- Arrest van 11 maart 2013

11/03/2013 - S.11.0093.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De inkomsten die voorvloeien uit een scheppende of vertolkende artistieke activiteit als loontrekkende die heeft geleid tot het verlies van uitkeringen in de periode waarin de activiteit werd uitgeoefend worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 130, §2, eerste lid, Werkloosheidsbesluit.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0093.N

C.V.R.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerder woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent van 6 mei 2011.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 27, 10°, Werkloosheidsbesluit wordt voor de toepassing van de werkloosheidsreglementering onder artistieke activiteit verstaan: de creatie en vertolking van artistieke werken, inzonderheid op het vlak van de audiovisuele en beeldende kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakelbedrijf, het decor-ontwerp en de choreografie.

Artikel 74bis Werkloosheidsbesluit voorziet in bijzondere regels die gelden ingeval van uitoefening van een artistieke activiteit in de zin van artikel 27, 10°, die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer, en het ontvangen van een inkomen in de zin van artikel 130, uit de uitoefening van een artistieke activiteit.

2. Krachtens artikel 74bis, § 2, derde lid, Werkloosheidsbesluit wordt op de controlekaart vermeld en leidt tot het verlies van een uitkering voor de dagen van activiteit : 2° de activiteit van de kunstenaar op de dagen van de opname van au-diovisuele werken of op de dagen waarop hij prestaties verricht tegen betaling van een loon.

Uit die bepaling volgt dat de werkloze geen recht heeft op werkloosheidsuitkerin-gen in de periode waarin hij bedoelde artistieke activiteit uitoefent.

3. Krachtens artikel 130, § 1, 6°, Werkloosheidsbesluit valt de werkloze die in de loop van het kalenderjaar inkomsten ontvangt voortvloeiend uit de uitoefening van een scheppende of een vertolkende artistieke activiteit onder de toepassing van paragraaf 2.

In artikel 130, § 2, Werkloosheidsbesluit is vervolgens een regeling opgenomen waarbij het dagbedrag van de uitkering wordt verminderd met het gedeelte van het dagbedrag van het inkomen bedoeld in paragraaf 1 dat het erin bepaalde geïndexeerde bedrag overschrijdt.

Artikel 130, § 2, derde lid, Werkloosheidsbesluit bepaalt evenwel: "In het geval bedoeld in § 1, 6°, wordt geen rekening gehouden met het inkomen dat voortvloeit uit een activiteit als loontrekkende of een statutaire tewerkstelling."

4. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de inkomsten die voort-vloeien uit een scheppende of vertolkende artistieke activiteit als loontrekkende die heeft geleid tot het verlies van uitkeringen in de periode waarin de activiteit werd uitgeoefend, niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van ar-tikel 130, § 2, eerste lid, Werkloosheidsbesluit.

Artikel 130, § 2, derde lid, Werkloosheidsbesluit maakt geen onderscheid naarge-lang de aard van de inkomsten die voortvloeien uit de activiteit als loontrekkende, zodat ook de auteurs- en exploitatierechten ontvangen voor een in uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte artistieke activiteit, niet in aanmerking wordt genomen voor de toepassing van artikel 130, § 2, eerste lid, Werkloosheidsbesluit.

5. De appelrechters die oordelen dat de eiser die artistieke activiteiten in de zin van artikel 74bis, § 2, derde lid, Werkloosheidsbesluit heeft verricht als loontrek-kende, zich niet kan beroepen op artikel 130, § 2, derde lid, Werkloosheidsbesluit wat betreft de ingevolge de voormelde activiteiten ontvangen auteurs- en exploita-tierechten, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Kosten

6. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld tot de kosten.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerder tot de kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Antwerpen.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 123,37 euro en voor de verweerder op 256,06 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 11 maart 2013 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Artistieke activiteit als loontrekkende

  • Gevolg

  • Uitkering

  • Bedrag