- Arrest van 13 maart 2013

13/03/2013 - P.13.0178.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest dat een verzoek tot teruggave van de borgsom afwijst, dat vóór het vonnis over de grond van de zaak is ingediend, is geen beslissing die de voorlopige hechtenis handhaaft of die de voorwaarden voor de invrijheidstelling bepaalt, in de zin van de artikelen 31, §§1 en 2, en 37 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, en is evenmin een eindbeslissing uit het eerste lid of zoals bedoeld in de gevallen die in het tweede lid van artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering zijn bepaald, en die voor onmiddellijk cassatieberoep vatbaar is (1). (1) Zie Cass. 19 juli 2005, AR P.05.1008.N, AC 2005, nr. 390; Cass. 6 juni 2007, AR P.07.0454.F, AC 2007, nr. 309, met concl. adv.-gen. Genicot in Pas.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0178.F

J.-P. D. N.,

Mrs. Alain en Cédric Vergaumen, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 december 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

De eiser, die op 28 mei 2002 onder aanhoudingsbevel is geplaatst, werd voorlopig in vrijheid gesteld nadat hij een borgtocht had betaald, die werd vastgesteld bij ar-rest van 10 juni 2002 van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldi-gingstelling.

Bij beschikking van de raadkamer van 30 juni 2009 werd hij naar de correctionele rechtbank te Brussel verwezen. De zaak is momenteel vastgesteld op de rechtszit-ting van de correctionele rechtbank van 9 oktober 2013.

Op 16 november 2012 heeft de eiser dat rechtscollege verzocht de borgsom volle-dig of gedeeltelijk terug te geven. Bij beschikking van 20 november 2012 werd zijn verzoek ontvankelijk maar niet-gegrond verklaard.

Het bestreden arrest verklaart de beslissing van de eerste rechter nietig en verklaart de correctionele rechtbank en het hof van beroep onbevoegd om over dat verzoek uitspraak te doen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Krachtens artikel 31, § 1 en § 2, Voorlopige Hechteniswet kan de inverdenkingge-stelde binnen vierentwintig uren te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing hem wordt betekend, cassatieberoep instellen tegen de arresten en vonnissen waardoor de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd. Krachtens artikel 37 van die wet kan datzelfde rechtsmiddel worden ingesteld tegen de beslissingen waarbij alternatieve maatregelen worden bevolen.

Het arrest dat een verzoek tot teruggave van de borgsom afwijst dat vóór het von-nis over de grond van de zaak is ingediend, is, in de zin van de voormelde wets-bepalingen, geen beslissing die de voorlopige hechtenis handhaaft of die de voor-waarden voor de invrijheidstelling bepaalt.

Het bestreden arrest is ook geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Het is geen beslissing inzake bevoegdheid in de zin van het tweede lid van dat artikel, en houdt geen verband met de andere in die be-paling bedoelde gevallen.

Hoewel de wet onmiddellijk cassatieberoep toestaat tegen een arrest dat de voor-afgaande en integrale betaling eist van een daarin vastgestelde borgsom, volgt daaruit niet dat zij ook cassatieberoep toestaat tegen een arrest dat dit niet tot voorwerp heeft en dat de rechtsmacht van de strafrechter niet volledig uitoefent met een beslissing ten gronde over de strafvordering.

Het cassatieberoep is dus niet ontvankelijk.

De eiser voert aan dat indien het cassatieberoep niet-ontvankelijk zou worden ver-klaard, dit het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel zou miskennen, gewaar-borgd bij artikel 13 EVRM.

Die miskenning kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat er geen cassa-tieberoep openstaat tegen een beslissing over de bestemming die aan de borgsom moet worden gegeven, vooraleer de rechter waaraan de wet dat heeft toever-trouwd, te weten de feitenrechter, die beslissing heeft genomen.

Het overige gedeelte van de memorie, dat geen verband houdt met de ontvanke-lijkheid van het cassatieberoep, behoeft geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 13 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschre-ven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Invrijheidstelling onder borgtocht

  • Borgsom

  • Regeling van de rechtspleging

  • Verwijzing naar de correctionele rechtbank

  • Verzoek tot teruggave van de borgsom

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Arrest

  • Beslissing van onbevoegdverklaring

  • Cassatieberoep

  • Ontvankelijkheid