- Arrest van 28 februari 2013

28/02/2013 - C.12.0066.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het onderhandse stuk op grond waarvan een bewarend beslag onder derden kan worden gelegd zonder toelating van de beslagrechter, is het stuk dat de schuldeiser reeds bezit en waaruit zijn schuldvordering blijkt (1). (1) Cass. 5 april 1991, AR 7104, AC 1990-91, nr. 409.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0066.F

M. H.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

C. B.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gerichte tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 1 februari 2011.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert drie middelen aan, waarvan het eerste gesteld is als volgt.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1413 en 1445, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest zegt voor recht dat de op 23 juni 2003 lastens de eiser gelegde bewarende beslagen onder derden regelmatig waren, verwerpt zijn tegen de verweerster ingestelde vordering tot schadevergoeding en veroordeelt hem in de kosten, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en meer bepaald om de volgende redenen:

"(De verweerster) heeft op 23 juni 2003, lastens (de eiser), onder de naamloze vennootschap Fortis Bank en onder de curator in het faillissement, mr. A. C., bewarend derdenbeslag gelegd op 12.178,76 euro, d.i. haar kosten- en honorariastaat voor verschillende prestaties als advocaat.

Na advies van de "commission consultative des honoraires" van 3 juli 2003 werd het bedrag van de kosten en honoraria teruggebracht tot 3.325,66 euro.

(De verweerster) sluit zich aan bij dat advies.

(...) Iedere schuldeiser kan, op grond van onderhandse stukken, onder een derde bewarend beslag leggen op de bedragen of zaken die deze aan zijn schuldenaar verschuldigd is (artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek).

Een honorariumnota van een advocaat moet, in de zin van dat artikel, als een on-derhands stuk worden beschouwd.

De honorariumnota voldoet te dezen aan de voorwaarden van artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek. De schuldvordering inzake honoraria - hoewel het bedrag ervan betwist wordt door de schuldenaar - is zeker, vaststaand en opeisbaar.

(De verweerster) toont aan dat het niet om een spoedeisend geval gaat (artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek). Buiten het bedrag waarop bewarend beslag is gelegd onder de naamloze vennootschap Fortis Bank, had de schuldenaar, die failliet was, geen andere goederen waarop beslag kon worden gelegd en het actief was ruim onvoldoende.

(...) De bewarende beslagen onder derden waren bijgevolg regelmatig op datum van 23 juni 2003.

Het hoger beroep is dus gegrond. De beslagen zijn niet tergend of foutief. Het be-streden vonnis wordt gewijzigd, in zoverre het (de verweerster) uit dien hoofde veroordeelt tot betaling van schadevergoeding".

Grieven

Artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere schuldeiser in spoed-eisende gevallen aan de rechter toelating kan vragen om op de voor beslag vatbare goederen van zijn schuldenaar bewarend beslag te leggen.

Artikel 1445, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk iedere schuldeiser op grond van authentieke of onderhandse stukken, bij gerechtsdeurwaarder, onder een derde bewarend beslag kan leggen op de bedragen of zaken die deze aan zijn schuldenaar verschuldigd is, bevat aldus een uitzondering op de regel van de voorafgaande toelating van de rechter.

Uit die bepalingen kan worden afgeleid dat het bewarend beslag dat zonder voorafgaande beschikking van de rechter onder derden wordt gelegd, slechts regelmatig is wanneer de schuldeiser over een authentieke of onderhandse akte be-schikt.

Eerste onderdeel

De eiser heeft in zijn tweede aanvullende conclusie en syntheseconclusie in hoger beroep aangevoerd dat de verweerster "de litigieuze beslagen op 23 juni 2003 heeft gelegd op grond van een kosten- en honorariastaat (...) die zij heeft opgemaakt op 4 december 2000 in het kader van een geschil tussen de (eiser) en de provincie Brabant en die, destijds, meteen werd betwist"; dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel van 1 april 2009 terecht heeft beslist dat die "kosten- en honorariastaat, die a fortiori werd betwist door de (eiser), niet kon dienen om, zonder toelating van de beslagrechter, bewarend beslag onder derden te leggen"; dat hoewel "niet-betwiste facturen een onderhandse akte uitmaken in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek, (...) de kosten- en honorariastaat van (de verweerster) niet (...) kan worden gelijkgesteld met een factuur in de zin van artikel 25 van het Wetboek van Koophandel", aangezien de verweerster "geen koopman is" en "de betrekking (...) tussen de advocaat en zijn cliënt geenszins een handelsbetrekking is in de zin van het Wetboek van Koophandel"; dat die staat "niet uitgaat van de (eiser)" en "onmiddellijk werd betwist (...), ook wat de kosten betreft".

Het arrest, dat beslist dat "de honorariumnota van een advocaat beschouwd moet worden als een onderhands stuk in de zin van (artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek)", zonder te antwoorden op het middel waarin werd aangevoerd dat de honorariumnota niet van de eiser uitging en dus niet gelijkgesteld kon worden met een factuur, aangezien de partijen geen kooplieden waren en die nota daarenboven was betwist, is niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Tweede onderdeel

Het onderhandse stuk dat bedoeld wordt in artikel 1445 van het Gerechtelijk Wet-boek, is het stuk dat de schuldeiser reeds bezit en waaruit zijn schuldvordering blijkt. Dat stuk moet de schuldenaar kunnen binden, doordat het ofwel van hem uitgaat, ofwel mede door hem is opgemaakt, ofwel door hem is aanvaard.

De kosten- en honorariastaat van een advocaat is, a fortiori wanneer hij betwist wordt, geen onderhandse akte in de zin van artikel 1445, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Het arrest, dat beslist dat een kosten- en honorariastaat die door een advocaat is opgemaakt, zelfs wanneer hij betwist wordt, een onderhands stuk uitmaakt in de zin van artikel 1445, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, schendt die bepaling alsook artikel 1413 van datzelfde wetboek, door te beslissen dat het zonder voorafgaande toelating van de rechter gelegde bewarend beslag regelmatig is.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

Luidens artikel 1445, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan iedere schuldeiser op grond van authentieke of onderhandse stukken bij gerechtsdeur-waarder, onder een derde, bewarend beslag leggen op de bedragen of zaken die deze aan zijn schuldenaar verschuldigd is.

Het onderhandse stuk op grond waarvan, overeenkomstig de laatstgenoemde be-paling, een bewarend beslag onder derden kan worden gelegd zonder toelating van de beslagrechter, is het stuk dat de schuldeiser reeds bezit en waaruit zijn schuldvordering blijkt.

De staat van honoraria die een advocaat aan zijn cliënt toestuurt, is op zich geen onderhands stuk in de zin van die bepaling.

Het arrest, dat beslist dat een honorariumnota van een advocaat een onderhands stuk is in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek, schendt die bepa-ling.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van de andere middelen of van het eerste on-derdeel van het eerste middel, die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het beslist dat "de bewarende beslagen die [de verweerster] lastens [de eiser] onder derden heeft doen leggen, op die da-tum regelmatig waren", en in zoverre het uitspraak doet over de kosten van de twee aanleggen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 28 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bewarend beslag onder derden

  • Voorwaarde

  • Onderhands stuk