- Arrest van 8 maart 2013

08/03/2013 - C.12.0408.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De Raad van State is zonder rechtsmacht om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een administratieve beslissing, in zoverre de wet de kennisname van het geschil aan de rechtscolleges van de rechterlijke macht heeft toegewezen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0408.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Zelfstandigen, met kabinet te 1060 Brussel, Guldenvlieslaan 87,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woon-plaats kiest,

tegen

W K,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, heeft het door het cassatieberoep bestreden arrest gewezen op 24 mei 2012.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 9 januari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan :

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 144 en 145 Grondwet;

- de artikelen 8, 556, eerste lid, en 581, 1°, Gerechtelijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten;

- de artikelen 7 en 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State;

- de artikelen 17, eerste lid, en 22 koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;

- de artikelen 88 en 91, § 1, koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.

Aangevochten beslissing

In het bestreden arrest verwerpt de Raad van State het beroep van de verweerder. De Raad van State neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"IV. Ontvankelijkheid

Ambtshalve exceptie

5. Los van de beoordeling van de door [de eiser] opgeworpen exceptie als zou de verzoeker geen rechtsmiddelen inroepen die tot vernietiging van de bestreden beslissing kunnen leiden, stelt de Raad van State vast dat, wanneer de Commissie voor vrijstelling van bijdragen beslist om geen vrijstelling te verlenen en de zelfstandige of de hoofdelijk aansprakelijke vennootschap deze beslissing betwist, tussen deze laatsten en [de eiser] een geschil ontstaat over hun verplichtingen voor de betaling van de bijdragen, opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid voor zelfstandigen.

Krachtens artikel 581, 1°, Gerechtelijk Wetboek, neemt de arbeidsrechtbank kennis van geschillen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake sociaal statuut, familiale uitkeringen, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en uitkeringen inzake rust- en overlevingspensioen ten voordele van zelfstandigen.

De omstandigheid dat de Commissie voor vrijstelling van bijdragen bij het nemen van dergelijke beslissing over een discretionaire bevoegdheid beschikt, heeft geen invloed op de attributie van het geschil aan de rechtscolleges van de rechterlijke macht, noch op de bevoegdheid, binnen deze rechtscolleges, van de arbeidsrechtbank. De vraag naar de omvang van de controle die de rechter kan uitoefenen heeft geen uitstaans met de vaststelling van zijn bevoegdheid.

De analogie met het stelsel van de sociale zekerheid van werknemers, die door [de eiser] in zijn laatste memorie wordt betwist, is wel degelijk aanwezig en ook relevant. Dat de Commissie voor vrijstelling van bijdragen een ‘administratieve commissie' is, is niet ter zake dienend.

In het socialezekerheidsrecht valt de beoordeling van andere ‘administratieve beslissingen' ook onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.

De opmerking van [de eiser] in zijn ‘aanvulling op de laatste memorie' als zou het soort geschil als dat waarvan sprake in het arrest van de Raad van State nr. 216.733 van 8 december 2011 inzake de bvba Finabo niet hetzelfde zijn als dat waarvoor de arbeidsrechtbanken bevoegd zijn, is niet terecht. De arbeidsrechtbanken hebben wel degelijk de mogelijkheid de beslissingen van de Commissie voor vrijstelling van bijdragen te sanctio-neren ‘op basis van onwettelijkheden begaan door de commissie' en bijgevolg is het eveneens door [de eiser] opgeworpen argument dat ‘het enige geschil dat na een beslissing van de commissie nog kan bestaan (...) de vraag (is) over het feit of de commissie al dan niet op een wettelijke wijze haar beslissing heeft genomen' niet ter zake dienend.

De Raad van State heeft geen rechtsmacht om kennis te nemen van het beroep van [de verweerder] tegen de beslissing van de Commissie voor vrijstelling van bijdragen waarbij het verzoek tot vrijstelling van bijdragen wordt geweigerd.

Gelet op de evolutie van de rechtspraak inzake de rechtsmacht om kennis te nemen van geschillen in socialezekerheidszaken kan het [de eiser] niet ten kwade worden geduid dat hij bij de kennisgeving van de bestreden beslissing vermeld heeft dat deze vatbaar was voor een annulatieberoep bij de Raad van State. Er is dan ook geen aanleiding om de kosten te zijnen laste te leggen."

Grieven

1.1. Luidens artikel 8 Gerechtelijk Wetboek is bevoegdheid de macht van de rechter om kennis te nemen van een vordering die voor hem is gebracht. Een rechter is slechts bevoegd wanneer hem de macht is verleend daadwerkelijk kennis te nemen van de eis die voor hem is gebracht.

Krachtens artikel 144 Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uit-sluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Geschillen over politieke rechten behoren krachtens artikel 145 Grondwet eveneens tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.

Artikel 556, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbanken en hoven kennis nemen van alle vorderingen, behalve die welke de wet aan hun rechtsmacht onttrekt.

Uit die bepalingen volgt dat enkel de rechtbanken van de rechterlijke macht rechtsmacht hebben om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten van burgerlijke aard.

1.2. Artikel 581, 1°, Gerechtelijk Wetboek verklaart de arbeidsrechtbanken bevoegd kennis te nemen van geschillen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake sociaal statuut, familiale uitkeringen, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en uitkeringen inzake rust- en overlevingspensioen ten voordele van de zelfstandigen.

De in dat artikel bedoelde geschillen zijn rechtsgeschillen, met name, wat de bijdragen betreft, over de subjectieve rechten van de instellingen belast met het invorderen daarvan en de verplichtingen dienaangaande waartoe de zelfstandigen, de helpers en de met hen hoofdelijk gehouden derden gehouden zijn op grond van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.

1.3. Met toepassing van artikel 7 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, hieronder afgekort als RvSt-wet, doet de afdeling bestuursrechtspraak bij wijze van arresten uitspraak in de gevallen voorzien bij deze wet en de bijzondere wetten. Op grond van artikel 14, § 1, 1°, van die wet, doet die afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substan-tiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden.

De bevoegdheid van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, moet worden bepaald aan de hand van het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het verzoek tot nietigverklaring.

Indien het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het beroep tot nietigverklaring ertoe strekt het bestaan van een subjectief recht, burgerlijk of politiek, te doen vaststellen ten aanzien van een bestuur of de eerbiediging ervan door een bestuur te doen naleven, zijn enkel de rechtbanken van de rechterlijke orde bevoegd. Dat is het geval wanneer het bestuur beschikt over een volledig gebonden bevoegdheid.

Wanneer daarentegen een bestuur geen volledig gebonden bevoegdheid heeft, maar op grond van een discretionaire bevoegdheid een beslissing neemt, beschikt het over een beoordelingsvrijheid die hem de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop het zijn bevoegdheid uitoefent en de hem meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen. Dat is het geval wanneer objectieve wettelijke criteria ontbreken die het bestuur verplichten een beslissing in een bepaalde zin te nemen. In dat geval kan de persoon ten aanzien van wie dergelijke beslissing wordt genomen, zich niet beroepen op een voor de rechtbanken van de rechterlijke macht afdwingbaar recht dat het bestuur hem heeft geweigerd of toegestaan. Weliswaar is de rechterlijke macht bevoegd om een door een bestuur bij de uitoefening van een niet gebonden bevoegdheid begane onrechtmatige aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te ver-goeden, maar het mag aan het bestuur zijn beleidsvrijheid niet ontnemen en zich niet in de plaats van het bestuur stellen wat de inhoud van de beslissing betreft. Tegen een dergelijke beslissing staat uitsluitend een beroep tot nietigverklaring open bij de Raad van State indien aan de voorwaarden van artikel 14 van de RvStwet is voldaan.

2. Krachtens artikel 17, eerste lid, koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen kunnen de zelfstandigen die menen dat zij zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, volledige of gedeeltelijke vrijstelling vragen van de bijdragen verschuldigd met toepassing van de artikelen 12, § 1, en 13, door zich te wenden tot de in artikel 22 bedoelde commissie. Ze kunnen eveneens volledige of gedeeltelijke vrijstelling vragen van de bijdragen verschuldigd met toepassing van artikel 13bis, § 1, voor zover deze bijdragen niet verschuldigd zijn in de hoedanigheid van bij artikel 12, § 2, bedoelde bijdrageplichtingen.

Bij artikel 22 koninklijk besluit nr. 38 werd bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid een Commissie voor vrijstelling van bijdragen opgericht. Die commissie is ermee belast, zonder mogelijkheid van beroep, te beslissen over de aanvragen tot volledige of gedeeltelijke vrijstelling van bijdragen, ingediend door de in artikel 17 bedoelde bijdrageplichtingen, ongeacht of deze aanvragen werden ingediend in het Nederlands, het Frans of het Duits.

Hoofdstuk V van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, regelt de samenstelling en de werking van de Commissie voor vrijstelling van bijdragen.

Hoewel de regelgever in artikel 88 koninklijk besluit van 19 december 1967 in bepaalde ontvankelijkheidsvoorwaarden heeft voorzien voor de aanvraag tot het verkrijgen van een vrijstelling van de bijdragen en de voorwaarden heeft bepaald waaronder de commissie tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling mag of kan overgaan, heeft hij geen objectieve wettelijke criteria vastgelegd die de Commissie voor vrijstelling van bijdragen ertoe zouden verplichten in deze of andere zin te beslissen.

Integendeel bepaalt artikel 91, § 1, koninklijk besluit van 19 december 1967 dat:

- de commissie gehele of gedeeltelijke vrijstelling mag verlenen van de bijdragen in eigenlijke zin en van de verhogingen die erop betrekking hebben, van de bijdrage bestemd voor het dekken van de werkingskosten van het sociaal verzekeringsfonds en van de verhogingen die erop betrekking hebben, van de rappelkosten en van de gerechtskosten,

- de commissie, wat de rappelkosten en de gerechtskosten betreft, echter slechts dan gehele of gedeeltelijke vrijstelling mag verlenen, wanneer vrijstelling werd toegekend voor alle bijdragen van het tijdvak waarop deze kosten betrekking hebben,

- de commissie eveneens gehele of gedeeltelijke vrijstelling kan verlenen van de bijdragen te betalen in het raam van de voortgezette verzekering,

- de commissie slechts gehele of gedeeltelijke vrijstelling kan verlenen van de bijdragen te betalen door de in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 bedoelde helper die enkel valt onder de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sectoren der uitkerings- en moederschapsverzekering voor zover aan de geholpen zelfstandige reeds vrijstelling werd verleend van de bijdragen met betrekking tot dezelfde kwartalen.

Uit de artikelen 88 en 91 koninklijk besluit van 19 december 1967 volgt dat wanneer de aanvraag voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden, de Commissie voor vrijstelling van bijdragen binnen de gestelde voorwaarden kan, maar niet moet beslissen tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling. De Commissie voor vrijstelling van bijdragen beschikt derhalve over een discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling van de te nemen beslissing.

Aangezien de Commissie voor vrijstelling van bijdragen over een discretionaire be-voegdheid beschikt, kan de persoon die een aanvraag tot vrijstelling doet, geen subjectief recht laten gelden op een gehele of gedeeltelijke vrijstelling. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten, vermag de rechterlijke macht de opportuniteit van een administratieve beslissing niet te beoordelen en vermag zij evenmin in de plaats van het bestuur te treden bij de uitoefening van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid door die overheid. Om de discretionaire aard van de bevoegdheid van de Commissie aan te geven, bepaalt artikel 22 koninklijk besluit nr. 38 overigens uitdrukkelijk dat er geen mogelijkheid tot (jurisdictioneel) beroep is.

De bevoegdheid die artikel 581, 1°, Gerechtelijk Wetboek aan de arbeidsrechtbanken verleent, nl. kennis nemen van geschillen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake sociaal statuut, familiale uitkeringen, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en uitkeringen inzake rust- en overlevingspensioen ten voordele van de zelfstandigen, houdt geen verband met de discretionaire bevoegdheid van de Commissie voor vrijstelling van bijdragen om te beslissen over een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van bijdragen in eigenlijke zin en verhogingen die erop betrekking hebben, van de bijdrage bestemd voor het dekken van de werkingskosten van het sociaal verzekeringsfonds en van de verhogingen die erop betrekking hebben, van de rappelkosten en van de gerechtskosten. Beslissingen genomen op basis van die bevoegdheid hebben immers geen betrekking op enige "verplichting" die voortvloeit uit de wetten inzake het sociaal statuut van de zelfstandigen, noch op enig aan die verplichtingen verbonden recht. De arbeidsrechtbank is dan ook niet bevoegd kennis te nemen van een beroep gericht tegen een discretionaire beslissing van de Commissie voor vrijstelling van bijdragen al dan niet in te gaan op een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van bijdragen.

3. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het annulatieberoep van de verweerder voor de Raad van State gericht is tegen de beslissing van de Commissie voor vrijstelling van bijdragen van 17 februari 2011 die hem slechts voor één kwartaal (het tweede van 2009) vrijstelling verleende, terwijl hij die op 30 maart 2010 had aangevraagd voor alle kwartalen van de jaren 2009 en 2010.

Zoals hierboven onder 2 werd aangetoond, bestaan er geen criteria die de Commissie moet in acht nemen bij haar beslissing volledige dan wel slechts gedeeltelijke vrijstelling van bijdragen (te verlenen) en, in het laatste geval, voor welk gedeelte van de bijdragen. De verweerder kan dan ook geen subjectief recht m.b.t. vrijstelling van bijdragen laten gelden.

De omstandigheid dat de op grond van een discretionaire macht genomen beslissing van de Commissie de verweerder een volledige vrijstelling van bijdragen te weigeren voor de kwartalen waarvoor zij werd aangevraagd, een weerslag zou kunnen hebben op het subjectief recht van de verweerder op bepaalde socialezekerheidsprestaties, is niet van die aard dat zij hem een subjectief recht op een beslissing tot volledige vrijstelling zou toekennen of dat zij de bevoegdheid van de Raad van State zou uitsluiten.

4. Uit de samenlezing van wat hierboven onder de nummers 1 tot en met 3 werd uiteengezet, vloeit voort dat de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, bevoegd is kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring dat de verweerder instelde tegen de beslissing die de Commissie voor vrijstelling van bijdragen op 17 februari 2011 nam op zijn aanvraag van 30 maart 2010.

In het bestreden arrest beslist de Raad van State dan ook niet wettig dat, wanneer de Commissie voor vrijstelling van bijdragen beslist geen vrijstelling te verlenen en de zelfstandige of hoofdelijk aansprakelijke vennootschap die beslissing betwist, tussen deze laatsten en de eiser een geschil ontstaat over hun verplichtingen voor de betaling van de bijdragen opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid voor zelfstandigen (schending van de artikelen 581, 1°, Gerechtelijk Wetboek, 17 en 22 koninklijk besluit nr. 38, en 88 en 91, § 1, koninklijk besluit van 19 december 1967).

Evenmin beslist de Raad van State wettig geen rechtsmacht te hebben kennis te nemen van het beroep dat de verweerder indiende tegen de beslissing van de Commissie voor vrijstelling van bijdragen waarbij zijn verzoek tot vrijstelling werd geweigerd (schending van alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen, in het bijzonder van de artikelen 144 en 145 Grondwet, 8 en 556, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en 17, eerste lid, en 22 koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen).

Conclusie

De beslissing van de Raad van State het beroep van de verweerder te verwerpen, is niet naar recht verantwoord (schending van het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten en van de artikelen 144 en 145 Grondwet, 8, 556, eerste lid, en 581, 1° , Gerechtelijk Wetboek, 7 en 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, 17, eerste lid, en 22 koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en 88 en 91, § 1, koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De Raad van State is zonder rechtsmacht om kennis te nemen van een be-roep tot nietigverklaring van een administratieve beslissing, in zoverre de wet de kennisname van het geschil aan de rechtscolleges van de rechterlijke macht heeft toegewezen.

2. Krachtens de artikelen 12, 13 en 15 Sociaal Statuut Zelfstandigen zijn de onderworpen zelfstandigen en helpers jaarlijkse bijdragen, vastgesteld op de be-roepsinkomsten bedoeld in artikel 11, § 2 en § 3, verschuldigd bij vierden in de loop van ieder kalenderkwartaal.

Krachtens artikel 17, eerste lid, Sociaal Statuut Zelfstandigen kunnen de zelfstan-digen die menen dat zij zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, volledige of gedeeltelijke vrijstelling vragen van de bijdragen verschuldigd met toepassing van de artikelen 12, § 1, en 13, door zich te wenden tot de commissie waarin artikel 22 voorziet. Ze kunnen eveneens volledige of gedeeltelijke vrijstelling vragen van de bijdragen verschuldigd met toepassing van artikel 13bis, § 1, voor zover deze bijdragen niet verschuldigd zijn in de hoedanigheid van bij artikel 12, § 2, bedoelde onderworpene.

Artikel 22, eerste en tweede lid, Sociaal Statuut Zelfstandigen bepaalt dat bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid een Commissie voor vrijstelling van bijdragen wordt opgericht die ermee is belast, zonder mogelijkheid van beroep, te beslissen over de aanvragen tot volledige of gedeeltelijke vrijstelling van bijdra-gen, ingediend door de in artikel 17 bedoelde onderworpenen, ongeacht of deze aanvragen werden ingediend in het Nederlands, het Frans of het Duits.

3. Wanneer de Commissie voor vrijstelling van bijdragen beslist om de ge-vraagde vrijstelling niet te verlenen en de zelfstandige deze beslissing betwist, dan ontstaat tussen de zelfstandige en de Belgische Staat een geschil betreffende de verplichting tot betaling van bijdragen die voortvloeit uit de wetten en de verorde-ningen inzake het sociaal statuut van de zelfstandigen.

Krachtens artikel 581, 1°, Gerechtelijk Wetboek behoort dit geschil tot de materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank en dus tot de rechtsmacht van een rechtscol-lege van de rechterlijke macht.

4. De omstandigheid dat de betwiste beslissing van de Commissie voor vrij-stelling van bijdragen van discretionaire aard is, heeft geen invloed noch op de attributie van het geschil aan de rechtscolleges van de rechterlijke macht, noch op de bevoegdheid, binnen deze rechtscolleges, van de arbeidsrechtbank. De vraag naar de omvang van de controle die de rechter kan uitoefenen heeft geen uitstaans met de vaststelling van zijn bevoegdheid.

5. Het arrest dat beslist dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om ken-nis te nemen van het beroep van de verweerder tegen de beslissing van de Commissie voor vrijstelling van bijdragen waarbij zijn verzoek tot vrijstelling van bijdragen wordt geweigerd, schendt geen van de aangevoerde bepalingen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof, in verenigde kamers,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 648,46 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, samengesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, raadsheer Didier Batselé, afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Martine Regout, Geert Jocqué en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 8 maart 2013 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen.

C. Van Der Kelen M. Delange G. Jocqué

M. Regout K. Mestdagh A. Smetryns

B. Deconinck A. Fettweis D. Batselé

E. Dirix C. Storck E. Goethals

Vrije woorden

  • Rechtsmacht

  • Geschil bij wet toegewezen aan de hoven en rechtbanken