- Arrest van 15 maart 2013

15/03/2013 - F.11.0137.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 287, eerste lid, b), WIB92, dat de wijze bepaalt waarop het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting wordt berekend, doet geen afbreuk aan het beginsel van de vermijding van dubbele belasting vervat in artikel 23.3, b), van het dubbelbelastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika, maar wijzigt de concrete modaliteiten in functie van de globale schuldfinancieringsgraad van de vennootschap; deze laatste bepaling vormt derhalve geen beletsel voor de toepassing van artikel 287, eerste lid, b), WIB92. (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0137.N

DECEUNINCK nv, met zetel te 8800 Roeselare, Brugsesteenweg 374,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur van het Controlecentrum Roeselare, met kantoor te 8800 Roeselare, Ronde-komstraat 30,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 19 april 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 19 november 2012 een schriftelijk conclu-sie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 december 2009 houdende fiscale bepalingen, bepaalt dat, in afwijking van artikel 2 van die wet en voor de aansla-gen die de rechter vóór de inwerkingtreding van deze wet geheel of ten dele nietig heeft verklaard, om een andere reden dan verjaring, de subsidiaire aanslagen die voorgelegd worden na de sluiting van de debatten door een aan de belastingschul-dige betekend verzoekschrift overeenkomstig artikel 356 WIB92 zoals het be-stond voor het is gewijzigd door artikel 2 van deze wet of artikel 261 WIB64, gel-dig aan het oordeel van de rechter worden onderworpen op voorwaarde dat de procedures zijn ingeleid binnen zes maanden vanaf de rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, en dat deze bepaling onmiddellijk van toepassing is.

2. De appelrechters hebben artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 december 2009 niet kunnen schenden door deze wettelijke bepaling toe te passen op een in deze wettelijke bepaling uitdrukkelijk beoogde procedure.

Het onderdeel dat van de tegengestelde opvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel gaat uit van de veronderstelling dat de eiseres zonder de wetswijziging vervat in artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 december 2009, de vraag naar de ongrondwettigheid van de litigieuze subsidiaire aanslag kon voorleggen aan het Grondwettelijk Hof.

4. Het onderdeel gaat aldus uit van de verkeerde opvatting dat het Grondwettelijk Hof bevoegd is om uitspraak te doen over de beweerde ongrondwettigheid van een individuele belastingaanslag.

Het onderdeel faalt naar recht.

Derde onderdeel

5. Vermits de wijziging vervat in artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 de-cember 2009 geen verband houdt met de grond van de betwisting, maar enkel met de rechtspleging, gaat het onderdeel uit van de verkeerde veronderstelling dat de Belgische wetgever in het beoordeeld geval is tussengekomen en op een beslis-sende wijze de grond van het geschil heeft beslecht in zijn voordeel, nadat hij de rechtsstrijd reeds had verloren.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

6. Artikel 23.3, b), van de overeenkomst van 9 juli 1970 tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belas-ting en tot het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, bepaalt: "Indien een verblijfhouder van België Dividenden ontvangt waarop artikel 10, paragraaf 2 van toepassing is en die niet vrijgesteld zijn ingevolge subparagraaf d) hierna, of interesten waarop artikel 11, paragraaf 2 of 8 (Interest) van toepassing is, of royalty's waarop artikel 12, paragraaf 5 van toepassing is, verleent België op de belasting naar die inkomsten een vermindering rekening houdend met de in de Verenigde Staten betaalde belasting. Die vermindering wordt toegestaan op de belasting in verband met het nettobedrag van de dividenden van Amerikaanse vennootschappen, alsmede van de interesten en royalty's uit bronnen in de Verenigde Staten, die aldaar werden belast; de vermindering stemt overeen met het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting, bepaald volgens de thans van kracht zijnde Belgische wetgeving en met inachtneming van elke latere wijziging die geen afbreuk doet aan het principe daarvan."

7. Artikel 287, eerste lid, b), WIB92, bepaalt: "Met betrekking tot inkomsten van roerende goederen en kapitalen niet zijnde dividenden en niet zijnde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen en kapitalen, wordt het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting bepaald volgens het product: (...) b) en van een breuk waarvan de teller gelijk is aan het positieve verschil tussen het totale bedrag van de noemer en het totale bedrag van de inkomsten van roerende goederen en kapitalen, met uitsluiting van dividenden, die de vennootschap in het belastbaar tijdperk heeft gedragen en waarvan de noemer gelijk is aan de som van het totale bedrag van de inkomsten van onroe-rende goederen, roerende goederen en kapitalen en van het totale brutobedrag van de beroepsinkomsten met uitsluiting van al dan niet verwezenlijkte meerwaarden".

8. Deze bepaling doet geen afbreuk aan het beginsel van de vermijding van dubbele belasting vervat in voormeld artikel 23.3, b), van de overeenkomst van 9 juli 1970 maar wijzigt de concrete modaliteiten in functie van de globale schuldfi-nancieringsgraad van de vennootschap.

9. Voormeld artikel 23.3, b), vormt derhalve geen beletsel voor de toepassing van voormeld artikel 287, eerste lid, b, WIB92 zoals gewijzigd door de wet van 22 juli 1993.

Het middel dat uitgaat van tegenovergestelde opvatting, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 204,81 euro en voor de verweerder op 84,69 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 15 maart 2013 uitgesproken door afdelings-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bij-stand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche F. Van Volsem G. Jocqué

B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting

  • Berekeningswijze

  • Beginsel van de vermijding van dubbele belasting

  • Verenigbaarheid