- Arrest van 6 maart 2013

06/03/2013 - P.12.1980.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De miskenning van het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht wordt, voor de onderzoeksgerechten, beoordeeld met inachtneming van met name de miskenning van het recht van verdediging die de aangevoerde overschrijding met zich kan brengen; de rechter moet in deze fase van de rechtspleging nagaan of de vervolging dermate uitloopt dat een eerlijke behandeling van de zaak nu reeds in het gedrang is gebracht (1). (1) Cass. 28 mei 2008, AR P.08.0216.F, AC 2008, nr. 323.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1980.F

I. M. D.,

II. F. V.,

III. K. A.,

IV. W. G.

Mrs Olivier Barthelemy en Géraldine Ottoul, advocaten bij de balie te Dinant.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 november 2012.

De vierde eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

D. Cassatieberoep van W. G.

Middel

De eiser verwijt het arrest dat het zijn hoger beroep onontvankelijk verklaart, om-dat hij voor de raadkamer met name niet bij conclusie heeft ingeroepen dat de strafvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard of dat de rechtspleging niet regelmatig is. Hij voert aan dat de overige inverdenkinggestelden conclusies hebben neergelegd waarin zij aanvoeren dat de redelijke termijn is overschreden.

De miskenning van het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht wordt voor de onderzoeksgerechten beoordeeld met inachtneming van de misken-ning van het recht van verdediging die de aangevoerde overschrijding tot gevolg kan hebben, waarbij de rechter in deze fase van de rechtspleging moet nagaan of de duur van de vervolging van die aard is dat een eerlijke behandeling van de zaak nu al in het gedrang is gebracht.

Wanneer eenzelfde gerechtelijk onderzoek betrekking heeft op verschillende in-verdenkinggestelden, worden de duur ervan en de gevolgen die daaruit voort-vloeien niet samen maar individueel beoordeeld ten aanzien van ieder van hen. De datum van de strafbare feiten, van de inverdenkingstellingen, de aanvang van de termijn, de ontwikkeling van het onderzoek, de ingewikkeldheid van de zaak of de houding van de opsporings- of vervolgingsautoriteit zijn immers niet noodzakelijk voor iedereen dezelfde.

Daaruit volgt dat de betwisting die een inverdenkinggestelde bij de kamer van in-beschuldigingstelling heeft opgeworpen met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn wat hem betreft, geen identieke betwisting aanhangig maakt ten aanzien van een andere inverdenkinggestelde die zich daarover niet heeft be-klaagd.

De kamer van inbeschuldigingstelling heeft bijgevolg artikel 135 Wetboek van Strafvordering niet geschonden door de niet-ontvankelijkheid van het hoger be-roep af te leiden uit de vaststelling dat het voorwerp ervan geen verband houdt met de in dat artikel bedoelde gevallen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Aangezien er, zoals het arrest beslist, voor de eiser geen hoger beroep openstaat, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 6 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Beëindiging van het onderzoek

  • Onderzoeksgerechten

  • Toezicht op de regelmatigheid van de rechtspleging

  • Overschrijding van de redelijke termijn

  • Draagwijdte van het toezicht