- Arrest van 7 maart 2013

07/03/2013 - C.11.0756.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het administratief statuut van het personeel van de gemeente Courcelles, dat door haar gemeenteraad is vastgelegd op 9 oktober 1996 en bij besluit van de bestendige deputatie van de provincie Henegouwen is goedgekeurd op 12 december 1996, met uitzondering van de artikelen 128 tot 136 van dat statuut, bevat abstracte regels met een algemeen karakter, wat kenmerkend is voor een wet; dat statuut is een wet in de zin van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek (1). (1) Cass. 22 dec. 2000, AR C.99.0164.N, AC 2000, nr. 720.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0756.F

M.-R. B.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

GEMEENTE COURCELLES, vertegenwoordigd door het college van burge-meester en schepenen,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 7 december 2010.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan in het cassatieverzoekschrift, waarvan een eens-luidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Vierde onderdeel

Ontvankelijkheid

De door de verweerster tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel preciseert de wettelijke of verordenende bepa-ling niet die voor het administratief statuut van verweersters personeel zou zijn aangenomen, aangezien het statuut als zodanig geen wet is in de zin van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek:

Krachtens artikel 608 Gerechtelijk Wetboek neemt het Hof van Cassatie kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het Hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.

De verweerster voert aan dat het statuut geen wet is in de zin van artikel 608 Ge-rechtelijk Wetboek.

Het administratief statuut van het personeel van de verweerster, dat door haar ge-meenteraad is vastgelegd op 9 oktober 1996 en bij besluit van de bestendige depu-tatie van de provincie Henegouwen is goedgekeurd op 12 december 1996, met uitzondering van de artikelen 128 tot 136 van dat statuut, bevat abstracte regels met een algemeen karakter, wat eigen is aan een wet.

Dat statuut is een wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid

Krachtens artikel 70 van het statuut van het personeel van de verweerster, ont-vangt de ambtenaar die wegens ziekte in disponibiliteit is gesteld, een wachtgeld gelijk aan 60 pct. van zijn laatste activiteitswedde. Het bedrag van dat wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan: 1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de socialezekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid; 2° het pensioen dat hij zou hebben verkregen indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot het vervroegde pensioen was toegelaten.

Artikel 71 van dat statuut bepaalt, in afwijking van artikel 70, dat de ambtenaar die wegens ziekte of gebrekkigheid in disponibiliteit is gesteld, recht heeft op een wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de aandoening waaraan hij lijdt als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. De Administratieve Gezondheidsdienst beslist of de aandoening waaraan de amb-tenaar lijdt al dan niet een dergelijke ziekte of gebrekkigheid is. Die beslissing mag in ieder geval niet genomen worden zolang het personeelslid niet minstens drie maand onafgebroken in disponibiliteit is gesteld voor de aandoening waaraan hij lijdt. Die beslissing heeft een herziening van de geldelijke toestand van het personeelslid tot gevolg, met uitwerking op de dag waarop zijn disponibiliteit een aanvang heeft genomen.

Uit artikel 71 blijkt dat de ambtenaar wiens ziekte door de Administratieve Ge-zondheidsdienst, thans Medex, erkend is als een langdurige ernstige ziekte of ge-brekkigheid, een wachtgeld geniet dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste ac-tiviteitswedde bij de aanvang van zijn indisponibiliteitstelling.

Het arrest, dat vaststelt dat de eiseres leed aan een chronische ziekte en dat zij in disponibiliteit is gesteld op 23 oktober 2001, maar dat de Administratieve Ge-zondheidsdienst op 18 oktober 2004 in hoger beroep heeft erkend dat de eiseres leed aan een langdurige ernstige ziekte of gebrekkigheid en dat, met bevestiging van het beroepen vonnis, beslist dat de eiseres pas vanaf 18 oktober 2004 een wachtgeld gelijk aan haar laatste activiteitswedde kon genieten, schendt het voormelde artikel 71.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 7 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Gemeentepersoneel

  • Administratief statuut

  • Aard

  • Wet

  • Artikel 608, Ger.W.