- Arrest van 27 februari 2013

27/02/2013 - P.12.1698.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het recht van verdediging vereist dat de vervolgde persoon, in de regel, voor de rechter niet alleen alle gegevens vrij kan tegenspreken die op regelmatige wijze tegen hem worden aangevoerd, maar ook dat hij alle gunstige elementen of excepties à décharge kan doen gelden; geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel verbiedt de rechter evenwel om uitspraak te doen op grond van een dossier waarin bepaalde stukken ontbreken, voor zover hij met dat feit rekening houdt als dat volgens hem, de facto, de vrije en volledige uitoefening van het recht van verdediging kan belemmeren (1). (1) Zie Cass. 3 feb. 2006, AR D.04.0018.F, AC 2006, nr. 73.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1698.F

I. M. S.,

Mrs. Frédéric Clément de Cléty en Muteteli Marie-Jeanne Kayijuka, advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

1. D. D. P.,

2. K. D. P.,

3. Mr. F.A.M. VAN HOOFT, advocaat, in de hoedanigheid van curator van het faillissement van de vennootschap naar Nederlands recht T.P.C. Interna-tional B.V.,

II. N. H., zonder gekende woon- of verblijfplaats in België,

Mrs. Pierre Himpler en Benoît Lemal, advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

1. D. D. P.,

2. K. D. P..

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 12 september 2012.

De eisers voeren ieder in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van M. S.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de tegen de eiser ingestelde strafvordering

(...)

Tweede middel

Het middel verwijt het arrest dat het de niet-ontvankelijkheid van de strafvorde-ring niet afleidt uit het feit dat het strafdossier na diefstal of het verlies ervan slechts gedeeltelijk, met toepassing van de artikelen 521 tot 524 Wetboek van Strafvordering, weer kon worden samengesteld, ten koste van zijn recht van ver-dediging. Het oefent bovendien kritiek uit op de bewijswaarde van de door het ar-rest zowel ten aanzien van de partijen als van derden in aanmerking genomen ge-gevens uit het beroepen vonnis, dat kracht van gewijsde heeft ten aanzien van de medebeklaagden die geen hoger beroep hebben ingesteld.

De niet-ontvankelijkheid van de strafvordering of van de uitoefening ervan is de sanctie die is gesteld op omstandigheden waardoor de strafvordering niet kan worden ingesteld of voortgezet met eerbiediging van het recht op een eerlijk pro-ces.

Het recht van verdediging vereist dat de vervolgde persoon, in de regel, voor de rechter niet alleen alle gegevens die op regelmatige wijze tegen hem worden aan-gevoerd, vrij kan tegenspreken maar ook dat hij alle gunstige elementen of excep-ties ten ontlaste kan doen gelden. Geen enkele wetsbepaling of algemeen rechts-beginsel verbiedt de rechter evenwel om uitspraak te doen op grond van een dos-sier waarvan bepaalde stukken ontbreken, voor zover hij met dat feit rekening houdt als dat volgens hem de vrije en volledige uitoefening van het recht van ver-dediging kan belemmeren.

Nadat het arrest heeft vastgesteld dat het dossier op de griffie van het hof van be-roep was ontvreemd, vlak voor de rechtszitting die aanvankelijk voor het onder-zoek van de zaak was vastgesteld, oordeelt het dat het openbaar ministerie, dat heeft toegezien op de wedersamenstelling van het strafdossier, niets heeft ver-waarloosd om de loyaliteit van de rechtspleging te waarborgen.

Het arrest stelt vervolgens vast dat de eiser voor elk van de hem ten laste gelegde misdrijven, voor het hof van beroep heeft aangevoerd dat het stuk ontbrak waarin zijn schuld wordt vastgesteld.

Om te verhelpen aan het feit dat bepaalde stukken zijn verdwenen, hebben de ap-pelrechters weliswaar de bewijswaarde aangevoerd van de in het beroepen vonnis vervatte gegevens, dat kracht van gewijsde heeft ten aanzien van de medebe-klaagden die geen hoger beroep hebben ingesteld. Zij verduidelijken evenwel dat die gegevens betrekking hadden op de gegevens van het onderzoek en verklaren dat zij elke bewijswaarde afwijzen van de redenen waarin de overtuiging van de eerste rechter wordt uitgedrukt. Het hof van beroep vermeldt ook dat het de straf-vordering alleen wilde beoordelen op grond van de regelmatig overgelegde stuk-ken en bewijselementen waarover de partijen tegenspraak hadden gevoerd.

Het arrest beslist aldus naar recht dat de slechts gedeeltelijke wedersamenstelling van het dossier het recht op een eerlijk proces niet onherroepelijk in het gedrang heeft gebracht en dat de strafvordering ontvankelijk is.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

B. Cassatieberoep van N. B. T. H.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de tegen de eiser ingestelde strafvordering

Tweede middel

De eiser verwijt het arrest dat het de strafvordering ontvankelijk verklaart of-schoon het dossier slechts gedeeltelijk opnieuw is samengesteld en dit door het openbaar ministerie is gebeurd, wat niet dezelfde garanties biedt als wanneer dit door een onderzoeksrechter was gedaan.

Buiten het te dezen niet toepasselijke geval waarin een correctioneel of crimineel dossier in de loop van het gerechtelijk onderzoek is vernield of zoekgeraakt, be-hoort, overeenkomstig de artikelen 521 tot 524 Wetboek van Strafvordering, de opdracht om het vernielde of verdwenen dossier volledig of gedeeltelijk opnieuw samen te stellen niet tot de in dat wetboek omschreven taken van de onderzoeks-rechter.

Aangezien het openbaar ministerie krachtens artikel 140 Gerechtelijk Wetboek waakt over de regelmatigheid van de dienst van de hoven en rechtbanken, dient het, in de regel, in dat geval zich te gelasten met de vervanging van de ontbreken-de stukken.

Uit het enkele feit dat het dossier, waarvan de stukken na de beëindiging van het gerechtelijk onderzoek waren verdwenen, door het openbaar ministerie en niet door de onderzoeksrechter opnieuw werden samengesteld, kan geen miskenning van het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6 EVRM, worden afgeleid.

Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest in zoverre het bij de uitspraak over de strafvordering tegen M. S., hem veroordeelt tot verbeurdverklaring van de opbrengst van de verkoop van het meubilair van de woning in de Gabriellestraat 37 te Sint-Genesius-Rode en tot ontzetting, gedurende tien jaar, uit de rechten vermeld in artikel 31, 1°, Strafwetboek.

Vernietigt het arrest in zoverre het op de strafvordering tegen N. B. T. H., uit-spraak doet over het geheel van de straf en over de bijdrage aan het Bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt M. S. tot vier vijfde van de kosten van zijn cassatieberoep, N. B. T. H. tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en laat het overige gedeelte ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 27 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Dossier

  • Verdwijning van stukken

  • Onderzoek van de tenlasteleggingen

  • Plicht van de rechter