- Arrest van 6 maart 2013

06/03/2013 - P.13.0014.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wettelijke herhaling is geen bestanddeel van de telastlegging waarop de strafvordering betrekking heeft maar is alleen een persoonlijke omstandigheid die eigen is aan de dader van het misdrijf en die alleen invloed heeft op de straf (1). (1) Cass. 25 april 2012, AR P.12.0178.F, nr. 255.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0014.F

E. K. T.,

Mrs. Dimitri de Béco en Aurélie-Anne De Vos, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de strafrechtelijke beschikkingen van het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 27 november 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering

Eerste middel

Het arrest wordt verweten dat het de staat van wettelijke herhaling in aanmerking neemt, waarnaar het beroepen vonnis niet verwijst, zonder te vermelden dat die beslissing met eenparigheid van stemmen werd genomen.

Naar luid van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering, kan het gerecht in hoger beroep, wanneer er een vrijsprekend vonnis is, geen veroordeling uitspreken dan met eenparige stemmen van zijn leden. Dezelfde eenstemmigheid is vereist voor het gerecht in hoger beroep om de tegen de beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren.

Bij vonnis van 7 februari 2012 heeft de correctionele rechtbank de eiser veroor-deeld tot vijf jaar gevangenisstraf en ontzetting uit de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek opgesomde rechten, wegens verkrachting met vrijheidsberoving en gebruik van een wapen.

Het hof van beroep, dat kennisneemt van de hogere beroepen van het openbaar ministerie en de beklaagde tegen dat vonnis, heeft vastgesteld dat de feiten in staat van wettelijke herhaling waren gepleegd. Het heeft de gevangenisstraf bevestigd die door de eerste rechter was uitgesproken. Met eenparigheid van stemmen heeft het de duur van de ontzetting van de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek vermelde rechten verdubbeld, daaraan het verbod om verkozen te worden, bepaald in artikel 31, tweede lid, toegevoegd en de verbeurdverklaring bevolen van de zaken die tot het plegen van het misdrijf hebben gediend.

Wettelijke herhaling is geen bestanddeel van de telastlegging waarop de strafvor-dering betrekking heeft, maar alleen een persoonlijke omstandigheid die eigen is aan de dader van het misdrijf en die alleen invloed heeft op de straf.

Het hof van beroep dat als eerste vaststelt dat de verkrachting die de eiser ten laste is gelegd, in staat van wettelijke herhaling was gepleegd, veroordeelt hem zo-doende niet wegens een misdrijf waarvoor hij was vrijgesproken.

Wanneer het bestreden arrest de vijf jaar gevangenisstraf van de correctionele rechtbank bevestigt, spreekt het evenmin, voor het in staat van wettelijke herhaling gepleegde misdrijf, een zwaardere straf uit dan die welke in eerste aanleg voor hetzelfde misdrijf zonder herhaling was opgelegd.

De straffen van ontzetting en verbeurdverklaring die de eerste rechter niet of al-leen voor kortere duur had opgelegd, sporen met artikel 211bis Wetboek van Strafvordering, maar het arrest preciseert dat aan die wijziging een eenparige be-slissing voorafging.

De appelrechters die de eenparigheid alleen vermelden voor de beschikkingen waarbij de straf wordt verzwaard, schenden het voormelde artikel 211bis niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het bevel tot onmiddellijke aanhouding

Tweede en derde middel

De eiser verwijt het arrest dat het zijn onmiddellijke aanhouding beveelt, hoewel het proces-verbaal van de rechtszitting geen melding maakt van de vordering van het openbaar ministerie noch van een afzonderlijk debat na de uitspraak van de straf. Hij verwijt het arrest ook dat het vermeldt dat "de veroordeelde noch in per-soon noch in eigen naam verschijnt", hoewel de eiser volgens de memorie "wel degelijk is verschenen, bijgestaan door [zijn advocaten]. Beiden hebben trouwens het woord gekregen betreffende de vordering van het openbaar ministerie tot on-middellijke aanhouding".

Door de verwerping van het cassatieberoep tegen de veroordelende beslissing, krijgt die beslissing evenwel kracht van gewijsde.

Het cassatieberoep tegen het bevel tot onmiddellijke aanhouding heeft geen be-staansreden meer.

Ook al waren de middelen gegrond, dan nog zouden ze niet tot cassatie kunnen leiden en zijn ze bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 6 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aan-wezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van grif-fier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Wettelijke herhaling

  • Begrip

  • Persoonlijke omstandigheid eigen aan de dader