- Arrest van 26 februari 2013

26/02/2013 - P.11.1665.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Indien de bij een strafrechter met een verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht aanhangig gemaakte feitelijke gedraging als een voortdurend misdrijf is te omschrijven, kan de door de rechter bepaalde tijdsperiode voor dit voortdurend misdrijf zich niet uitstrekken na de datum van de saisinebepalende verwijzingsbeslissing; dit sluit echter niet uit dat de rechter bij het bepalen van de juiste tijdsperiode van de bij hem aanhangige feitelijke gedraging, die als een voortdurend misdrijf is omschreven, rekening kan houden met gebeurtenissen die zich na de verwijzingsbeslissing hebben voorgedaan, voor zover de rechter zich daardoor niet uitspreekt over andere feitelijke gedragingen dan die welke regelmatig bij hem zijn aanhangig gemaakt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1665.N

W G M S,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 14 september 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de hem ten laste gelegde feiten A.I.b)2), A.II.b), A.III.b), B.I.b)2), B.II.b), B.III.b), C.I.a (deels), C.I.c), C.III.a) en b) en C.VII.a) en f).

Het tegen die beslissing gerichte cassatieberoep is bij gebrek aan belang niet ont-vankelijk.

Middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 145, 189 en 211 Wet-boek van Strafvordering: met het oordeel dat het gebruik van de valse stukken niet heeft geduurd tot de door het openbaar ministerie en de met verwijzingsbeschikking van de raadkamer bepaalde datum van 1 april 2000, maar wel tot en met 16 januari 2008 verwerpen de appelrechters ten onrechte eisers verweer dat de strafvordering voor de hem verweten feiten was vervallen door verjaring; zij gronden het oordeel dat het gebruik van de valse stukken tot die datum heeft geduurd op de loutere vaststelling dat ingevolge de betwisting van de op 29 april 2009 en op 5 juni 2009 verstuurde berichten van wijziging van aangifte de verschuldigde belastingen nog steeds niet volledig en definitief zijn bepaald, zij het dat de vervolging niet kan slaan op feiten daterend van na het verwijzingsarrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 17 januari 2008; de appelrechters steunen zich aldus op feiten die dateren van na het verwijzingsarrest en na de door hen in acht genomen incriminatieperiode; zij preciseren bovendien geenszins de concrete daden van gebruik in de periode tussen 1 april 2000 en 16 januari 2008; zodoende verklaren zij de eiser schuldig aan feiten van het gebruik van valse stukken gepleegd na 1 april 2000 en derhalve aan feiten waarvoor zij niet waren geadieerd en verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

3. De verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht maakt bij de strafrech-ter een bepaalde feitelijke gedraging aanhangig. Het staat aan de strafrechter om gelet op de bewoordingen van de verwijzingsbeslissing en in het licht van de ge-gevens van het strafdossier uit te maken welke feitelijke gedraging wordt bedoeld en daaraan de juiste omschrijving te geven met inbegrip van de datum of de tijds-periode. Hij dient daarbij zonodig de in de verwijzingsbeslissing voorlopig be-paalde datum of tijdsperiode voor de bij hem aanhangige gedraging aan te passen.

De strafrechter mag de datum of de tijdsperiode echter niet zodanig aanpassen dat bij hem een andere feitelijke gedraging wordt aanhangig gemaakt dan die welke met de verwijzingsbeslissing werd bedoeld. Bovendien moet bij een aanpassing het recht van verdediging van partijen in acht worden genomen.

4. Indien de bij de strafrechter met een verwijzingsbeslissing van het onder-zoeksgerecht aanhangig gemaakte feitelijke gedraging als een voortdurend mis-drijf is te omschrijven, kan de door de rechter bepaalde tijdsperiode voor dit voortdurend misdrijf zich niet uitstrekken na de datum van de saisinebepalende verwijzingsbeslissing.

Dit sluit echter niet uit dat de rechter bij het bepalen van de juiste tijdsperiode van de bij hem aanhangige feitelijke gedraging, die als een voortdurend misdrijf is omschreven, rekening kan houden met gebeurtenissen die zich na de verwijzings-beschikking hebben voorgedaan, voor zover de rechter zich daardoor niet uit-spreekt over andere feitelijke gedragingen dan die welke regelmatig bij hem zijn aanhangig gemaakt.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. De strafrechter bepaalt onaantastbaar de datum of de tijdsperiode van de door hem omschreven strafbare gedraging, die de verwijzingsbeslissing bij hem heeft aanhangig gemaakt. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellin-gen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

6. De eiser werd met de telastlegging B, zoals verbeterd door de appelrechters wat betreft de opgesomde aanslagjaren, vervolgd voor het plegen van valsheid en het gebruik van valse stukken, met het bedrieglijk opzet de werkelijke door de vennootschappen Food Trade International nv (FTI) en International Price sa (IP) verwezenlijkte inkomsten en de daaruit voortvloeiende belastbare winst te verdoe-zelen, derhalve de belastbare basis minstens voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 op bedrieglijke wijze te hebben verminderd teneinde aanzienlijke vennoot-schapsbelasting te ontduiken.

7. De appelrechters (arrest, ro 12-14) oordelen onder meer dat:

- indien bewezen, het gebruik van de valse stukken gebeurde met hetzelfde be-drieglijk opzet of oogmerk om te schaden als de valsheid zelf;

- het gebruik van valsheid in geschriften een voortdurend misdrijf is, waarvan de verjaring slechts een aanvang neemt op het ogenblik waarop de delictuele toe-stand die door het gebruik werd gecreëerd, heeft opgehouden te bestaan;

- het gebruik van valse stukken voortduurt zolang het door de dader van de vals-heid beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft gehad dat hij ervan ver-wachtte;

- de hierbij bedoelde valsheden onder meer tot doel hadden de verschuldigde belastingen te ontduiken, dit wil zeggen ze niet te betalen of minstens de betaling ervan uit te stellen;

- het gebruik van de valse stukken dus voortduurt totdat de door de valsheid ontdoken belastingen effectief en definitief betaald zijn;

- op 29 april 2009 berichten van wijziging werden verstuurd aan FTI met betrek-king tot de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999, de fiscale administratie voor de aanslagjaren 1997 en 1998 de boekhouding heeft verworpen en voor het aan-slagjaar 1999 de compensatie met vorige verliezen werd verworpen;

- de fiscale administratie op 29 mei 2009 vanwege de raadsman van FTI een antwoord van niet-akkoord heeft ontvangen;

- op 19 februari 2010 opdracht werd gegeven tot inkohiering van de vennoot-schapsbelasting en op 22 februari 2010 de aanslagen met betrekking tot deze aanslagjaren uitvoerbaar werden verklaard;

- er met betrekking tot de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 nog geen betaling gebeurde;

- de vervolging niet kan slaan op feiten vanaf het verwijzingsarrest van 17 januari 2008.

8. Met die redenen passen de appelrechters de voor de telastlegging B in acht te nemen tijdsperiode aan, zonder dat zij bij hen een andere feitelijke gedraging aanhangig maken dan die welke met de verwijzingsbeslissing werd bedoeld. Met de redenen, eensdeels, dat op 29 april 2009 aan FTI berichten van wijziging wer-den toegestuurd, op 29 mei 2009 de administratie een bericht van niet-akkoord heeft ontvangen, op 19 februari 2010 opdracht werd gegeven tot inkohiering, op 22 februari 2010 de aanslagen werden uitvoerbaar verklaard en er nog geen beta-ling gebeurde, en, anderdeels dat de vervolging niet kan slaan op feiten vanaf het verwijzingsarrest van 17 januari 2008, oordelen de appelrechters bovendien dat de eiser ook tijdens de periode van 1 april 2000 tot en met 16 januari 2008, de valse belastingstukken is blijven gebruiken. Aldus verantwoorden zij hun beslissing dat de verjaring van de strafvordering voor de feiten der telastlegging B slechts een aanvang neemt op 16 januari 2008 en de verjaring van de strafvordering voor het geheel van de aan de eiser ten laste gelegde feiten nog niet is bereikt, naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 193, 196 en 197 Strafwetboek en de artikelen 449 en 450 WIB92: de appelrech-ters oordelen ten onrechte dat het gebruik van de valse stukken heeft geduurd tot en met 16 januari 2008; het gebruik van een vals stuk in fiscalibus eindigt wanneer het beoogde doel is bereikt, dit is de misleiding van de belastingadministratie met het oog op de berekening van de belasting, de ontwijking van die belasting of het uitstellen van de verplichting tot betaling van de belasting; het beoogde doel wordt bereikt bij een op de onjuiste aangifte en de valse stukken gesteunde onjuis-te inkohiering; de mogelijkheid die de fiscus heeft om nadien een aanvullende aanslag te vestigen mag niet in rekening worden gebracht; deze aanvullende aan-slag is immers per definitie niet gesteund op de door de beklaagde gebruikte stuk-ken; met het oordeel dat het gebruik voortduurt tot en met de vestiging van de aanvullende aanslag verwarren de appelrechters eensdeels het nuttig gevolg van het delictueel gebruik bestaande uit de geslaagde misleiding van de fiscus dat wordt bereikt bij de vestiging van de oorspronkelijke aanslag op grond van de on-juiste stukken (doel) en anderdeels het financieel voordeel dat uit een onjuiste aanslag voortvloeit en dat bestaat in de niet-betaling van de verschuldigde belas-ting (gevolg); de beslissing van de appelrechters is gesteund op de loutere vaststel-ling dat in 2009 door de fiscus berichten van wijziging van aangifte werden ver-stuurd en dat die berichten en de daaruit voortvloeiende fiscale procedure zich volledig na 16 januari 2008 en dus na de incriminatieperiode situeren; het strafbaar gebruik van de valse stukken kan dan ook onmogelijk betrekking hebben op het gebruik van deze stukken in een fiscale procedure die na 16 januari 2008 is gesitueerd; bovendien geven de appelrechters niet aan welke daden van gebruik van valse stukken de eiser zou hebben gesteld in de periode tussen 1 april 2000 en 16 januari 2008 noch wanneer de belasting op grond van de beweerde stukken werd ingekohierd en plaatsen ze aldus het Hof in de onmogelijkheid de wettigheid van het arrest te toetsen.

10. Wanneer een beklaagde wordt vervolgd wegens valsheid en het gebruik van het valse stuk, begint de verjaring van de strafvordering voor wat betreft beide misdrijven eerst te lopen vanaf het laatste gebruik. Het gebruik duurt voort, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten oor-spronkelijke handeling, zonder dat hij zich er tegen verzet, het nuttig gevolg blijft hebben die hij ervan verwachtte.

11. Met artikel 450 WIB92 bestraft de wetgever de valsheid die tot doel heeft de belastingadministratie te misleiden met het oog op de berekening van de inkomstenbelastingen, deze te ontwijken en de verplichting tot betaling ervan uit te stellen.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het gebruik van een vals stuk in de zin van artikel 450 WIB92 zijn doel heeft bereikt bij de inkohiering en het gebruik op dat ogenblik noodzakelijk ophoudt, faalt het dan ook naar recht.

12. Het staat aan de strafrechter om in feite uit te maken of, naargelang het al dan niet verwezenlijkt zijn van het door de dader van het misdrijf nagestreefde doel en het nuttig gevolg dat hij van de valse belastingstukken verwachtte, aan het gebruik ervan een einde is gekomen. Hij kan daarbij feitelijke gebeurtenissen in aanmerking nemen die zich na de verwijzingsbeschikking hebben voorgedaan. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht heeft kunnen afleiden dat die valsheid al dan niet heeft opgehouden de door de vervalser ge-wenste uitwerking te hebben.

13. De eiser werd met de telastlegging B, zoals verbeterd door de appelrechters wat betreft de opgesomde aanslagjaren, vervolgd voor het plegen van valsheid en het gebruik van valse stukken, met het bedrieglijk opzet de werkelijke door de vennootschappen FTI nv en IP sa verwezenlijkte inkomsten en de daaruit voort-vloeiende belastbare winst te verdoezelen, derhalve de belastbare basis minstens voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 op bedrieglijke wijze te hebben vermin-derd teneinde aanzienlijke vennootschapsbelasting te ontduiken.

14. Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel konden de appelrechters oordelen dat het met de telastlegging B bedoelde gebruik heeft geduurd tot en met 16 januari 2008, dat de verjaring van de strafvordering voor die feiten slechts een aanvang heeft genomen op die datum en dat de verja-ring van de strafvordering voor het geheel van de aan de eiser ten laste gelegde feiten nog niet is bereikt. Met de redenen, eensdeels, dat op 29 april 2009 aan FTI berichten van wijziging werden toegestuurd, op 29 mei 2009 de administratie een bericht van niet-akkoord heeft ontvangen, op 19 februari 2010 opdracht werd ge-geven tot inkohiering, op 22 februari 2010 de aanslagen werden uitvoerbaar ver-klaard en er nog geen betaling gebeurde, en, anderdeels dat de vervolging niet kan slaan op feiten vanaf het verwijzingsarrest van 17 januari 2008, oordelen de appel-rechters bovendien dat de eiser ook tijdens de periode van 1 april 2000 tot en met 16 januari 2008, de valse belastingstukken is blijven gebruiken. Aldus verant-woorden zij hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 246,02 euro.

F. Adriaensen

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 26 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Voortdurend misdrijf

  • Verwijzingsbeslissing

  • Vermelding van de tijdsperiode van het misdrijf

  • Aanpassing van de tijdsperiode door de feitenrechter

  • Aanpassing gesteund op gebeurtenisseen die zich na de verwijzingsbeslissing hebben voorgedaan