- Arrest van 5 maart 2013

05/03/2013 - P.13.0334.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De weigering van de kamer van inbeschuldigingstelling om de in observatiestelling van een aangehouden inverdenkinggestelde te bevelen is slechts een modaliteit van de voorlopige hechtenis zodat, in zoverre het cassatieberoep tegen die beslissing is gericht en niet tegen de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis, de voorziening niet ontvankelijk is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0334.N

I B R G,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiseres,

met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 februari 2013.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De weigering de inobservatiestelling van de eiseres te bevelen is slechts een modaliteit van de voorlopige hechtenis. In zoverre het cassatieberoep tegen die beslissing is gericht, is het niet gericht tegen de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis en is het niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 3 EVRM: het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ongegrond, waardoor haar voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft hoewel haar geestestoestand en het gebrek aan een gepaste be-handeling en begeleiding in de gevangenis ertoe leidt dat zij onderworpen wordt aan een onmenselijke of vernederende behandeling.

3. Het onderdeel verplicht geheel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 3 EVRM: het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ongegrond, waardoor haar voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft zonder dat haar inobservatiestelling wordt bevolen; de eiseres heeft voor de kamer van inbeschuldigingstelling nochtans een stuk neergelegd waaruit blijkt dat er gronden zijn om aan te nemen dat zij hetzij in staat van krankzinnigheid verkeert, hetzij in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid; zij heeft in een conclusie gevraagd om haar in observatie te stel-len, daar dit de enige mogelijkheid is om haar juiste psychische toestand vast te stellen; de weigering de inobservatiestelling te bevelen levert een schending op van de vermelde verdragsbepaling.

5. Het onderdeel gaat ervan uit dat uit het neergelegde stuk blijkt dat de eiseres verkeert in een van de gevallen vermeld in artikel 1 Wet Bescherming Maatschappij en dat de inobservatiestelling de enige mogelijkheid is om haar juiste psychische toestand te kunnen vaststellen.

Het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet be-voegd is en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: het arrest ver-klaart het hoger beroep van de eiseres ongegrond waardoor haar voorlopige hech-tenis gehandhaafd blijft, hoewel haar eigen psychiater een diagnose stelt van ern-stige psychiatrische stoornis op het ogenblik van de feiten en van ernstig en ge-vaarlijk geestelijk lijden op het ogenblik van de bezoeken; de gevangenis is geen gepaste instelling voor de eiseres die daar geen therapeutische behandeling of be-geleiding krijgt en medisch niet wordt opgevolgd.

7. Het onderdeel gaat volledig ervan uit dat de eiseres zich bevindt in een geestestoestand die een inobservatiestelling verantwoordt en dat de gevangenis niet aangepast is aan deze toestand. Aldus verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: het arrest ver-klaart het hoger beroep van de eiseres ongegrond, waardoor haar voorlopige hech-tenis gehandhaafd blijft zonder dat haar inobservatiestelling wordt bevolen; de ei-seres had nochtans een stuk neergelegd waaruit blijkt dat er gronden zijn om aan te nemen dat zij hetzij in staat van krankzinnigheid verkeert, hetzij in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid en in een conclusie heeft zij ge-vraagd om haar in observatie te stellen, omdat dit de enige mogelijkheid is om haar juiste psychische toestand vast te stellen.

9. Anders dan het onderdeel ervan uitgaat, is de inobservatiestelling niet de enige mogelijkheid om de juiste psychische toestand van een inverdenkinggestelde vast te stellen.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

10. Voor het overige gaat het onderdeel ervan uit dat de eiseres zich bevindt in een geestestoestand die een inobservatiestelling verantwoordt. Aldus verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Derde middel

Eerste onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, 21, 22, 23, 4°, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet en de artikelen 1 en 2 Wet Bescherming Maatschappij, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de moti-veringsplicht: het arrest antwoordt niet op het verweer dat de eiseres in een con-clusie heeft aangevoerd in verband met de noodzaak om haar inobservatiestelling te bevelen en het onmenselijk en vernederend karakter van de verdere aanhouding in de gevangenis, zonder gepaste begeleiding; het arrest neemt de redenen van de vordering van de procureur-generaal over, die evenwel geen redenen opgeeft waarom artikel 3 EVRM niet geschonden is.

12. Met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal oordeelt het arrest dat er nog geen gronden zijn om aan te nemen dat de eiseres verkeert in een van de in artikel 1 Wet Bescherming Maatschappij vermelde toe-standen. Het arrest dient bijgevolg de inobservatiestelling van de eiseres niet te bevelen en hoeft evenmin te antwoorden op het doelloos verweer betreffende de opgeworpen schending van artikel 3 EVRM.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, 21, 22, 23, 4°, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet en de artikelen 1 en 2 Wet Bescherming Maatschappij, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de moti-veringsplicht: het arrest antwoordt niet op het verweer dat de eiseres in een con-clusie heeft aangevoerd in verband met de noodzaak om haar inobservatiestelling te bevelen gelet op het stuk dat zij had neergelegd en waaruit blijkt dat er gronden zijn om aan te nemen dat zij verkeert in een van de staten vermeld in artikel 1 Wet Bescherming Maatschappij.

14. Met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal oordeelt het arrest dat er nog geen gronden zijn om aan te nemen dat de eiseres verkeert in een van de in artikel 1 Wet Bescherming Maatschappij vermelde toe-standen. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

15. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt met verwijzing naar de vordering van de procureur-generaal dat er geen redenen zijn om de inobservatiestelling van de ei-seres te bevelen; daardoor miskent het de bewijskracht van het psychiatrisch ver-slag dat de eiseres voor de kamer van inbeschuldigingstelling heeft neergelegd en dat aantoont dat zij verkeert in een van de in artikel 1 Wet Bescherming Maat-schappij vermelde staten.

16. Het arrest oordeelt met overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie dat de eigen psychiater van de eiseres een diagnose van waanstoornis van het somatische type heeft vastgesteld waardoor zij volledig on-toerekeningsvatbaar is, diagnose waarvan nog geen verslag is neergelegd en dat de onderzoeksrechter een gerechtsdeskundige psychiater heeft aangesteld om uit te maken of er grond bestaat om de inobservatiestelling te bevelen. Het arrest oor-deelt eveneens dat het verslag van die gerechtsdeskundige nog niet is neergelegd. Het besluit uit dit alles dat er nog geen reden is om de inobservatiestelling te be-velen. Aldus geeft het arrest geen uitlegging van het stuk dat de eiseres ter rechts-zitting heeft neergelegd en kan het de bewijskracht ervan niet miskennen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 61,11 euro.

V. Kosynsky

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 5 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Verzoek tot inobservatiestelling

  • Beslissing tot weigering

  • Aard

  • Cassatieberoep

  • Ontvankelijkheid