- Arrest van 8 maart 2013

08/03/2013 - C.11.0770.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bepaling van artikel 2247 BW overeenkomstig hetwelk de stuiting voor niet bestaande wordt gehouden indien de eis wordt afgewezen, maakt geen onderscheid naar gelang de reden van afwijzing van de eis (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0770.N

GEMEENTE HOUTHULST, vertegenwoordigd door het college van burge-meester en schepenen, met kantoor te 8650 Houthulst, Terreststraat 2,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kan-toor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. A F,

2. I R,

3. D F,

4. S D,

verweerders,

5. FEDERALE VERZEKERINGEN, Gemeenschappelijke Kas voor Verzeke-ring tegen Arbeidsongevallen, met zetel te 1000 Brussel, Stoofstraat 12,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweer-ster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis dat in hoger beroep op 5 mei 2011 op verwijzing is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, ten ge-volge van het arrest van het Hof van 4 mei 2009.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 30 november 2012 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet;

- de artikelen 2244, 2246, 2247 en 2262bis, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het aangevochten vonnis verklaart eiseres aansprakelijk voor de schade van de verweerders sub 1 t.e.m. 4, en veroordeelt eiseres tot betaling aan hen van schadevergoeding (hoofdsom + vergoedende intrest + gerechtelijke intrest) en de kosten, dit op grond van de overweging dat de vordering van verweerders sub 1 t.e.m. 4 tegen eiseres niet verjaard was.

Het vonnis overweegt te dezen:

"De gemeente Houthulst werpt op dat de vordering van [verweerders] sub 1 t.e.m. 4 verjaard is.

Het ongeval deed zich voor op 25 mei 1999 en overeenkomstig artikel 2262bis, §1, Burgerlijk Wetboek verjaart een vordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Onafgezien van het exacte tijdstip waarop [verweerders] kennis namen van de schade en de identiteit van de aansprakelijke (gemeente Houthulst) dient gezegd dat de gemeente Houthulst rechtstreeks gedagvaard werd door [verweerders] per exploot van 14 mei 2002, dus in ieder geval binnen de termijn van 5 jaar, zodat deze dagvaarding de verjaring stuitte (artikel 2244 Burgerlijk Wetboek).

De politierechter verklaarde zich weliswaar bij vonnis van 28 oktober 2002, bevestigd in graad van hoger beroep bij vonnis van 28 september 2004, onbevoegd om te oordelen over de vorderingen van [verweerders] tegen de gemeente Houthulst.

De reden hiervan was gelegen in het feit dat de beklaagde werd vrijgesproken.

Dit gegeven doet de stuitende werking van de verjaring niet ongedaan.

Immers, ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter stuit de verjaring (artikel 2246 Burgerlijk Wetboek). De stuiting wordt weliswaar voor niet bestaande gehouden indien de eis wordt afgewezen (artikel 2247 Burgerlijk Wetboek).

Zich onbevoegd verklaren betekent niet dat de eis wordt afgewezen zodat artikel 2247 Burgerlijk Wetboek geen toepassing vindt en de rechtstreekse dagvaarding de verjaring stuitte.

De vorderingen van [verweerders] zijn derhalve op heden niet verjaard."

en

"Het is niet omdat de strafrechter zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van de burgerlijke vorderingen tegen de burgemeester en de gemeente Houthulst (omdat de gedagvaarde schepen werd vrijgesproken en de gemeente buiten zake werd gesteld), dat het gezag van strafrechterlijk gewijsde verhindert dat over de aansprakelijkheid van de gemeente wordt geoordeeld (zoals verweerster sub 5 suggereert)."

Grieven

Eerste onderdeel

1. Het aangevochten vonnis beslist dat de vorderingen tot schadevergoeding van de verweerders sub 1 t.e.m. 4 tegen eiseres niet verjaard waren op grond dat de onbevoegdverklaring van de strafrechter wegens de vrijspraak van de beklaagde niet betekende dat de eis was afgewezen in de zin van artikel 2247 Burgerlijk Wetboek.

2. Het vonnis antwoordt evenwel niet op de "synthesebesluiten na cassatie" die eiseres op 29 september 2010 neerlegde en waarin zij aangevoerd had dat de strafrechter de vorderingen van de verweerders sub 1 t.e.m. 4 tegen eiseres wel afgewezen had in de zin van artikel 2247 Burgerlijk Wetboek, nu de strafrechter het in hoofde van de burgemeester van de gemeente Houthulst als beklaagde ten laste gelegde misdrijf niet bewezen verklaard had en de strafrechter zich om die reden onbevoegd verklaard had om kennis te nemen van de civielrechtelijke vorderingen van deze verweerders tegen de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, te dezen eiseres.

In genoemde conclusie had eiseres meer bepaald aangevoerd:

"Na dagvaarding op verzoek van het parket van D wegens onopzettelijke doding van B R werd de strafzaak aanhangig gemaakt bij de politierechtbank te Veurne, ingeleid op 1 oktober 2001.

Op 14 mei 2002 stuurde eerste verweerster een rechtstreekse dagvaarding uit tegen de burgemeester van de gemeente Houthulst, op grond van dezelfde tenlastelegging. De gemeente Houthulst werd mee gedagvaard als burgerrechtelijke aansprakelijke.

Bij vonnis van de politierechtbank te Veurne van 28 oktober 2002 werd de burgemeester vrijgesproken, en verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van de eisen van burgerlijke partijen t.a.v. de burgemeester en de gemeente Houthulst.

De correctionele rechtbank te Veurne bevestigde dit vonnis op 28 september 2004.

III. Verjaring van de vordering van [verweerders] (sub 1 tot en met 4)

Volgens de rechtbank van eerste aanleg te Veurne was de vordering van [verweerders] sub 1 tot 4 niet verjaard op grond van artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek, omdat ze gestuit was door de rechtstreekse dagvaarding van 14 mei 2002.

Het Hof van Cassatie heeft deze beslissing vernietigd: de verjaring werd niet gestuit door de rechtstreekse dagvaarding, gezien deze eis afgewezen werd. Ingevolge artikel 2247 Burgerlijk Wetboek wordt stuiting voor niet bestaande gehouden als de eis afgewezen wordt.

[Verweerders] sub 1 tot 4 hebben quasi onmiddellijk na het ongeval van 25 september 1999 kennis gekregen van de schade en van de identiteit van de aansprakelijke.

De wegenisinrichting op het kruispunt van gemeentewegen was toen een feitelijk gegeven. [Verweerders] waren in de mogelijkheid zich te richten tegen degenen die volgens hen aansprakelijk waren voor het ongeval.

Zij hebben dit ook gedaan: de burgemeester van de gemeente Houthulst en de ge-meente Houthulst, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en schepenen werden door hen rechtstreeks gedagvaard in de strafzaak. Hun vordering werd afgewezen.

IV. Verval van de burgerlijke vordering

Er dient hier bovendien rekening gehouden te worden met de overwegingen die het Hof van Cassatie in het arrest van 4 mei 2009 in deze zaak gedaan heeft bij het beantwoorden van het cassatiemiddel inzake de verjaring.

‘2. Wanneer de strafrechter beslist dat geen misdrijf bewezen is ten laste van de beklaagde en zich om die reden onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de burgerlijke vorderingen ingesteld tegen de beklaagde en de burgerrechtelijke aansprakelijke partij, doet de strafrechter met deze beslissing uitspraak over de zaak zelf en houdt deze beslissing in dat de burgerlijke vordering wordt afgewezen omdat het misdrijf waarop zij steunt niet bewezen is.

3. Het omstreden vonnis stelt dat de politierechter zich onbevoegd verklaard heeft om kennis te nemen van de burgerlijke vorderingen tegen de burgemeester en tegen de eiseres omdat de burgemeester niet de dader is van enig misdrijf, noch een persoon voor wie de gemeente verantwoordelijk is.'

De correctionele rechtbank nam deze overwegingen van het vonnis van de politierechtbank dd. 17 mei 2008 over.

Het vonnis van de politierechtbank werd bevestigd door de correctionele rechtbank bij vonnis van 28 september 2004.

De strafrechter die de rechtstreeks gedaagde burgerrechtelijk aansprakelijke partij (cf. artikel 1384 Burgerlijk Wetboek) op strafgebied buiten zake stelt omwille van de vrijspraak van de beklaagde voor wie zij burgerrechtelijk aansprakelijk gehouden werd, en de strafrechter die zich vervolgens ‘onbevoegd' verklaart om kennis te nemen van de civielrechtelijke vordering tot schadevergoeding, doet ten gronde uitspraak en wijst deze eis af.

‘Het is in werkelijkheid geen beslissing over de bevoegdheid, nu de strafrechter constateert dat het misdrijf, waarop de civielrechtelijke vordering steunt, niet bewezen is. Men kan diezelfde vordering dus niet meer bij de zogenaamd bevoegde rechter brengen (zie Cass., 18 november 1976, Arr. Cass. 1977, 312; Cass., 21 september 1990, Arr. Cass. 1990-91, nr. 35). Er werd over die vordering wel degelijk uitspraak gedaan' (Declercq, R., Beginselen van Strafrechtspleging, ed. 2007, 1168, nr. 2718).

In casu heeft het Hof van Cassatie dit in punt 2 van zijn overwegingen in het arrest van 4 mei 2009 aldus bevestigd.

Nu de uitspraken van de strafrechtbank in deze zaak over de aansprakelijkheid van de gemeente Houthulst, moeten beschouwd worden als uitspraken over de grond van de zaak, belet het gezag van gewijsde op burgerlijk vlak dat [verweerders] andermaal de aansprakelijkheidsvordering stellen t.a.v. [eiseres] op basis van artikel 1382 e.v. Burgerlijk Wetboek".

3. In zover het aangevochten vonnis van 5 mei 2011 bij de bespreking van de verjaring niet aanduidt welke beklaagde vrijgesproken werd en bevestigt noch ontkent dat eiseres in de strafzaak als burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor de burgemeester rechtstreeks gedagvaard was en de strafrechter zich onbevoegd verklaard had om kennis te nemen van de civielrechtelijke vorderingen tegen eiseres omdat de burgemeester niet de dader van enig misdrijf was noch een persoon voor wie eiseres aansprakelijk was, is het vonnis derhalve wegens gebrek aan antwoord op de geciteerde middelen uit de aangeduide conclusie van eiseres niet regelmatig gemotiveerd en schendt het bijgevolg artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

Tweede onderdeel

1. Overeenkomstig artikel 2262bis, lid 2, Burgerlijk Wetboek verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis kreeg van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Overeenkomstig lid 3 van dit artikel verjaren deze vorderingen in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

Overeenkomstig artikel 2244 Burgerlijk Wetboek vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting.

Overeenkomstig artikel 2246 Burgerlijk Wetboek stuit ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter de verjaring.

Overeenkomstig artikel 2247 Burgerlijk Wetboek wordt, indien zijn eis wordt af-gewezen, de stuiting voor niet bestaande gehouden.

De stuiting wordt conform dit artikel 2247 voor niet bestaande gehouden, wanneer de eis wordt afgewezen en dit zonder onderscheid naargelang de grond van de afwijzing.

De rechter dient evenwel de draagwijdte na te gaan van de beslissing die de eis heeft afgewezen.

2. Indien een partij als burgerrechtelijk aansprakelijke partij rechtstreeks gedagvaard wordt voor de strafrechter die de beklaagde vrijspreekt en omwille van deze vrijspraak de vordering tot schadevergoeding tegen de burgerrechtelijk aansprakelijke partij afwijst -weze het door te verklaren dat de burgerrechtelijk aansprakelijke partij buiten zake dient gesteld te worden en de strafrechter "onbevoegd" is om kennis te nemen van de vordering tot schadevergoeding tegen de burgerrechtelijk aansprakelijke partij -, dan doet de strafrechter ten gronde uitspraak over de vordering tegen de rechtstreeks gedaagde burgerrechtelijk aansprakelijke partij, oefent hij op dit punt zijn rechtsmacht volledig uit en kan die vordering tegen de burgerrechtelijk aansprakelijke partij daarna niet opnieuw voor een andere (burgerlijke) rechter ingesteld worden.

Indien de strafrechter zich in deze omstandigheden, omwille van de vrijspraak van de beklaagde, "onbevoegd" verklaart om kennis te nemen van de vordering tot schadevergoeding tegen diens burgerrechtelijk aansprakelijke partij, dan is zijn "onbevoegdverklaring" een werkelijke afwijzing van de eis in de zin van artikel 2247 Burgerlijk Wetboek en geen onbevoegdverklaring in de zin van artikel 2246 Burgerlijk Wetboek, zodat de stuiting van de verjaring van de vordering tegen deze burgerrechtelijk aansprakelijke partij door de dagvaarding van deze partij voor de strafrechter als niet bestaande wordt gehouden.

3. Het aangevochten vonnis van 5 mei 2011 dat in deze burgerlijke zaak moest na-gaan of de vorderingen tot schadevergoeding van verweerders sub 1 t.e.m. 4 tegen eiseres verjaard waren of dat de verjaring integendeel gestuit werd door de rechtstreekse dagvaarding van 14 mei 2002 van eiseres voor de strafrechter, overweegt te dezen dat het litigieuze ongeval gebeurde op 25 mei 1999 en dat de strafrechter zich in het vonnis in eerste aanleg van 28 oktober 2002, in hoger beroep bevestigd bij vonnis van 28 september 2004, onbevoegd verklaarde om te oordelen over de vorderingen van verweerders sub 1 t.e.m. 4 tegen eiseres omdat de beklaagde werd vrijgesproken, "omdat de gedagvaarde schepen (lees burgemeester) werd vrijgesproken en de gemeente buiten zake werd gesteld".

Nu de appelrechters in deze burgerlijke zaak aangaven dat de burgemeester, die voor de strafrechter als beklaagde gedagvaard was, volgens de strafrechter geen misdrijf beging en eiseres door de strafrechter buiten zake was gesteld, konden de appelrechters in deze burgerlijke zaak niet wettig beslissen dat de strafrechter zich aldus "onbevoegd" verklaard had in de zin van artikel 2246 Burgerlijk Wetboek: de afwijzing door de strafrechter van de burgerlijke vordering tot schadevergoeding tegen eiseres als burgerrechtelijk aansprakelijke partij omwille van de vrijspraak van de burgemeester die als beklaagde terecht stond, is een afwijzing van de eis in de zin van artikel 2247 Burgerlijk Wetboek, zelfs indien de strafrechter - zoals nog gebeurt - zich omwille van de vrijspraak van de beklaagde "onbevoegd" zou verklaard hebben om kennis te nemen van de vordering tot schadevergoeding tegen eiseres.

Het aangevochten vonnis kon derhalve op grond van zijn feitelijke vaststellingen niet wettig beslissen dat na het litigieuze ongeval van 25 mei 1999 de rechtstreekse dagvaarding van 14 mei 2002 voor de strafrechter de verjaring van de vordering van de verweerders sub 1 t.e.m. 4 tegen eiseres gestuit had, dat te dezen artikel 2246 Burgerlijk Wetboek van toepassing was en de vordering van deze verweerders bijgevolg niet verjaard was.

Het aangevochten vonnis is terzake niet naar recht verantwoord en schendt de artikelen 2262bis, lid 2, 2244, 2246 en 2247 Burgerlijk Wetboek.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepaling

Artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

Aangevochten beslissingen

1. Het aangevochten vonnis stelt eiseres op grond van artikel 1384, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk voor de schade van alle verweerders en veroor-deelt eiseres tot betaling aan hen van schadevergoeding (hoofdsom + vergoedende intrest + gerechtelijke intrest) en de kosten, dit op grond van de overweging dat de parabolische spiegel op het kruispunt een vals beeld gaf en met een gebrek behept was in de zin van artikel 1384, lid 1, Burgerlijk Wetboek.

Het aangevochten vonnis steunt genoemde beslissingen i.h.b. op grond van volgende overwegingen:

"2. Ten gronde, nopens de aansprakelijkheden:

Kort samengevat gebeurde het ongeval als volgt: Johannes D volgde op de bewuste dag van 25 mei 1999 met zijn personenwagen de Schrevelstraat, een ondergeschikte weg aangeduid door het verkeersbord B5, en stopte ter hoogte van het kruispunt met de Steenbeekstraat. Hij keek enkele keren in de voor hem staande spiegel om na te gaan of er verkeer in de Steenbeekstraat kwam gereden. Toen hij niemand zag aankomen reed hij het kruispunt op teneinde de Steenbeekstraat links in te slaan in de richting van Jonckershove. Toen hij de Steenbeekstraat opreed en zich ongeveer in het midden van het kruispunt bevond werd hij in de linkerzijkant aangereden door motorfietser R die vanachter een bocht naar rechts kwam. B R overleed ter plaatse. Het ongeval deed zich voor om 18.52 u.

Johannes D die quasi onmiddellijk na de komst van de verbalisanten werd verhoord verklaarde dat hij ter hoogte van de Steenbeekstraat stopte en een drietal keren in de aldaar opgestelde spiegel had gekeken en zich op het kruispunt begaf nadat hij niemand had zien aankomen. Toen hij ongeveer halfweg het kruispunt was werd hij plotseling in de linkerzijkant aangereden door een motorfiets. Hij stelde verder dat de motorfietser aan hoge snelheid reed, ongeveer in het midden van de rijbaan, hij kwam uit een bocht naar rechts.

Zijn echtgenote die passagier was in het voertuig bevestigde deze verklaring.

(...) De aangestelde parketdeskundige, de heer Hans Vroman, omschreef de plaatsgesteldheid waarbij volgende punten van belang zijn:

- De Steenbeekstraat betreft een hoofdweg aangeduid door het teken B15 (met twee rijvakken voor verkeer in beide richtingen);

- Komende vanuit de richting Jonckershove (richting die het dodelijk slachtoffer volgde) vormt de Steenbeekstraat vóór het kruispunt met de Schrevelstraat een scherpe, onoverzichtelijke bocht naar rechts;

- De Schrevelstraat betreft een ondergeschikte rijbaan, aangeduid door het teken B5;

- De plaats der feiten situeert zich buiten de bebouwde kom, waar een maximum snelheid is toegelaten van 90 km/u;

- Het ongeval deed zich voor bij klaarlichte dag met zonnig en droog weer, de stand van de zon was zonder invloed;

- Er werd een dubbel remspoor aangetroffen in het midden van de rijbaan met een lengte van 6,74 meter, afkomstig van de motorfiets/R;

- Het slachtoffer kwam vanuit een onoverzichtelijke bocht. Het beperkte zicht is niet alleen te wijten aan het bochtig traject doch tevens aan het feit dat op de hoek van de Steenbeekstraat en de Schrevelstraat een hoekwoning staat. Om die reden staat aldaar een spiegel opgesteld, dienstig voor het verkeer dat vanuit de Schrevelstraat de Steenbeekstraat wil oprijden.

De deskundige ging de waarneembaarheid op verkeer na vanuit de Steenbeekstraat en de Schrevelstraat, komende uit respectievelijk de Schrevelstraat en de Steenbeekstraat:

- vanuit de Steenbeekstraat op het verkeer komende uit de Schrevelstraat: de deskundige stelde vast dat vanop een afstand van ong. 43 meter (en verder) het verkeer niet zichtbaar is (cfr. zijn verslag op pag. 8);

- vanuit de Schrevelstraat op het verkeer komende vanuit de Steenbeekstraat: er werd vastgesteld dat het verkeer pas zichtbaar werd zodra het verkeer zich op minder dan 38 meter afstand bevindt.

D verklaarde dat hij, gekomen aan het kruispunt met de Steenbeekstraat, een 3-tal keer in de aldaar opgestelde spiegel keek en zich op het kruispunt begaf toen hij niemand zag aankomen. Toen hij ongeveer halfweg het kruispunt was werd hij plotseling in de linkerzijde aangereden door de motorfiets.

(...) Op verzoek van de consoorten R werd een expertise gevoerd door dhr. Dirk Christiaens. Hij kwam tot de conclusie dat motorfietser R een initiële snelheid voerde van ongeveer 70 km/u, maximaal 82,5 km/u (...)

Het feit dat D de motorfietser niet had gezien bij het oprijden van de rijbaan, doet meteen de vraag stellen of de parabolische spiegel opgesteld op het kruispunt tegenover de Schrevelstraat wel voldeed aan de verwachtingen die men hieraan kan stellen. Met andere woorden stelt de vraag zich in hoeverre de gemeente Houthulst, als bewaarder van de weg, aansprakelijk kan gesteld worden.

(...) De deskundige [Vroman] acteerde in zijn verslag, nadat hij vaststelde dat het zicht op het verkeer komende zowel vanuit de Steenbeekstraat als de Schrevelstraat zeer beperkt was: ‘Ook de spiegel, opgesteld ter hoogte van het kruispunt, brengt weinig soelaas. Op foto 21 kan men duidelijk zien dat een voertuig komende vanuit de richting Jonckershove ver verwijderd lijkt, niettegenstaande hij reeds genaderd is tot op een afstand van ongeveer 30 meter.'

De door eerste verweerster, handelende in eigen naam en qualitate qua haar minderjarige zoon, aangewezen deskundige, D. Christiaens, stelde dat de spiegel vanuit de Schrevelstraat een beeld geeft van het in de Steenbeekstraat naderend verkeer tot minstens 300 meter ver, bij het uitneuzen uit de Schrevelstraat al over het fietspad bedraagt het zicht richting Jonckershove 50 à 60 meter (lees: rechtstreeks zicht, dus niet via de spiegel). Volgens de heer Christiaens was het ongeval in hoofde van de heer D vermijdbaar in die zin dat hij zijn dwarsbeweging had moeten uitstellen tot hij geen voertuigen meer zag naderen in de spiegel.

Genoemde verkeersdeskundigen komen derhalve op basis van (ogenschijnlijk) dezelfde feitelijke gegevens en elementen van het dossier tot fundamenteel verschillende conclusies, mede op basis van vaststellingen (met name deze met betrekking tot het zicht dat kan worden genomen in de spiegel) die diametraal tegenover elkaar staan.

De rechtbank van eerste aanleg te Veurne deed daarom een plaatsbezoek, mede gelet op de uiteenlopende conclusies van de verkeersdeskundigen, met technische bijstand van een derde verkeersdeskundige, de heer Opbrouck.

De rechtbank stelde ter dier gelegenheid vast dat inderdaad, het zicht op dit kruispunt belemmerd is, zowel gezien vanuit de richting die het dodelijk slachtoffer volgde als vanuit de rijrichting die de heer D volgde. De rechtbank stelde vast dat de heer D die vanuit de Schrevelstraat de Steenbeekstraat wilde kruisen om richting Jonckershove te rijden, zich diende te vergewissen van het aankomend verkeer in een parabolische spiegel die aan de overkant van de Steenbeekstraat is geplaatst. Deze spiegel bleek na het ongeval te zijn vervangen in de periode september-oktober 2002 op vraag van een inwoner van de Schrevelstraat omdat hij ‘bespot' was. Tevens werden paaltjes voor de hoekwoning geplaatst. Volgens deze inwoner (cfr. verklaring in strafdossier van 20 juni 2003) heeft de nieuwe spiegel een andere invalshoek en is de zichtbaarheid verbeterd. Je moet nu wel ter hoogte van de stopstreep wat meer naar links staan dan vroeger om een optimale zicht-baarheid te hebben. Vroeger moest je dichter bij de rand van de rijbaan staan om goed zicht te hebben.

Dit verklaarde dan ook waarom deskundige Christiaens een met het verslag van deskundige Vroman tegenstrijdige vaststelling deed wat betreft het zicht in deze spiegel, die ten tijde van zijn onderzoek reeds was vervangen door de nieuwe spiegel.

De vaststellingen van deskundige Vroman dienen dan ook voor juist te worden aanzien, gezien op dat ogenblik nog steeds dezelfde spiegel stond opgesteld als deze ten tijden van het ongeval.

Er kan met andere woorden worden aangenomen dat de spiegel een vals beeld gaf. De spiegel beantwoordde niet aan haar ‘model' die er een is die de weggebruikers niet verschalkt, doch waarop ze kunnen vertrouwen.

In casu is naar het oordeel van de rechtbank de spiegel, die onder het beheer van de gemeente Houthulst valt, behept met een gebrek in de zin van artikel 1384, lid 1, Burgerlijk Wetboek".

Grieven

1. Het aangevochten vonnis van 5 mei 2011 verklaart eiseres aansprakelijk op grond van artikel 1384, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek omdat de parabolische spiegel met een gebrek behept was, en met name een vals beeld gaf, wat de rechters afleidden uit het verslag van parketdeskundige Vroman.

De rechters verkozen te steunen op dit verslag van parketdeskundige Vroman en geen geloof te hechten aan het verslag van deskundige Christiaens die door de partijen F aangesteld was, omdat - volgens de rechters - de vaststellingen door deskundige Vroman gedaan waren op een ogenblik dat de spiegel die er ten tijde van het litigieuze ongeval stond, er nog steeds stond en omdat deskundige Christiaens zijn onderzoek gedaan had nadat de spiegel al vervangen was door een nieuwe spiegel.

2. Het vonnis dat oordeelt dat op het ogenblik van het onderzoek door deskundige Christiaens de spiegel al vervangen was door een nieuwe spiegel, antwoordt niet op de "synthesebesluiten na cassatie" die eiseres op 29 september 2010 neerlegde en waarin zij enerzijds aangetoond had dat de spiegel die er stond op het ogenblik van het litigieuze verkeersongeval, niet enkel nog aanwezig was tijdens het onderzoek van parketdeskundige Vroman, maar ook tijdens het onderzoek van deskundige Christiaens, en waarin zij anderzijds aangetoond had waaruit dit bleek.

Eiseres had zo onder meer een vergelijking gemaakt tussen foto nummer 21 van parketdeskundige Vroman, foto nummer 5 van deskundige Christiaens en de foto's op pagina 15 e.v. van het verslag van gerechtsdeskundige Opbrouck (die de rechtbank technische bijstand verleend had tijdens het plaatsbezoek) en het model van de spiegel op die foto's.

Eiseres had tevens de datum van het verslag van deskundige Christiaens (17 januari 2002) vergeleken met de periode waarin de spiegel vervangen was (najaar van 2002), zoals bleek uit de verklaring van 20 juni 2003 van M C.

In haar "synthesebesluiten na cassatie" had eiseres inderdaad onder meer aangevoerd:

"De bewering over ontoereikende zichtbaarheid is bovendien geenszins bewezen.

De enige vaststellingen die de parketdeskundige dhr. Vroman m.b.t. de spiegel gedaan heeft, waren dat de spiegel een vals beeld geeft van de werkelijkheid.

‘Een voertuig lijkt zeer ver te zijn, en toch is het hooguit 40 m verwijderd van de spiegel' (verslag Ir. Vroman p. 18).

"Dit verslag bevat ook een foto nr. 21 waarop de spiegel te zien is.

In opdracht van [verweerders] sub 1 tot 4 heeft Ir. Christiaens dan een verslag opgesteld over het ongevalgebeuren. Zijn vaststellingen moeten dateren van eind 2001 of begin 2002, gezien zijn verslag dateert van 17/1/2002. (...)

In dit verslag steekt ook een foto waarop de spiegel te zien is, nl. de foto 5 in het verslag. Bij vergelijking van de foto 21 in het verslag Ir. Vroman met de foto nr. 5 in het verslag Ir. Christiaens, blijkt het om dezelfde spiegel te gaan: zelfde formaat en afmetingen.

De spiegel werd niet vervangen tussen de vaststellingen van Ir. Vroman en deze van Ir. Christiaens. Dit wordt niet alleen bevestigd door voormelde foto's, maar ook door de verklaring van dhr. M C in het strafdossier, die verhoord werd op 20 juni 2003 en die dan verklaarde dat de spiegel recent vervangen werd.

De spiegel werd in het najaar van 2002 vervangen omdat het glas van de spiegel aangetast was door matte vlekvorming.

Toen gerechtsdeskundige Opbrouck vaststellingen deed op 19 juni 2003 was de spiegel inderdaad vervangen. Zijn verslag bevat diverse foto's van de spiegel. Het model van die spiegel is zichtbaar verschillend van deze die er was bij de vaststellingen van Ir. Vroman en Ir. Christiaens.

Dat er ontoereikend zicht was in de spiegel op het aankomend verkeer op de hoofd-baan, is derhalve niet bewezen."

3. Het aangevochten vonnis vergelijkt het model van de spiegel op foto nummer 21 van parketdeskundige Vroman, op foto nummer 5 van deskundige Christiaens en op de foto's op de pagina's 15 e.v. van het verslag van deskundige Opbrouck niet. Het vonnis vergelijkt evenmin de datum van het verslag van deskundige Christiaens met de latere datum waarop de spiegel vervangen werd. Het vonnis slaat evenmin acht op de ingeroepen verklaring van dhr. C waaruit bleek wanneer de spiegel vervangen was.

Het vonnis is bijgevolg wegens gebrek aan antwoord op de aangeduide middelen uit de conclusie van eiseres niet regelmatig gemotiveerd en schendt derhalve artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 10.1.1° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer waarvan de titel door het koninklijk besluit van 4 april 2003 aangevuld werd met "en van het gebruik van de openbare weg", zoals dit artikel 10.1.1° van kracht was voor de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 4 april 2003;

- artikel 10.1.3° van genoemd koninklijk besluit van 1 december 1975.

Aangevochten beslissingen

Het aangevochten vonnis dat eiseres aansprakelijk verklaart voor de schade van verweerders en haar veroordeelt tot het vergoeden van hun schade en tot het be-talen van de kosten, acht eiseres alleen en volledig aansprakelijk voor alle schade van verweerders en neemt geen medeverantwoordelijkheid in hoofde van motor-rijder R aan.

Het vonnis oordeelt dat motorrijder R geen fout in causaal verband met het ongeval en de schade beging en dat zijn snelheid van 70 à 90 km/u reglementair was en niet onaangepast aan de onoverzichtelijke bocht in de Steenbeekstraat die hij volgde. Het vonnis preciseerde dat niets hem tot matige snelheid dwong en hij zich niet moest verwachten aan hindernissen achter de bocht.

Het vonnis verwerpt de (mede-)verantwoordelijkheid van motorrijder R vooreerst op grond van de in het tweede middel geciteerde overwegingen die hier als herhaald beschouwd worden, i.h.b. de overwegingen: dat er volgens parketdeskundige Vroman een "scherpe, onoverzichtelijke bocht naar rechts" was, het slachtoffer R vanuit de onoverzichtelijke bocht kwam, het zicht beperkt was door de bocht en een hoekwoning op de hoek van de Steenbeekstraat en de Schrevelstraat, en vanuit de Steenbeekstraat het verkeer komende uit de Schrevelstraat niet zichtbaar was vanop een afstand van ongeveer 43 meter (en verder).

Het vonnis verwerpt de (mede-)verantwoordelijkheid van motorrijder R vervolgens op grond van volgende overwegingen:

"In ieder geval kan gemeld worden dat het slachtoffer een snelheid voerde die geschat wordt tussen de 70 en 90 km/u. Dit betekent dat het slachtoffer een reglementaire snelheid voerde. De Steenbeekstraat betreft een ruime tweevaksbaan, met voor elke rijrichting een rijstrook; uit niets blijkt dat het er druk verkeer was, het tegendeel laat zich vermoeden gezien er geen getuigen van het ongeval waren; het wegdek was in goede staat, er was een goede zichtbaarheid en droog/zonnig weer. Voor het slachtoffer R was de rijbaan volledig vrij en er was niets dat hem tot matige snelheid dwong.

Dat hij zag dat er zich een onoverzichtelijke bocht aanbood, betekent niet dat hij zich moest verwachten aan hindernissen achter de bocht, nu deze niet aangekondigd waren en mede gelet op zijn voorrangsrecht. Trouwens, niets zegt dat hij zijn snelheid alsdan matigde en de normale voorzichtigheidsnormen in acht nam.

(...) De rechtbank kan enkel tot de conclusie komen dat wijlen de heer R een reglementaire snelheid voerde en gewoon zijn traject rechtdoor vervolgde."

Grieven

1. Het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer waarvan de titel door het koninklijk besluit van 4 april 2003 aangevuld werd met "en van het gebruik van de openbare weg", bepaalde in artikel 10.1.1°, zoals dat op de dag van het litigieuze ongeval (25 mei 1999) van toepassing was, dus vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 4 april 2003:

"Elke bestuurder moet zijn snelheid regelen zoals vereist wegens de plaatsgesteldheid, haar belemmering, de verkeersdichtheid, het zicht, de staat van de weg, de staat en de lading van zijn voertuig, opdat de snelheid geen ongevallen zou kunnen veroorzaken noch het verkeer hinderen"

en in artikel 10.1.3°:

"De bestuurder moet in alle omstandigheden kunnen stoppen vóór een hindernis die kan worden voorzien."

Een overtreding van deze artikelen maakt een fout of een nalatigheid uit in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

2. De snelheid aanpassen aan de plaatsgesteldheid en het zicht en voor een voorzienbare hindernis kunnen stoppen in de zin van genoemde artikelen betekent dat een bestuurder zijn snelheid zo moet regelen dat hij kan stoppen of minstens kan uitwijken voor een vaste, zichtbare en voorzienbare hindernis die aan de grens van zijn gezichtsveld waarneembaar wordt, zelfs wanneer die hindernis niet aangekondigd werd.

3. Wanneer er een onoverzichtelijke bocht is, dan mag een bestuurder niet sneller rijden en de bocht derhalve niet vlugger nemen dan dat hij nog tijdig kan stoppen of minstens uitwijken voor een vaste, zichtbare en voorzienbare hindernis die bij het nemen van die bocht aan de grens van zijn gezichtsveld waargenomen kan worden.

Wanneer er bijvoorbeeld na de bocht op de weg een voertuig stilstaat, dan mag de naderende bestuurder niet sneller rijden en de bocht derhalve niet vlugger nemen dan dat hij nog tijdig kan stoppen of uitwijken voor het na de bocht stilstaande voertuig: enkel in dit geval is zijn snelheid immers aangepast aan de plaatsgesteldheid en aan zijn zicht.

4. Genoemde verplichting tot het aanpassen van de snelheid aan de plaatsgesteld-heid en het zicht dient beoordeeld te worden in functie van voorzienbare hindernissen (zoals bijvoorbeeld een na de bocht stilstaand voertuig).

5. Het enkele feit dat een bestuurder zijn snelheid aanpaste aan de plaatsgesteldheid en het zicht in functie van voorzienbare hindernissen, belet niet dat deze bestuurder toch nog kan verschalkt worden door een onvoorzienbare hindernis (zoals bijvoorbeeld een plots en met miskenning van de voorrang manoeuvrerend voertuig).

Deze bestuurder die zijn snelheid aanpaste en die door een onvoorzienbare hindernis verschalkt werd, kan aldus geen overtreding van genoemde artikelen 10.1.1° en 10.1.3° verweten worden.

6. Omgekeerd, kan uit het enkele feit dat een bestuurder met een onvoorzienbare hindernis geconfronteerd werd, niet wettig afgeleid worden dat deze bestuurder zijn snelheid aan o.a. de plaatsgesteldheid en het zicht en voorzienbare hindernissen aangepast had in de zin van genoemde artikelen 10.1.1° en 10.1.3°.

7. De verplichting om zijn snelheid te regelen zoals vereist wegens onder andere de plaatsgesteldheid, het zicht en voorzienbare hindernissen is algemeen en geldt derhalve ook voor voorranghebbende bestuurders en buiten de bebouwde kom en ongeacht de - in de zin van artikel 11 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 - ter plaatse maximum toegelaten snelheid en ongeacht de al of niet aankondiging van die voorzienbare hindernissen.

Deze verplichting om zijn snelheid te regelen zoals vereist wegens onder andere de plaatsgesteldheid, het zicht en voorzienbare hindernissen, en derhalve wegens de aanwezigheid van een bocht en de beperking van het zicht door die bocht, geldt ongeacht of de bocht door verkeerstekens aangekondigd is en ongeacht of er een aanwijzing is dat de bocht onoverzichtelijk is.

8. Een bestuurder mag derhalve, zelfs wanneer hij voorranghebbende weggebruiker is, buiten de bebouwde kom rijdt en de ter plaatse geldende maximum toegelaten snelheid niet overschrijdt, niet "blind" rijden en er aldus niet van uitgaan dat hij nooit een vaste, zichtbare en voorzienbare hindernis op zijn weg zal tegenkomen.

Hij moet zich integendeel conform de aangeduide artikelen verwachten aan voorzienbare hindernissen achter de bocht, zelfs wanneer ze niet aangekondigd zijn, en zijn snelheid dermate aanpassen dat hij tijdig kan stoppen voor zo'n hindernis achter de bocht.

9. Het aangevochten vonnis van 5 mei 2011 is bijgevolg niet naar recht verantwoord in zover het, na vastgesteld te hebben dat er een scherpe, onoverzichtelijke bocht was, oordeelde dat motorrijder R niet (mede-)verantwoordelijk was omdat niets hem tot matige snelheid dwong, en hij zich niet moest verwachten aan hindernissen achter de bocht, nu deze niet aangekondigd waren en hij voorranghebbende bestuurder was.

Het enkele feit dat het opdagen van autobestuurder D te dezen onvoorzienbaar was geweest voor motorrijder R, doet hieraan geen afbreuk.

Het vonnis schendt derhalve de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk wetboek en artikel 10.1.1° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer waarvan de titel door het koninklijk besluit van 4 april 2003 aangevuld werd met "en van het gebruik van de openbare weg", zoals dit artikel 10.1.1° van kracht was voor de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 4 april 2003, en artikel 10.1.3° van genoemd koninklijk besluit van 1 december 1975.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De beslissing van het bestreden vonnis die door het tweede onderdeel van het eerste middel bekritiseerd wordt, is niet verenigbaar met het verwijzingsarrest van 4 mei 2009.

Dit onderdeel heeft dezelfde draagwijdte als het eerste middel dat door voor-noemd arrest is aangenomen.

Het cassatieberoep moet bijgevolg worden onderzocht door de verenigde kamers van het Hof.

Eerste middel

Tweede onderdeel

2. Overeenkomstig artikel 2244 Burgerlijk Wetboek vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting.

Krachtens artikel 2246 Burgerlijk Wetboek stuit ook de dagvaarding voor een on-bevoegde rechter de verjaring.

Overeenkomstig artikel 2247 Burgerlijk Wetboek wordt de stuiting voor niet be-staande gehouden indien de eis wordt afgewezen.

Deze bepaling maakt geen onderscheid naargelang de reden van de afwijzing van de eis.

3. Wanneer de strafrechter beslist dat geen misdrijf bewezen is ten laste van de beklaagde en zich om die reden onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de burgerlijke vordering ingesteld tegen de beklaagde en de burgerrechtelijk aan-sprakelijke partij, doet de strafrechter met deze beslissing uitspraak over de zaak zelf en houdt deze beslissing in dat de burgerlijke vordering wordt afgewezen omdat het misdrijf waarop zij steunt, niet bewezen is.

4. Het bestreden vonnis stelt vast dat:

- de eiseres door de eerste tot en met vierde verweerders rechtstreeks werd ge-dagvaard met het exploot van 14 mei 2002;

- de politierechtbank zich bij vonnis van 18 oktober 2002, bevestigd in hoger be-roep bij vonnis van 28 september 2004, onbevoegd verklaarde om te oordelen over de vorderingen van de eerste tot en met vierde verweerders tegen de eise-res;

- de reden van deze onbevoegdverklaring gelegen is in het feit dat de beklaagde werd vrijgesproken.

5. De appelrechters die oordelen dat de rechtstreekse dagvaarding de verjaring van de vordering van de eerste tot en met vierde verweerders stuitte omdat de

strafrechter zich onbevoegd had verklaard en dat "zich onbevoegd verklaren" niet betekent dat de eis wordt afgewezen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede middel

6. De appelrechters beantwoorden het in het middel weergegeven verweer van de eiseres niet.

Het middel is gegrond.

Derde middel

7. Het middel dat opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat de motorrijder niet verantwoordelijk was voor het ongeval omdat niets hem tot matige snelheid dwong, en hij zich niet moest verwachten aan hindernissen achter de bocht, aangezien deze niet aangekondigd waren en hij voorranghebbende bestuurder was, vereist een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is niet ontvankelijk.

Overige grieven

De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof, in verenigde kamers,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het uitspraak doet over de aan-sprakelijkheid van de motorrijder.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, zitting houdende in hoger beroep, die zich zal schikken naar de beslissing van het Hof met betrekking tot het rechtspunt dat door dit hof is berecht bij het onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 893,39 euro en voor de verweerster 5 op 131,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, samengesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, raadsheer Didier Batselé, afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Martine Regout, Geert Jocqué en Mireille Delange en in openbare rechtszitting van 8 maart 2013 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen.

Ch. Van Der Kelen M. Delange G. Jocqué

M. Regout

B. Deconinck

E. Dirix

K. Mestdagh

A. Fettweis

Ch. Storck A. Smetryns

D. Batselé

E. Goethals

Vrije woorden

  • Afwijzing van de eis