- Arrest van 14 maart 2013

14/03/2013 - C.12.0256.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de uitlegging door het Benelux-Gerechtshof van de uitsluitingen van de verzekering bepaald in artikel 3, §1, van de gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, waarmee het voormelde artikel 3, §1, van de wet van 21 nov. 1989 overeenstemt, volgt dat het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds bij diefstal van het voertuig alleen dekking verschuldigd is wanneer bewezen is dat de schade van de benadeelde berokkend werd door een verkeersongeval dat veroorzaakt werd door de dader of een van de daders van de diefstal of door een persoon die van het voertuig gebruik heeft gemaakt, in de wetenschap dat het gestolen was (1). (1) BenGH, arrest A 88/3 van 26 juni 1989, http://www.courbeneluxhof.eu/ en De Verz., 1990, p. 105; zie Cass. 15 mei 2003, AR C.02.0297.F, AC 2003, nr. 296 en Cass. 22 jan. 2009, AR C.06.0372.F, AC 2009, nr. 54.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0256.F

WAALS GEWEST,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, onderlinge verze-keringsvereniging,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 13 januari 2009 van het hof van beroep te Bergen.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 3, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de ver-plichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen moet de verzekering waarborgen dat benadeelden schadeloosgesteld worden in geval van burgerrechte-lijke aansprakelijkheid van de eigenaar, van iedere houder en van iedere bestuur-der van het verzekerde motorrijtuig, met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft.

Volgens artikel 80, § 1, 3°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals het op het geschil van toepassing is, kan elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds de vergoeding verkrijgen van de schade voortvloeiende uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de bur-gerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting.

Krachtens artikel 19, § 1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 hou-dende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen vergoedt het fonds de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt in de in voormeld artikel 80, § 1, bepaalde gevallen.

Het Benelux-Gerechtshof heeft bij arrest A 88/3 van 26 juni 1989 geoordeeld dat "de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, als omschreven in artikel 3, § 1, van de gemeenschappelijke bepalingen [behorende bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, waarmee het voormelde artikel 3, § 1, van de wet van 21 november 1989 overeenstemt], de burgerrechtelijke aansprakelijkheid moet dekken van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig; dat die verzekering vóór alles ter bescherming van de benadeelde dient; dat, blijkens voormelde bepaling en naar de bewoordingen van de desbetreffende Gemeenschappelijke Toelichting, de verzekering een zeer ruime strekking heeft, in dier voege dat van de verzekering slechts mag worden uitgesloten de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die zich door diefstal of geweldpleging van het motorrijtuig meester heeft gemaakt en van degene die zonder geldige reden van het voertuig gebruik maakt in de wetenschap dat het gestolen is; dat daaruit volgt dat uitsluiting van de verzekering eerst dan geoorloofd is wanneer vaststaat dat aan één van de voormelde voor uitsluiting gestelde voorwaarden is voldaan; dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van een bestuurder van het gestolen verzekerde voertuig van wie niet blijkt, door welke oorzaak ook, dat hij zich in één van de bij artikel 3, § 1, bepaalde uitzonderingsgevallen bevindt, van de verzekering niet uitgesloten mag worden; [...] dat [derhalve] voormeld artikel 3, § 1, voor zover het van verplicht te verzekeren dekking uitsluit ‘hen die zich door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig hebben verschaft', niet in die zin kan worden uitgelegd dat mede van de verplicht te verstrekken dekking wordt uitgesloten de aansprakelijkheid van de bestuurder die met het motorrijtuig, waarvan vaststaat dat het korte of langere tijd voordien was gestolen, de schade heeft veroorzaakt en door welke oorzaak ook onbekend is gebleven".

Uit die uitlegging van de in voormeld artikel 3, § 1, bepaalde uitsluitingen van de verzekering volgt dat het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds bij diefstal van het voertuig alleen dekking verschuldigd is wanneer bewezen is dat de schade van de benadeelde berokkend werd door een verkeersongeval dat veroorzaakt werd door de dader of een van de daders van de diefstal of door een persoon die van het voertuig gebruik heeft gemaakt, in de wetenschap dat het gestolen was.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het litigieuze ongeval door een heler kon zijn veroorzaakt; het middel verwijt het arrest niet dat het die hypothese noch uitgesloten noch onderzocht heeft.

Het arrest dat, na te hebben vermeld dat niet betwist wordt dat het in het kanaal van Blaton teruggevonden voertuig was gestolen, op grond van een feitelijke be-oordeling van de gegevens van de zaak beslist "dat niet met de vereiste zekerheid is aangetoond dat de dief het betwiste voertuig zelf in de waterweg zou hebben ge-stort", verantwoordt naar recht zijn beslissing om verweerders vordering tot ver-goeding niet-gegrond te verklaren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Gustave Steffens, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 14 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds

  • Schade

  • Gestolen motorrijtuig

  • Vergoedingsplicht