- Arrest van 4 maart 2013

04/03/2013 - C.12.0056.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter het geschil moet beslechten overeenkomstig de rechtsregel die erop van toepassing is, is hij verplicht om, in naleving van het recht van verdediging, ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing is vereist door de feiten die de partijen tot staving van hun aanspraken speciaal aanvoeren (1). (1) Zie Cass. 24 maart 2006, AR C.05.0360.F, AC 2006, nr. 173; Cass. 9 mei 2008, AR C.06.0641.F, AC 2008, nr. 283.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0056.F

1. B. B.,

2. C. V.,

3. C. V.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

AG INSURANCE BELGIUM nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 5 januari 2011.

De zaak is bij beschikking van 18 februari 2013 door de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

(...)

Derde onderdeel

Krachtens het algemeen rechtsbeginsel jura novit curia moet de rechter het geschil beslechten overeenkomstig de rechtsregel die erop van toepassing is. Zo is hij verplicht om, met naleving van het recht van verdediging, ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing is vereist door de feiten die de partijen tot staving van hun aanspraken speciaal aanvoeren.

Om de in de aanhef van het middel weergegeven redenen beslist het bestreden arrest dat het koninklijk besluit van 22 februari 1991 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen te dezen niet hoeft te worden toegepast, aangezien de verzekeringsovereenkomst gesloten werd vóór het in werking treden van die norm.

Het bestreden arrest dat om die reden het middel verwerpt waarmee de eiseressen de geldigheid in twijfel trokken van artikel 8B van de polis van 23 september 1980, zonder na te gaan of, in de veronderstelling dat het koninklijk besluit van 22 februari 1991 niet toepasselijk was, de toepassing van een andere norm, en in het bijzonder artikel 21 van het koninklijk besluit van 12 maart 1976 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, in samenhang met de originele versie van artikel 19 van de wet van 9 juli 1975, niet vereist was door de feiten die de partijen tot staving van hun aanspraken speciaal aanvoeren, miskent aldus het algemeen rechtsbeginsel jura novit curia.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Derde onderdeel

Krachtens het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter het geschil moet beslechten overeenkomstig de rechtsregel die erop van toepassing is, is hij verplicht om, met naleving van het recht van verdediging, ambtshalve de rechts-middelen op te werpen waarvan de toepassing is vereist door de feiten die de par-tijen tot staving van hun aanspraken in het bijzonder aanvoeren.

De eiseressen betoogden in hun appelconclusie dat, als de formulering van artikel 8B van de verzekeringspolis "gewaarborgde inkomens", die hun rechtsvoorganger op 23 september 1980 met de verweerster had gesloten "moest worden uitgelegd met uitsluiting van de gevolgen van alle progressieve ziekten, zelfs als die gevolgen niet bekend waren op het tijdstip van de ondertekening van de overeenkomst, zoals alle genetische afwijkingen of elke genetische aanleg waarvan de verzekerde tot op die dag zelfs geen weet had, die polis ontegensprekelijk onrechtmatig moet worden beschouwd in zoverre zij een duidelijk en ontoelaatbaar onevenwicht schept tussen de verplichtingen van de verzekerde en de verzekeraar" en onderstreepten dat "artikel 14 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen bepaalt dat ‘de voorwaarden der overeenkomsten in duidelijke en nauwkeurige bewoordingen moeten opgesteld worden; ze geen enkele clausule mogen bevatten die een inbreuk uitmaakt op de gelijkwaardigheid tussen de verbintenissen van de verzekeraar en die van de ver-zekeringnemer".

Het bestreden arrest oordeelt dat "het beginsel, volgens hetwelk het beding dat een inbreuk uitmaakt op de gelijkwaardigheid tussen de verbintenissen van de verze-keraar en die van de verzekeringsnemer, te dezen niet van toepassing is", op grond dat "de verzekeringsovereenkomst gesloten [is] vóór het in werking treden [...] van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 [betreffende] de controle op de verze-keringsondernemingen", zonder ambtshalve te onderzoeken of artikel 21 van het koninklijk besluit van 12 maart 1976 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, opgeheven bij het voornoemd koninklijk besluit van 22 februari 1991, luidens hetwelk "de algemene en bijzondere voorwaarden der contracten in duidelijke en nauwkeurige bewoor-dingen moeten worden opgesteld en geen enkele clausule mogen bevatten die een inbreuk uitmaakt op de gelijkwaardigheid tussen de verbintenissen van de verze-keraar en die van de verzekeringsnemer".

Het arrest dat nalaat het voormelde onderzoek te doen, miskent derhalve het voor-noemde algemene rechtsbeginsel.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

De andere onderdelen hoeven niet te worden onderzocht, aangezien ze niet tot ruimere cassatie kunnen leiden.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het aan de eiseressen akte ver-leent van de hervatting van het geding en het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 4 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bevoegdheid van de rechter

  • Toepasselijk recht

  • Bijzonder aangevoerde feiten

  • Ambtshalve opgeworpen middelen

  • Verplichting

  • Beschikkingsbeginsel

  • Recht van verdediging