- Arrest van 8 maart 2013

08/03/2013 - C.12.0424.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bevoegdheid van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0424.F

BELGISCHE STAAT, minister van Binnenlandse Zaken,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

R. R.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van de Raad van State, afdeling be-stuursrechtspraak, van 18 juni 2012.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 8 januari 2013 een conclusie neerge-legd ter griffie.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 13, 144 en 145 van de Grondwet;

- de artikelen 8 en 556, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 7 en 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

- artikel 42, inzonderheid, § 3, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen;

- de artikelen 2 en 8 van het koninklijk besluit van 23 januari 1987 betreffende de toekenning van een bijzondere vergoeding in geval van opzettelijke gewelddaden tegen leden van de politie- en hulpdiensten en tegen derden die hulp verlenen aan een slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verwerpt de door de eiser opgeworpen exceptie van onbevoegdheid om de volgende redenen:

"(De eiser) voert aan dat arrest 5/2012 van het Grondwettelijk Hof van 11 januari 2012, waarin dat hof antwoordt op de hem gestelde prejudiciële vraag, zou bevestigen dat het geen enkele beoordelingsbevoegdheid heeft om te oordelen over de voorwaarden voor de toekenning van de vergoeding, daar dat hof beslist heeft dat artikel 42, § 3, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het opzettelijke gewelddaden uitsluit die rechtstreeks in het verlengde liggen van de uitoefening van de door de politieambtenaar waargenomen functies, maar die buiten de uitoefening van zijn functies zijn gepleegd; het Grondwettelijk Hof leidt daaruit af dat de werkelijke inzet van het beroep de erkenning is van een subjectief recht, waarvoor de Raad van State niet bevoegd is;

Bij het onderzoek van arrest 5/2012 van het Grondwettelijk Hof moet worden uitge-gaan van de bewoordingen van de hem voorgelegde prejudiciële vraag, namelijk: ‘Is artikel 42, § 3, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de bijzondere vergoeding voorbehoudt aan de ambtenaren die het slachtoffer zijn van een opzettelijke gewelddaad die gelijktijdig met de uitoefening van hun functies is gepleegd en dat het de ambtenaren die het slachtoffer zijn van een opzettelijke gewelddaad die ter vergelding van de uitgeoefende functies is gepleegd maar buiten de uitoefening daarvan werd ondergaan, van het recht op die vergoeding uitsluit ?'

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de bewuste bepaling, op grond van een dergelijke beperkende uitlegging van het begrip ‘feiten gepleegd tijdens de uitoefening van hun functies', de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, omdat een dergelijke uitlegging inzonderheid tot gevolg heeft dat een agent die het slachtoffer is van een daad van vergelding uitgesloten wordt van het voordeel van de bijzondere vergoeding, terwijl die daden rechtstreeks in het verlengde liggen van de uitoefening van de door de politieambtenaar waargenomen functies en beschouwd moeten worden als risico's die inherent zijn aan die uitoefening; het Grondwettelijk Hof door heeft de hem voorgestelde vraag bevestigend beantwoord en heeft aldus geenszins een conforme uitlegging van de betwiste wettekst uitgesloten maar geoordeeld dat de bepaling, zoals zij in de vraag beperkend was uitgelegd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt;

Een wettekst moet worden uitgelegd met inachtneming van het door de wetgever nagestreefde doel en met zijn wil, zoals die met name in de parlementaire voorbereiding is verwoord; zoals het Grondwettelijk Hof heeft beklemtoond, is de invoering van een bijzondere vergoeding voor met name de politieambtenaren die het slachtoffer zijn van opzettelijke gewelddaden in de uitoefening van hun functies, het resultaat van een amendement dat door de Regering was ingediend en dat het algemene stelsel van hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden diende aan te vullen met een specifieke bescherming van de politie- en hulpdiensten; dat amendement werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord:

‘Het misdadig gedrag van personen die allerlei misdrijven plegen gaat meer en meer gepaard met vrijwillige gewelddaden jegens de personen die tot taak hebben deze misdrijven te beletten, de gevolgen ervan te beperken of de slachtoffers ervan ter hulp te komen.

De golven van terrorisme en gewelddadige criminaliteit die ons land momenteel overspoelen maken niet enkel noodzakelijk dat de gepaste maatregelen ter bestrijding ervan of ter beperking van de nadelige gevolgen voor de bevolking worden genomen, maar vergen eveneens een grotere bescherming van de agenten aan wie de opdracht is toevertrouwd.

Het moet spijtig genoeg niet meer bewezen worden dat zij de eerste slachtoffers vor-men, zelfs de slachtoffers bij uitstek zijn van het terrorisme en het geweld.

Bij overlijden tijdens de dienst geniet de overlevende echtgenoot weliswaar de voordelen van de regelingen in verband met de overlevingspensioenen en de werkongevallen, maar deze regelingen zorgen slechts voor een gedeeltelijke vergoeding die niet voldoende is om aan de agenten, die zich aan het gevaar moeten blootstellen, de verzekering te geven dat ze dit kunnen doen zonder hun families in een financiële noodsituatie te storten.

Daar de agenten van de overheid niet tegen elke aanval of valstrik beschermd kunnen worden, is het dus aangewezen een bijkomende vergoeding in te stellen ten gunste van agenten die zouden overlijden of het slachtoffer zouden worden van een volledige werkongeschiktheid ten gevolge van de uitvoering van hun opdrachten' (Gedr. St., Senaat, 1984-1985, nr. 873-17, pp. 3-4).

In de parlementaire voorbereiding werd daarenboven verduidelijkt dat ‘de Regering hoopt (...) dat die maatregel ertoe zal leiden de leden van de betrokken diensten te motiveren en een doeltreffende bijdrage zal betekenen in de strijd tegen de ontmoediging die dreigt te ontstaan binnen de korpsen die bijzonder zwaar getroffen werden' (Gedr. St, Kamer, 1984-1985, nr. 1281/16, p. 7);

Een opzettelijke gewelddaad die gepleegd wordt ter vergelding van een handeling van een agent in de uitoefening van zijn functies, valt dus impliciet onder de door de wetgever gewenste beschermingsregeling;

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het begrip gewelddaden waarvan een agent het slachtoffer wordt in de uitoefening van zijn functies ruim moet worden uitgelegd en ook betrekking heeft op een gewelddaad die in een rechtstreeks oorzakelijk verband staat met de handelingen van de agent in de uitoefening van zijn functies, zelfs als die daad gepleegd werd op een ogenblik dat de agent niet meer in functie was; [de eiser] beschikt bijgevolg, voor de beslissingen over de toekenning van de bijzondere vergoeding, over een werkelijke beoordelingsbevoegdheid, met name wat betreft het oorzakelijk verband tussen de gewelddaad en de politiefuncties van de agent die van die daad het slachtoffer is; de exceptie van onbevoegdheid wordt verworpen".

Grieven

Eerste onderdeel

Luidens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Geschillen over politieke rechten behoren krachtens artikel 145 van de Grondwet tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken, behoudens de bij wet gestelde uitzonderingen.

Krachtens de artikelen 7 en 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden.

Uit die bepalingen volgt dat de Raad van State niet bevoegd is wanneer het recht-streekse en werkelijke voorwerp van het beroep betrekking heeft op de erkenning van een subjectief recht. Het bestaan van een dergelijk recht veronderstelt dat de eiser zich kan beroepen op een welbepaalde juridische verplichting die een objectieve rechtsregel rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de uitvoering waarvan die partij belang heeft.

Een partij kan zich ten aanzien van de administratieve overheid enkel op een dergelijk recht beroepen als de bevoegdheid van die overheid gebonden is.

Een dergelijke bevoegdheid bestaat wanneer de bevoegdheid van de administratieve overheid volledig gebonden is, wat impliceert dat de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheid objectief zijn vastgelegd door de rechtsregel, zodat de overheid over geen enkele beoordelingsbevoegdheid beschikt.

Artikel 42, § 1 tot 3, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen bepaalt wat volgt:

"§ 1. Onverminderd de voordelen toegekend krachtens de wetgeving op de arbeidsongevallen of de vergoedingspensioenen, wordt in vredestijd, onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten vastgesteld door de Koning, een vergoeding voor morele schade toegekend van 53 200 euro, hierna ‘bijzondere vergoeding' genoemd, aan de personen bepaald in § 3 die wegens lichamelijke ongeschiktheid genoodzaakt zijn de dienst definitief te verlaten of aan hun rechtheb-benden in geval van overlijden.

§ 2. De bijzondere vergoeding wordt toegekend :

1° wanneer de schade het gevolg is van opzettelijke gewelddaden of van de ontploffing van een oorlogstuig of van een valstriktuig bij de uitvoering van een politie-, beschermings-, hulpverlenings- of ontmijningsopdracht.

Onder ontmijningsopdracht moet verstaan worden de werkzaamheden van opsporing, neutralisatie, vervoer of vernietiging van oorlogstuigen of valstriktuigen;

2° wanneer de schade het gevolg is van de redding van personen van wie het leven in gevaar was.

§ 3. De bijzondere vergoeding wordt toegekend :

1° aan de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de politiediensten bedoeld in artikel 116 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;

2° aan de leden van de buitendiensten van de afdeling ‘Veiligheid van de Staat' van het bestuur openbare Veiligheid van de federale overheidsdienst Justitie;

3° aan de personeelsleden van de Krijgsmacht en de burgerlijke personeelsleden van het ministerie van Landsverdediging;

4° aan de leden van de diensten van de civiele bescherming;

5° aan de leden van de openbare brandweerdiensten;

6° aan de leden van de buitendiensten van het bestuur der Strafinrichtingen.

De bijzondere vergoeding wordt toegekend aan de in het eerste lid opgesomde personen voor zover de schade bedoeld in § 2 veroorzaakt werd tijdens de uitoefening van hun functies".

Uit die bepaling volgt dat elk lid van het operationeel kader en van het administra-tief en logistiek kader van de politiediensten een subjectief recht heeft op de betaling van een bijzondere vergoeding van 53.200 euro (te indexeren bedrag), wanneer hij wegens lichamelijke ongeschiktheid genoodzaakt is de dienst definitief te verlaten ten gevolge van een opzettelijke gewelddaad waarvan hij in de uitoefening van zijn functies het slachtoffer is geworden.

Het koninklijk besluit van 23 januari 1987 betreffende de toekenning van een bijzondere vergoeding in geval van opzettelijke gewelddaden tegen leden van de politie- en hulpdiensten en tegen derden die hulp verlenen aan een slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad, genomen ter uitvoering van artikel 42, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, voegt geen enkele voorwaarde toe voor de toekenning van de door de wetgever ingevoerde bijzondere vergoeding.

De voorwaarden voor de toekenning van de bijzondere vergoeding, waarvan het bedrag forfaitair is vastgesteld, zijn door de wetgever objectief omschreven, te weten, in dit geval, dat de agent genoodzaakt moet zijn de dienst wegens lichamelijke ongeschiktheid definitief te verlaten, dat er sprake moet zijn van een opzettelijke gewelddaad waarvan de agent het slachtoffer is en dat er een verband moet bestaan tussen de opzettelijke gewelddaad en de politiefuncties van de agent die van de voormelde daad het slachtoffer is.

Uit het voorgaande volgt dat de administratie die regelmatig van een aanvraag tot toekenning van de bijzondere vergoeding kennisneemt, over geen enkele beoorde-lingsmarge beschikt. Zij kan alleen vaststellen dat de wettelijke voorwaarden al dan niet vervuld zijn, zonder dat ze dienaangaande over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. Voor elk geval bestaat er met andere woorden slechts één wettelijke beslissing.

Met name de voorwaarde biedt betreffende het verband tussen de opzettelijke gewelddaad en de uitoefening van de politiefuncties door de agent die van de voormelde daad het slachtoffer is, de administratieve overheid geen enkele beoordelingsbevoegdheid om, tussen verschillende juridisch gegronde oplossingen, die oplossing te kunnen kiezen die haar het meest geschikt lijkt in het licht van het algemeen belang. Indien de overheid, na toetsing van die voorwaarde, tot de slotsom komt dat er een dergelijk verband bestaat, moet de voorwaarde worden ge-acht te zijn vervuld. Zo niet moet de overheid de toekenning van de gevraagde bijzondere vergoeding weigeren.

De bevoegdheid van de administratieve overheid in die aangelegenheid is dus volledig gebonden en het ontstaan van het subjectieve recht op de bijzondere vergoeding hangt niet af van een voorafgaande beslissing die de administratieve overheid kan nemen op grond van haar discretionaire bevoegdheid. De verweerder kan dus aanspraak maken op een subjectief recht op toekenning van de bijzondere vergoeding, bepaald in artikel 42 van de wet van 1 augustus 1985, indien hij vol-doet aan de objectieve voorwaarden die in die bepaling zijn vastgelegd, zodat alleen de rechtbanken van de rechterlijke orde kunnen kennisnemen van de geschil-len betreffende de erkenning van dat recht.

De Raad van State, die om de in het middel weergegeven redenen de exceptie van onbevoegdheid verwerpt, verklaart zich ten onrechte bevoegd om kennis te nemen van geschillen over burgerlijke rechten en schendt aldus de artikelen 13, 144 en 145 van de Grondwet, 7 en 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, alsook de andere in het middel bedoelde bepalingen.

Tweede onderdeel

Luidens artikel 8 van het Gerechtelijk Wetboek is bevoegdheid de macht van de rechter om kennis te nemen van een vordering die voor hem is gebracht.

Luidens artikel 556, eerste lid, van datzelfde wetboek nemen de hoven en rechtbanken kennis van alle vorderingen, behalve van die welke de wet aan hun rechtsmacht onttrekt.

Krachtens de artikelen 7 en 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, doet de afdeling bestuursrechtspraak, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden.

Een akte van een administratieve overheid kan in de regel, wanneer de wetgever die bevoegdheid niet aan een rechter van de rechterlijke orde heeft toevertrouwd, getoetst worden door de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak. De Raad van State heeft daarentegen geen rechtsmacht wanneer de bevoegdheid is toegekend aan de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde.

Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 januari 1987 betreffende de toekenning van een bijzondere vergoeding in geval van opzettelijke gewelddaden tegen leden van de politie- en hulpdiensten en tegen derden die hulp verlenen aan een slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad kan de aanvrager van de in die wettelijke bepaling bedoelde bijzondere vergoeding zijn vordering onmiddellijk brengen voor de rechtbanken van de rechterlijke orde. Artikel 8 van datzelfde besluit preciseert dat de kennisgeving van de beslissing van de minister moet vermelden dat die beslissing een vordering voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde niet verhindert.

Uit die bepalingen volgt dat het door de eiser aan de Raad van State voorgelegde geschil tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken behoort, zelfs als erkend werd dat de eiser over een welbepaalde beoordelingsbevoegdheid beschikt.

Het arrest, dat om alle in het middel weergegeven redenen beslist dat de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van de verweerder tegen de be-slissing van de eiser die weigert hem de bijzondere vergoeding, bepaald in artikel 42 van de wet van 1 augustus 1985, toe te kennen, terwijl de artikelen 2 en 8 van het koninklijk besluit van 23 januari 1987 bepalen dat de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde bevoegd zijn om van dat beroep kennis te nemen, schendt de laatstgenoemde bepalingen alsook de andere in het middel bedoelde bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Betreffende de door de verweerder tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep is hetzij laattijdig, hetzij zonder belang:

Het cassatieverzoekschrift, dat is betekend op 12 september 2012, is gericht tegen het arrest van de Raad van State van 18 juni 2012.

Het arrest van de Raad van State van 23 februari 2011 beslist dat "de door [de eiser] opgeworpen exceptie van onbevoegdheid [...] verband houdt met de grond van de zaak" en beslist om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen betreffende de overeenstemming van artikel 42, § 3, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

In tegenstelling tot het argument van de verweerder volgens hetwelk het cassatie-beroep laattijdig is, doet dat arrest niet definitief uitspraak over de exceptie van onbevoegdheid door het te verwerpen.

In tegenstelling tot het argument van de verweerder volgens hetwelk het cassatie-beroep voorbarig is, doet het bestreden arrest van 18 juni 2012 definitief uitspraak over de exceptie van onbevoegdheid door te beslissen dat die exceptie "verworpen wordt" en benadeelt het aldus de eiser die, derhalve, belang erbij heeft kritiek op dat arrest uit te oefenen.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Het middel

Eerste onderdeel

1. Luidens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken.

Krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens over-treding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en re-glementen van de onderscheiden administratieve overheden.

Die bevoegdheid wordt bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring.

2. De hoven en rechtbanken nemen kennis van de vordering van een partij die gegrond is op een subjectief recht.

Het bestaan van een dergelijk recht veronderstelt dat de eiser zich kan beroepen op een welbepaalde juridische verplichting die een objectieve rechtsregel recht-streeks aan een derde oplegt en bij de uitvoering waarvan die partij belang heeft.

Een partij kan zich ten aanzien van de administratieve overheid enkel op een der-gelijk recht beroepen als de bevoegdheid van die overheid gebonden is.

3. Artikel 42 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen bepaalt:

"§ 1. Onverminderd de voordelen toegekend krachtens de wetgeving op de ar-beidsongevallen of de vergoedingspensioenen, wordt in vredestijd, onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten vastgesteld door de Koning, een vergoe-ding voor morele schade toegekend van 53.200 euro, hierna ‘bijzondere vergoe-ding' genoemd, aan de personen bepaald in § 3 die wegens lichamelijke onge-schiktheid genoodzaakt zijn de dienst definitief te verlaten of aan hun rechtheb-benden in geval van overlijden.

§ 2. De bijzondere vergoeding wordt toegekend:

1° wanneer de schade het gevolg is van opzettelijke gewelddaden of van de ont-ploffing van een oorlogstuig of van een valstriktuig bij de uitvoering van een politie-, beschermings-, hulpverlenings- of ontmijningsopdracht.

Onder ontmijningsopdracht moet verstaan worden de werkzaamheden van opspo-ring, neutralisatie, vervoer of vernietiging van oorlogstuigen of valstriktuigen;

2° wanneer de schade het gevolg is van de redding van personen van wie het leven in gevaar was.

§ 3. De bijzondere vergoeding wordt toegekend :

1° aan de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de politiediensten bedoeld in artikel 116 van de wet van 7 de-cember 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;

2° aan de leden van de buitendiensten van de afdeling ‘Veiligheid van de Staat' van het bestuur openbare Veiligheid van de federale overheidsdienst Justitie;

3° aan de personeelsleden van de Krijgsmacht en de burgerlijke personeelsleden van het ministerie van Landsverdediging;

4° aan de leden van de diensten van de civiele bescherming;

5° aan de leden van de openbare brandweerdiensten;

6° aan de leden van de buitendiensten van het bestuur der strafinrichtingen.

De bijzondere vergoeding wordt toegekend aan de in het eerste lid opgesomde personen voor zover de schade bedoeld in § 2 veroorzaakt werd tijdens de uitoe-fening van hun functies".

Het koninklijk besluit van 23 januari 1987 betreffende de toekenning van een bij-zondere vergoeding in geval van opzettelijke gewelddaden tegen leden van de po-litie- en hulpdiensten en tegen derden die hulp verlenen aan een slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad, genomen ter uitvoering van artikel 42, § 1, van de wet van 1 augustus 1985, voegt geen enkele voorwaarde toe voor de toekenning van de door de wetgever ingevoerde bijzondere vergoeding.

4. Uit die bepalingen volgt dat de voorwaarden voor de toekenning van de bij-zondere vergoeding, waarvan het bedrag forfaitair is vastgesteld, door de wetge-ver volledig zijn omschreven, te weten, in dit geval: 1° het feit dat de agent ge-noodzaakt is de dienst wegens lichamelijke ongeschiktheid definitief te verlaten, 2° het bestaan van een opzettelijke gewelddaad waarvan de agent het slachtoffer is of de ontploffing van een oorlogstuig of van een valstriktuig en 3° een verband tussen de oorzaak van de schade en de uitoefening van bepaalde functies, zoals de politiefuncties van de agent die van die daad het slachtoffer is.

De administratie die kennisneemt van een aanvraag tot toekenning van de bijzon-dere vergoeding, kan enkel vaststellen dat die wettelijke voorwaarden al dan niet zijn vervuld en beschikt over geen enkele beoordelingsbevoegdheid.

De bevoegdheid van de administratieve overheid is te dezen volledig gebonden en laat geen enkele ruimte voor beoordeling.

5. Het arrest dat, na te hebben geoordeeld dat "het begrip gewelddaden waar-van een agent het slachtoffer wordt in de uitoefening van zijn functies ruim moet worden uitgelegd en ook betrekking heeft op een gewelddaad die in een recht-streeks oorzakelijk verband staat met de handelingen van de agent in de uitoefening van zijn functies, zelfs als die daad gepleegd werd op een ogenblik dat de agent niet meer in functie was", beslist dat "[de eiser] bijgevolg, voor de beslissingen over de toekenning van de bijzondere vergoeding, over een werkelijke be-oordelingsbevoegdheid beschikt, met name wat betreft het oorzakelijk verband tussen de gewelddaad en de politiefuncties die uitgeoefend worden door de agent die van die daad het slachtoffer is" en dat, bijgevolg, "de exceptie van onbe-voegdheid wordt verworpen", schendt de in dat onderdeel bedoelde bepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

uitspraak doende in verenigde kamers,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat dit arrest zal worden overgeschreven in de registers van de Raad van State en dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Veroordeelt de verweerder in de kosten.

Verwijst de zaak naar de anders samengestelde afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die uitsluitend uitspraak zal doen over de kosten van de rechtspleging voor de Raad van State.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, te Brussel, door eerste voorzitter Etienne Goethals, voorzitter, voorzitter Christian Storck, afde-lingsvoorzitter Eric Dirix, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Martine Regout, Geert Jocqué, Mireille Delange et Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 8 maart 2013 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen.

De hoofdgriffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Afdeling bestuursrechtspraak

  • Bevoegdheid

  • Beroep tot nietigverklaring

  • Akte van een administratieve overheid