- Arrest van 13 maart 2013

13/03/2013 - P.13.0214.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In zoverre artikel 37, §3, tweede lid, 2°, van de wet van 8 april 1965, de jongere die op het ogenblik van de feiten ouder is dan zestien jaar maar jonger dan zeventien jaar en ten aanzien van wie ten minste drie maanden vóór zijn meerderjarigheid geen eerder vonnis werd uitgesproken, het voordeel ontzegt van alle beschermende maatregelen bedoeld in dat artikel, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (1). (1) GwH, arrest nr. 60/2012 van 3 mei 2012. Sedert 1 januari 2013 luidt de tekst, ingevolge artikel 3 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (II) als volgt: '2° deze maatregelen kunnen bij vonnis worden bevolen voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, wanneer het gaat om personen die na de leeftijd van zestien jaar een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd'.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0214.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL,

in de zaak van

1. G. M.,

2. G. M.,

3. M. M.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, jeugdkamer, van 21 december 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

De jeugdrechter te Brussel heeft op grond van artikel 36, 4°, Jeugdbeschermings-wet, kennisgenomen van de ten aanzien van de eerste verweerder genomen vorde-ringen.

Bij vonnis van 30 juli 2012 heeft de jeugdrechtbank de ten laste gelegde feiten bewezen verklaard. Met toepassing van artikel 37, § 3, tweede lid, heeft zij de ver-lenging van de maatregelen bevolen tot de leeftijd van twintig jaar en de jongere gedurende drie maanden toevertrouwd aan een open afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming. Die maatregel ging gepaard met uitstel van zes maanden met de voorwaarde dat er een filantropische prestatie van honderd uren werd verricht.

Het hof van beroep verklaart de door de eerste rechter genomen maatregel onwet-tig en wijzigt ze door een berisping uit te spreken.

III. BESLISSING VAN HET HOF

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering tegen G. G. M., die op het op ogenblik van de feiten minderjarig was, en tegen zijn moeder M. M.

De eiser voert aan dat het arrest ten aanzien van de eerste verweerder een maatre-gel van berisping beveelt, door te oordelen dat die maatregel de enig mogelijke was, gezien de leeftijd van de betrokkene op het ogenblik van de feiten en omdat bij ontstentenis van één van de voorwaarden geen uithandengeving kon worden uitgesproken.

Eerste onderdeel

De eiser, die de schending aanvoert van artikel 37, § 3, tweede lid, 2°, Jeugdbe-schermingswet, verwijt het arrest dat het beslist dat de door de rechtbank bevolen maatregel onwettig is.

Krachtens de voormelde bepaling, zoals zij op het ogenblik van de feiten van kracht was, kunnen de in § 2, 2° tot 11° bedoelde maatregelen worden bevolen voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt, wanneer het gaat om personen die na de leeftijd van ze-ventien jaar een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.

Bij arrest nr. 60/2012 van 3 mei 2012 heeft het Grondwettelijk Hof verklaard dat artikel 37, § 3, tweede lid, 2°, Jeugdbeschermingswet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het de jongere die op het ogenblik van de feiten ouder is dan zestien jaar maar jonger dan zeventien jaar en ten aanzien van wie ten minste drie maanden vóór zijn meerderjarigheid geen eerder vonnis werd uitge-sproken, het voordeel ontzegt van alle beschermende maatregelen bedoeld in arti-kel 37, § 2, van deze wet.

Het hof van beroep heeft de door de eerste rechter genomen maatregel onwettig verklaard, op grond dat de voormelde bepaling alleen toepasselijk was op de te dezen niet vervulde voorwaarde dat de jongere een als misdrijf omschreven feit zou hebben gepleegd.

Het arrest schendt aldus artikel 37, § 3, tweede lid, 2°, zoals door het Grondwettelijk Hof geïnterpreteerd.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

Het middel, dat de schending aanvoert van artikel 57bis Jeugdbeschermingswet, verwijt het arrest dat het het in de dagvaarding geformuleerde verzoek tot uithan-dengeving afwijst, op grond dat één van de wettelijke voorwaarden niet was ver-vuld.

Krachtens paragraaf 1 van dat artikel kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven en ze, in de twee daarin vermelde gevallen, naar het openbaar ministerie verwijzen met het oog op vervolging. Het eerste heeft betrekking op de persoon die reeds het voorwerp is geweest van een of meerdere van de in artikel 37, § 2bis of 2ter bedoelde maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod bedoeld in de ar-tikelen 37bis tot 37quinquies. Het tweede betreft de feiten vermeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 tot 475 Strafwetboek of de poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 393 tot 397 Strafwet-boek.

Het arrest stelt vast dat de eerste verweerder voor de jeugdrechtbank werd ge-bracht wegens als misdrijf omschreven feiten bedoeld in de artikelen 322 tot 325 en 505 Strafwetboek, en niet wegens feiten omschreven in artikel 57bis, § 1, Jeugdbeschermingswet.

Het arrest, dat erop wijst dat de jongere onbekend was bij de jeugdrechtbank op het ogenblik dat het dossier werd geopend wegens de in de dagvaarding vermelde feiten, oordeelt dat de zaak niet uit handen kan worden gegeven, op grond dat het voormelde artikel vereist dat de persoon reeds het voorwerp is geweest van een maatregel of van een herstelrechtelijk aanbod, nog vóór het feit werd gepleegd waarvoor hij voor de jeugdrechtbank wordt gebracht.

Zoals uit de parlementaire voorbereiding blijkt, heeft de in het middel bedoelde bepaling tot doel om, behoudens extreme gevallen, het effect van een maatregel op de persoonlijkheid van een jongere behoorlijk te kunnen evalueren. Er blijkt niet dat de wetgever, wat het eerste geval betreft, de uithandengeving heeft willen beperken tot het geval waarin de minderjarige nieuwe als misdrijf omschreven fei-ten zou hebben gepleegd nadat hij het voorwerp van een beschermende maatregel of van een bemiddelingsaanbod is geweest.

Het arrest dat van het tegendeel uitgaat, schendt de in het middel bedoelde bepa-ling door daaraan een voorwaarde toe te voegen die er niet in staat.

Het onderdeel is gegrond.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering tegen G. M., de vader van G. G. M.

Het arrest werd ten aanzien van die verweerder bij verstek gewezen en hij kan er verzet tegen aantekenen. Aangezien het cassatieberoep op 4 januari 2013 is inge-steld, dus vóór het verstrijken van de bij de artikelen 187, eerste en derde lid, en 208, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn om verzet aan te te-kenen, is het voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de strafvordering die tegen de eerste en derde verweerder is ingesteld, behalve in zoverre het de als misdrijf omschreven feiten ten aanzien van de minderjarige bewezen verklaart.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van in-beschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 13 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gerechtelijke bescherming

  • Als misdrijf omschreven feiten

  • Jongere die op het ogenblik van de feiten ouder is dan zestien jaar maar jonger dan zeventien jaar

  • Onmogelijkheid om van alle beschermende maatregelen te genieten

  • Grondwettelijkheid