingen.

Uit voormelde bepalingen van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976 volgt dat het een eigen verplichting is van de aange-ver inzake intern communautair douanevervoer om ervoor te zorgen dat de goe-deren daadwerkelijk op het kantoor van bestemming aankomen. Als aangever moet hij instaan voor de aanzuivering van de uitgestelde douanedocumenten, in voorkomend geval door de opeisbare rechten en andere heffingen te betalen in-dien de goederen niet meer aan de bevoegde autoriteiten kunnen worden vertoond.

3./ De Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976, is van toepassing zowel op de rechten en heffingen verschuldigd op het vervoer van niet-communautaire goederen (extern communautair vervoer), als op de rechten en heffingen verschuldigd op het vervoer van communautaire goederen, dit zijn goederen die in het vrij verkeer zijn (intern communautair vervoer) en waarop geen invoerrechten zijn verschuldigd.

De «rechten en andere heffingen», waarvan sprake is in de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976, zijnde douanerechten, kwantitatieve beperkingen, heffingen en maatregelen van gelijke werking (zie de preambule van deze Verordening), omvatten ook de accijnzen verschuldigd in de lidstaat over wiens grondgebied de goederen worden vervoerd.

Dit blijkt duidelijk uit artikel 27.1 van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976, in verband met de zekerheid die door de aangever moet worden gesteld «ter verzekering van de voldoening van de rechten en andere heffingen, die een der Lid-Staten eventueel gerechtigd is te vorderen van goederen die bij communautair douanevervoer over zijn grondgebied worden vervoerd».

Vermits in deze bepaling wordt verwezen naar hetgeen een lidstaat gerech-tigd is te vorderen van goederen die over zijn grondgebied zijn vervoerd, kan daaronder niets anders worden verstaan dan de in een lidstaat op goederen ver-schuldigde communautaire én nationale belastingen, welke belastingen ook ac-cijnzen omvatten (zie ook de allesomvattende omschrijving van het begrip «ver-schuldigde bedragen» in de modellen van de aktes van borgtocht, die als bijlagen bij de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976, krach-tens artikel 59.1, integraal deel uitmaken van deze verordening en waarin ook sprake is van «belastingen»).

Hetgeen van een borg kan worden geëist, kan, a fortiori, ook geëist worden van de aangever voor wie deze borg optreedt.

Daarnaast bepaalt artikel 32.1 van voormelde Verordening dat het bedrag van de vaste zekerheid die kan worden gesteld overeenkomstig het model van bij-lage III, verhoogd kan worden «onder meer rekening houdend met de druk van de rechten en de andere heffingen die in één of meer Lid-Staten voor deze goederen gelden».

Onder «rechten en andere heffingen» in de zin van de artikelen 27.1 en 32.1 van de Verordening moeten derhalve ook duidelijk nationale belastingen, zo-als accijnzen, worden verstaan in zoverre Europese belastingen (invoerrechten) uniform zijn voor de hele Europese Unie, terwijl nationale belastingen van lidstaat tot lidstaat verschillen.

Uit voormelde bepalingen van de Verordening en uit de opzet van deze re-gelgeving, die op elke goederenbeweging binnen de Gemeenschap moet worden toegepast, volgt derhalve dat het de bedoeling was van de communautaire wetge-ver om de aangever inzake intern communautair douanevervoer, bedoeld in artikel 13 van de Verordening, ook als accijnsschuldenaar op te vatten.

Wanneer accijnsgoederen op onregelmatig wijze aan de regeling voor intern communautair douanevervoer worden onttrokken, zal de aangever derhalve ook voor de betaling van de verschuldigde accijnzen moeten instaan.

4./ Bij toepassing van de artikelen 1 en 14 van de wetsbepalingen betreffende het accijnsregime van minerale olie, gecoördineerd op 20 november 1963, is de accijns verschuldigd op de dag van het verstrijken van de geldigheidsduur van het T2-document wanneer het T2-document niet binnen de geldingsduur wordt aan-gezuiverd door de inverbruikstelling van de goederen.

Het bestreden arrest stelt vast:

- dat het exemplaar 5 van de aangiften voor communautair douanevervoer T2 niet binnen een redelijk termijn bij het kantoor van vertrek was terugbezorgd;

- dat de minerale olie, die onder een schorsingsregeling was geplaatst, in Bel-gië was gelost en niet in Duitsland, zoals vermeld op het T2 document;

- dat de minerale olie niet bij de Belgische douaneautoriteiten was aangege-ven, mitsdien aan de doorvoer was onttrokken.

Nu de aangifte niet was aangezuiverd bij het kantoor van vertrek dienden verweersters, als aangevers, derhalve in te staan voor de betaling van de verschul-digde accijnzen (artikelen 13, 34, 36.1. en 39 van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976).

Het bestreden arrest veroordeelt de verweersters niet tot betaling van de ver-schuldigde accijnzen op grond dat zij niet als accijnsschuldenaar kunnen worden aanzien in zoverre de Verordening (EEG) nr.222/77 enkel betrekking heeft op douanerechten, kwantitatieve beperkingen, heffingen of maatregelen van gelijke werking, en accijnzen geen dergelijke rechten of heffingen zijn.

5./ Hieruit volgt dat het bestreden arrest verweersters niet wettig op deze gron-den de hoedanigheid van accijnsschuldenaar heeft ontzegd en de vorderingen van eiser tot betaling van de verschuldigde accijnzen en bijzondere accijnzen niet wet-tig heeft afgewezen (schending van de artikelen 1, 2.3, in fine, 13, 27.1, 32.1, 34, 35, 36.1., 39 en 59.1 van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair vervoer, 1 en 14 van de wetsbepalingen betreffende het accijnsregime van minerale olie, gecoördineerd op 20 november 1963).

TOELICHTING

1./ Anders dan de appelrechters oordelen omvatten de «rechten en andere hef-fingen», waarvan sprake in de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976, niet alleen de rechten en heffingen die verschuldigd zijn op niet-communautaire goederen in het kader van het extern communautair douanever-voer (douanerechten, kwantitatieve beperkingen, ...), maar ook de «rechten en andere heffingen», verschuldigd op communautaire goederen (intern communau-tair douanevervoer), zoals de accijnzen.

De aangever die inzake het intern communautair douanevervoer moet in-staan voor de aanzuivering van de schorsingsregeling, moet derhalve ook als ac-cijnsschuldenaar worden aanzien ingeval de accijnsproducten onder schorsing van accijns op onregelmatige wijze aan de schorsingsregeling worden onttrokken.

2./ Dat de aangever inzake het intern communautair douanevervoer ook de hoedanigheid van accijnsschuldenaar heeft, blijkt onder meer uit de bepalingen van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976, in ver-band met de borg die de aangever moet stellen.

In deze bepalingen, in het bijzonder in artikel 27, is immers sprake van «rechten en andere heffingen» die een lidstaat gerechtigd is te vorderen van goe-deren die over zijn grondgebied zijn vervoerd, waaronder niets anders kan worden verstaan dan de in een lidstaat op goederen verschuldigde communautaire en nati-onale belastingen, zoals accijnzen (zie ook artikel 32.1 en de zeer ruime omschrij-ving van het begrip «verschuldigde bedragen» in de modellen van de aktes van borgtocht die als bijlagen bij de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976, integraal deel uitmaken van deze verordening en waarin de borg zich tegenover alle lidstaten hoofdelijk verbindt tot betaling van al hetgeen de aangever waarvoor hij zich borg stelt, verschuldigd is of kan worden «zowel voor de hoofdsommen en bijsommen als voor kosten en bijkomende bedragen, met uit-sluiting van boeten, uit hoofde van rechten, belastingen, landbouwheffingen en andere heffingen» wegens een overtreding of onregelmatigheid begaan bij het communautair douanevervoer dat de aangever verricht).

3./ Door te oordelen dat verweersters voor de toepassing van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976 geen accijnsschuldenaars zijn, heeft het bestreden arrest zijn beslissing derhalve niet naar recht verantwoord.

Door aldus te beslissen dat de aangever van het T2 document, in de regeling van het intern communautair douanevervoer, geen schuldenaar is van de accijnzen, ingeval de goederen worden onttrokken aan de schorsingsregeling, maakt het appelgerecht het opstellen van deze T2-documenten volstrekt nutteloos voor het vervoer van communautaire goederen, die reeds in het vrij verkeer zijn en uit hoofde waarvan geen invoerrechten meer zijn verschuldigd, wat geenszins de be-doeling kan zijn geweest van de Europese wetgever.

4./ Bij arrest van 24 april 2008 oordeelde Uw Hof dat de hoedanigheid van douaneschuldenaar op grond van de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (vóór de invoeging van artikel 6bis bij artikel 314 van de Programmawet van 22 december 2003) niet de hoedanigheid van accijnsschuldenaar insluit (A.C., 2008, nr.252, met conclusie van Adv.-gen. THIJS).

Deze rechtspraak is niet relevant voor onderhavige zaak welke immers moet worden beoordeeld op grond van de bepalingen van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976.

Zoals hoger aangetoond, heeft deze Verordening ook betrekking op accijn-zen en dient de aangever inzake de regeling van het intern communautair douane-vervoer op grond van die Verordening als accijnsschuldenaar te worden be-schouwd.

Indien Uw Hof hieraan zou twijfelen, verzoekt eiser Uw Hof dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, luidend als volgt:

« Moet artikel 13 juncto de artikelen 36.1 en 39.2 van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976, zo worden uitgelegd dat de aangever inzake de regeling van het intern communautair douanevervoer, ook de schuldenaar is van de accijnzen wanneer accijnsproducten aan deze schorsingsregeling worden onttrokken?».

5./ Het bestreden arrest oordeelde «louter ten overvloede en volledigheidshalve» onder punt 4.3. dat verweersters ook op grond van latere bepalingen niet als accijnsschuldenaar kunnen worden beschouwd.

In zoverre niet werd betwist dat de bepalingen van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976 op voorliggend geschil van toepas-sing zijn, vormen de beschouwingen onder punt 4.3. geen zelfstandige redenen die de bestreden beslissing naar recht kunnen verantwoorden zodat eiser deze be-schouwingen niet op ontvankelijke wijze kan aanvechten.

OM DEZE REDENEN,

besluit voor eiser ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, minstens de uitspraak te verdagen in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Euro-pese Unie op de volgende door Uw Hof te stellen prejudiciële vraag:

« Moet artikel 13 juncto de artikelen 36.1 en 39.2 van de Verordening (EEG) nr.222/77 van de Raad van 13 december 1976, zo worden uitge-legd dat de aangever inzake de regeling van het intern communautair douanevervoer, ook de schuldenaar is van de accijnzen wanneer ac-cijnsproducten aan deze schorsingsregeling worden onttrokken?»,

kosten als naar recht.

Brussel, 13 januari 2012

Antoine DE BRUYN,

Vrije woorden

  • Douane

  • Communautair douanevervoer

  • Verordening 222/77 van 13 december 1976

  • Toepassingsgebied