- Arrest van 5 maart 2013

05/03/2013 - P.13.0248.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch uit de artikelen 3 en 5.1.a) EVRM, noch uit artikel 10.3 IVBPR, noch uit enige verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling vloeit voor de overheid de verplichting voort om met een gedetineerde, waarvan de rechter heeft vastgesteld dat er in zijnen hoofde op het vlak van recidive contra-indicaties bestaan die het toekennen van een strafuitvoeringsmodaliteit beletten, een reclasseringsplan uit te werken en daartoe aan die gedetineerde uitgangspermissies of elektronisch toezicht toe te kennen.

Arrest - Integrale tekst

P.13.0248.N

F A H,

veroordeelde tot een vrijheidsstraf,

eiser,

met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balies te Tongeren en Hasselt.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Gent van 23 januari 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 5.1.a) EVRM en arti-kel 10.3 IVBPR: met de redenen die het vonnis bevat om eisers verzoek tot toe-kenning van uitgangspermissies en van elektronisch toezicht af te wijzen, geeft het te kennen dat meer dan twintig jaar nadat de eiser in de tijdsvoorwaarden is om een strafuitvoeringsmodaliteit te verkrijgen, het gevangeniswezen er nog steeds niet is in geslaagd om met de eiser een reclasseringsplan uit te werken dat de toets voor het genieten van een uitvoeringsmodaliteit kan doorstaan, wat een inbreuk inhoudt op deze verdragsbepalingen; het is immers ondenkbaar dat in twintig jaar tijd het gevangenisstelsel niet in staat zou zijn ervoor te zorgen dat de eiser een reclasseringsplan kan uitwerken dat hem toelaat een strafuitvoeringsmodaliteit te verkrijgen.

2. Artikel 3 EVRM bepaalt: "Niemand mag worden onderworpen aan folterin-gen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen".

Artikel 5.1.a) EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navol-gende gevallen en langs wettelijke weg: a) indien hij op rechtmatige wijze wordt gevangen gehouden na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter".

Artikel 10.3 IVBPR bepaalt: "Het gevangenisstelsel dient te voorzien in een be-handeling van gevangenen die in de eerste plaats is gericht op heropvoeding en reclassering. Jeugdige overtreders dienen gescheiden te worden gehouden van volwassenen en behandeld te worden in overeenstemming met hun leeftijd en rechtspositie".

3. Uit die bepalingen noch uit enige verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling vloeit voor de overheid de verplichting voort om met een gedetineerde, waarvan de rechter heeft vastgesteld dat er in zijnen hoofde op het vlak van recidive con-tra-indicaties bestaan die het toekennen van een strafuitvoeringsmodaliteit belet-ten, een reclasseringsplan uit te werken en daartoe aan die gedetineerde uitgangs-permissies of elektronisch toezicht toe te kennen.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14 IVBPR: de strafuitvoeringsrechtbank laat met de volgende redenen blijken niet onpartijdig en niet onafhankelijk te zijn; zij vergelijkt eisers huidige detentie met die welke hij onderging ingevolge zijn veroordeling door het assisenhof in 1974 en gebruikt die om elke modaliteit en uitgangsfaciliteit te weigeren; met de reden dat de eiser de impact van zijn vrijlating op de samenleving en de rol van de media onderschat, laat de strafuitvoeringsrechtbank haar oordeel afhangen van de mening van de samenleving en de media; met het oordeel dat de begeleiding of behandeling om de eiser met zijn frustraties te leren omgaan zinvol is, maar dat de kans klein is dat signalen door de therapeut tijdig worden opgemerkt, laat staan dat daar tijdig en adequaat kan worden op gereageerd, oordeelt de strafuitvoeringsrechtbank dat er geen therapeuten bestaan die de eiser kunnen behandelen en tijdig problemen kunnen detecteren, zodat hij nooit een strafuitvoeringsmodaliteit kan krijgen.

5. Krachtens artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering kunnen de in Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan, die betrekking hebben op 1° de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde, 2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, 3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen, 4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn ver-oordeling hebben geleid.

De strafuitvoeringsrechtbank oordeelt onaantastbaar over het bestaan van die te-genaanwijzingen.

6. Met de redenen die het vonnis bevat, geeft de strafuitvoeringsrechtbank geen blijk van partijdigheid of een gebrek aan onafhankelijkheid, maar verant-woordt zij integendeel haar beslissing dat er tegenaanwijzingen bestaan om de ge-vraagde strafuitvoeringsmodaliteiten toe te kennen, naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 6,11 euro.

V. Kosynsky

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 5 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Gedetineerde

  • Strafuitvoeringsmodaliteit

  • Contra-indicaties vastgesteld door de strafuitvoeringsrechtbank

  • Uitwerken van een reclasseringsplan

  • Toekennen daartoe van uitgangspermissies of elektronisch toezicht

  • Verplichting van de overheid