- Arrest van 26 februari 2013

26/02/2013 - P.13.0299.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 235bis Wetboek van Strafvordering is enkel van toepassing voor de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet tijdens het gerechtelijk onderzoek of in het kader van de regeling van de rechtspleging; die wetsbepaling is niet van toepassing voor de rechter die, na verwijzing door het onderzoeksgerecht, uitspraak doet met toepassing van de artikelen 27, §1, 2°, en 34, §3, Voorlopige Hechteniswet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0299.N

M S,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Bert Partoens, advocaat bij de balie te Tongeren, met kan-toor te 3740 Bilzen, Bergstraat 9, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 14 februari 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 187, zesde lid, Wetboek van Strafvordering: de titel op basis waarvan de eiser van zijn vrijheid werd beroofd, is gebaseerd op een bij verstek gewezen arrest van het hof van beroep te Antwer-pen van 31 januari 2013 waarbij dat hof ten onrechte oordeelde over een geldige saisine te beschikken daar waar het diende te oordelen dat het geen kennis kon nemen van het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het verstekvonnis van de correctionele rechtbank te Tongeren van 8 september 2011.

2. Het middel dat opkomt tegen het arrest van 31 januari 2013, heeft geen be-trekking op het thans bestreden arrest.

Het middel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 235bis, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering: het arrest onderzoekt de regelmatigheid van de procedure niet; de eiser heeft in zijn verzoekschrift en zijn conclusie aangevoerd dat de vrijheidsbe-rovende titel ongeldig diende verklaard te worden vermits hij gesteund is op een arrest dat nietig dient verklaard te worden; het thans bestreden arrest weigert hier-over uitspraak te doen.

4. Artikel 235bis Wetboek van Strafvordering is enkel van toepassing voor de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet tijdens het gerechtelijk on-derzoek of in het kader van de regeling van de rechtspleging. Die wetsbepaling is niet van toepassing voor de rechter die, na verwijzing door het onderzoeksgerecht, uitspraak doet met toepassing van de artikelen 27, § 1, 2°, en 34, § 3, Voorlopige Hechteniswet.

Voor het overige staat het de rechter die overeenkomstig artikel 27, § 1, Voorlo-pige Hechteniswet oordeelt over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, niet de wettigheid van de vrijheidsberovende titel te onderzoeken, maar enkel na te gaan of de voorwaarden voor de handhaving van de voorlopige hechtenis vervuld zijn.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde middel

5. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, evenals miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest stelt dat de eiser "ver-dacht is van mededaderschap mensenhandel, exploitatie prostitutie, inbreuken op de drugswetgeving, opzettelijke slagen"; het verwijst naar het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 31 januari 2013 waarbij duidelijk wordt gesteld dat enkel kennis kon worden genomen van het mededaderschap aan mensenhandel en opzettelijke slagen; aldus betrekt het in zijn oordeel andere misdrijven die buiten de saisine van het hof van beroep vallen.

6. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 31 januari 2013 werd de eiser veroordeeld tot onder meer een hoofdgevangenisstraf van veertig maanden en een geldboete van duizend euro, vermeerderd met de opdeciemen, of een ver-vangende gevangenisstraf van drie maanden, uit hoofde van feiten van mensen-handel en opzettelijke slagen, en werd daarvoor zijn onmiddellijke aanhouding bevolen.

7. Ingevolge eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling oordeelt het thans bestreden arrest met betrekking tot de handhaving van eisers hechtenis ingevolge het bevel tot aanhouding van 31 januari 2013 dat er thans nog steeds ernstige aanwijzingen van schuld bestaan welke begrepen zijn in de voldoende bezwaren op grond waarvan de eiser verwezen werd naar de correctionele rechtbank.

Aldus betrekt het bestreden arrest in zijn beslissing geen misdrijven die buiten de saisine van het hof van beroep vallen, maar oordeelt het dat voor de misdrijven waarvoor een bevel tot onmiddellijke aanhouding werd verleend, de bezwaren die in de verwijzingsbeschikking bestonden, thans nog steeds bestaan.

Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 74,31 euro.

F. Adriaensen

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 26 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Onderzoek van de regelmatigheid van de procedure

  • Artikel 235bis, Wetboek van Strafvordering

  • Rechter die na verwijzing door het onderzoeksgerecht uitspraak doet over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling

  • Toepasselijkheid