- Arrest van 6 maart 2013

06/03/2013 - P.13.0037.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vader van een minderjarig kind die tussenkomt in de cassatieprocedure die de moeder heeft ingesteld tegen het arrest van de jeugdkamer van het hof van beroep waarbij ten aanzien van dat kind beschermingsmaatregelen zijn genomen, dient de hoedanigheid van verweerder in cassatie te worden toegekend (1). (Impliciet). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0037.F

S. D., moeder van het minderjarig kind W. D.,

Mrs. Martin Orban en Gabriele Weisergerber, advocaten bij de balie te Eupen,

tegen

C. D., vader van het minderjarig kind W. D.,

Mr. Denis Barth, advocaat bij de balie te Eupen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep, in het Duits gesteld, is gericht tegen het in die taal gewezen arrest van het hof van beroep te Luik, jeugdkamer, van 6 december 2012.

Bij beschikking van 9 januari 2013 heeft de eerste voorzitter van het Hof bevolen dat de rechtspleging vanaf de rechtszitting in het Frans zal worden gevoerd.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het middel betwist de bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges, op grond dat het kind in het buitenland bij zijn moeder verblijft.

De door de bevoegde wetgevers uitgevaardigde bepalingen inzake jeugdbescher-ming zijn maatregelen van politie en van veiligheid. De daarin voorziene maatre-gelen van hulpverlening of bescherming zijn toepasselijk op de minderjarigen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden.

Artikel 44 Jeugdbeschermingswet dat volgens het middel zou zijn geschonden, stelt dat de bevoegdheid van de jeugdrechtbank wordt bepaald door de verblijf-plaats van de ouders, voogden of degenen die de minderjarige onder hun bewaring hebben. De wetgever heeft aldus de voor de minderjarige meest nabije rechter bevoegd willen maken.

Die bepaling heeft niet tot doel de bevoegdheid van de Belgische rechter te bepa-len ten opzichte van een toestand waarin een buitenlands element meespeelt.

In zoverre faalt het middel naar recht.

Het arrest stelt vast dat de procureur des Konings de zaak bij de jeugdrechtbank te Eupen heeft aangebracht nadat het "Jugendamt" van de verblijfplaats van de eiseres in Duitsland de zorgwekkende toestand van het kind en de verhuis van de moeder naar België aan de plaatselijke dienst voor jeugdbijstand ter kennis had gebracht. Het wijst er ook op dat zij de bedoeling had om eerstdaags naar haar land van herkomst terug te keren.

Uit die vaststellingen volgt dat de Belgische jeugdgerechten wettig bevoegd wa-ren om van de zaak van de minderjarige kennis te nemen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel voert schending aan van artikel 17 van het decreet van 19 mei 2008 over de jeugdbijstand van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap over de jeugdbijstand.

Krachtens artikel 17, § 1, 1°, kan de jeugdrechter de jongere, de personen belast met zijn opvoeding en zij die over hem het hoederecht uitoefenen, een pedagogi-sche of therapeutische begeleiding opleggen. Punt 3° van dat artikel bepaalt dat een maatregel van familiale begeleiding door een organisatie kan worden bevolen ten aanzien van de jongere en de personen die met zijn opvoeding zijn belast.

Krachtens artikel 15, § 2, van hetzelfde decreet zorgt de dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand voor de omzetting van de door de rechtbank opgelegde maatregelen.

Het arrest beveelt de huisvesting van de minderjarige bij de vader, met als voor-waarde dat het kind wordt begeleid door de "Dienst für Kind und Familie" alsook een externe socio-pedagogische begeleiding van de ouders door het "Zentrum für sozialpädagogische Kinder- und Jugendbetreuung Mosaik". Het belast de dienst voor gerechtelijke bijstand met de begeleiding van ouders en kind.

In zoverre het middel aanvoert dat het hof van beroep het toezicht heeft bevolen op het kind en zijn ouders, mist het feitelijke grondslag.

Voor het overige schendt de aan de dienst voor gerechtelijke bijstand toever-trouwde opdracht de in het middel bedoelde bepaling niet.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 6 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Jeugdgerechten

  • Beschermende maatregelen

  • Arrest waarbij beschermende maatregelen worden bevolen

  • Cassatieberoep van de moeder van het minderjarig kind

  • Tussenkomst van de vader

  • Ontvankelijkheid

  • Hoedanigheid