- Arrest van 18 maart 2013

18/03/2013 - C.12.0031.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de feitenrechter de vreemde wet toepast, moet hij de draagwijdte ervan bepalen door rekening te houden met de uitlegging die eraan gegeven wordt in het land van oorsprong (1) (2). (1) Zie de concl. O.M., in Pas., 2013, nr. ... (2) Cass. 12 jan. 2009, AR C.07.0269.F – C.07.0284.F, AC 2009, nr. 21.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0031.F

LA GÉNÉRALE DES CARRIERES ET DES MINES, (GECAMINES), ven-nootschap naar Congolees recht,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. R. L.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. UMICORE nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 29 september 2011.

De zaak is bij beschikking van 4 maart 2013 door de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 1 maart 2013 een conclusie ter griffie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert één middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1 en 152, inzonderheid eerste lid, a), van de 'Code du travail de la République démocratique du Congo' die de bijlage vormt van de Congolese besluitwet nr. 67/310 van 9 augustus 1967 houdende de 'Code du travail', zoals van kracht vóór de opheffing ervan bij de Congolese wet nr. 015/2002 van 16 oktober 2002;

- artikel 33 van hoofdstuk III van titel 1 van het Congolese decreet van 30 juli 1888 'traitant des contrats ou obligations conventionnelles' (vert.: betreffende overeenkomsten of verbintenissen uit overeenkomst);

- artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 2 en 3 van de wet van 14 juli 1987 houdende goedkeuring van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, van het Protocol en van twee Gemeenschappelijke Verklaringen, opgemaakt te Rome op 19 juni 1980;

- de artikelen 15 en 98 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht;

- de artikelen 3 en 4 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, goedgekeurd bij de wet van 14 juli 1987.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt eerst vast dat de verweerder en de eiseres een arbeidsovereenkomst gesloten hebben, een zogeheten "dienstovereenkomst", die bepaalt dat de geschillen tussen de partijen volgens het Congolese recht beslecht zullen worden en beslist vervolgens dat de vraag van de verweerder in zijn aangetekend schrijven van 5 juni 2000 en in zijn gedinginleidende dagvaarding van 16 oktober 2000 om zijn loon van de maand mei 1999 uitbetaald te krijgen, niet verjaard is en veroordeelt, bij bevestiging van het beroepen vonnis, de eiseres in solidum met de verweerster om hem een hoofdsom van 3.395,05 euro te betalen.

Het arrest steunt die beslissing op de volgende redenen:

"(Artikel 152 van het Congolese 'Code du travail') bepaalt:

‘De vorderingen uit de arbeidsovereenkomst verjaren door verloop van drie jaar na het feit waardoor de vordering is ontstaan, met uitzondering van:

vorderingen tot betaling van het loon, die verjaren door verloop van één jaar vanaf de dag waarop het loon verschuldigd is;

vorderingen tot betaling van reis- en vervoerkosten, die verjaren door verloop van twee jaar na de beëindiging van het werk.

De verjaring wordt enkel gestuit door:

een dagvaarding voor het gerecht;

een afsluiting van rekening tussen de partijen met vermelding van het saldo dat aan de werknemer verschuldigd en onbetaald is gebleven;

de klacht van de werknemer bij de werkgever per aangetekende brief met bericht van ontvangst;

de klacht van de werknemer voor de arbeidsinspecteur, onder voorbehoud van de beschikkingen van artikel 201 van dit wetboek';

(Vertaling)

(De verweerder) beweert dat het middel (betreffende de door de eiseres aangevoerde verjaring) onwerkzaam is, aangezien de eenjarige verjaring steunt op een vermoeden van betaling en (de eiseres) toegeeft het litigieuze loon niet te hebben betaald;

De Congolese rechtspraak heeft zich onlangs tweemaal uitgesproken over de aard van die verjaringstermijn;

Zo heeft het hof van beroep te Kinshasa-Gombe beslist dat 'de korte verjaringen, zoals die van de vorderingen tot betaling van de reis- en vervoerkosten', van artikel 317 van de Congolese 'Nouveau Code du travail' dat in dezelfde bewoordingen als artikel 152 is opgesteld, 'steunen op een vermoeden van betaling'; (Vertaling)

Zo heeft ook het hof van beroep te Kinshasa-Matete over een klacht tegen de werkgever, zoals bedoeld in artikel 152, tweede lid, c), beslist dat 'het vermoeden van betaling met die klacht verdwijnt en de schuldvordering onder het stelsel van de dertigjarige verjaring komt te vallen' (vertaling) of, met andere woorden, dat die klacht een verandering van verjaring teweegbrengt, een mechanisme eigen aan verjaringen die steunen op het vermoeden van betaling;

Het hof van beroep refereert in beide gevallen aan de gespecialiseerde doctrine van de heer Muwenyema Lule;

In zijn beknopt handboek voor arbeidsrecht van 1987, plaatst die auteur de verjaring van artikel 152 van de 'Code du travail' in de categorie van de verja-ringen die steunen op een vermoeden van betaling, naar het voorbeeld van de verjaringen bedoeld in de artikelen 652 en volgende van het decreet van 30 juli 1888 'sur les contrats ou obligations conventionnelles' (vertaling: op de overeenkomsten of verbintenissen uit overeenkomst), wegens de korte duur van hun termijn, die verklaard wordt door het feit dat 'aangezien het loon heel stipt op de vervaldag betaald moet worden, de wetgever geoordeeld heeft dat de betaling vermoed wordt na een vrij kort tijdsbestek te zijn gedaan; dat omwille van het le-vensonderhoudend karakter van het loon verondersteld wordt dat de werknemer geen krediet aan zijn werkgever heeft kunnen verlenen'.

Hij was niet als enige die mening toegedaan aangezien de heer Mbaya-Ngang Kumabuenga in een in 1974 gepubliceerd artikel met als titel 'Le problème de la prescription en droit moderne et traditionnel : droit écrit et droit coutumier' (vertaling: Het probleem van de verjaring in modern en traditioneel recht: ge-schreven recht en gewoonterecht) op het volgende wees: 'De termijn van de korte verjaringen varieert door verloop van zes maanden tot twee jaar. Zij puren hun voordeel uit het vermoeden van betaling. Aangezien het immers schulden betreft die in de praktijk snel geregeld raken, vermoed men dat de schuldenaar zijn schuld betaald heeft bij het verstrijken van de termijn. De wet gaat ervan uit dat de schuldeiser betaald werd aangezien hij de betaling niet binnen een korte termijn heeft gevorderd. Zo stelt de Zaïrese 'Code du travail' een vermoeden van één jaar in voor de vorderingen tot betaling van het loon en van twee jaar voor de vorderin-gen tot betaling van de reiskosten' (...)(vertaling);

Het is juist (...) dat de heer Luwenyema Lule zijn analyse bevestigt over de aard van de verjaring ingesteld bij artikel 152 door een rechtspraak die later weerlegd zal worden;

Er dient in dat verband op gewezen te worden dat de verjaring van de vorderingen uit arbeidsovereenkomsten, vóór de onafhankelijkheid van Congo, geregeld werd bij artikel 34 van het 'décret colonial' van 31 oktober 1931 en vervolgens bij artikel 48 van het 'décret colonial' van 25 juni 1949, die allebei bepaalden dat 'de vorderingen uit een arbeidsovereenkomst verjaren door verloop van één jaar na de beëindiging van de overeenkomst' (vertaling);

Aanvankelijk werd de rechtspraak in die zin vastgelegd dat 'als die verjaring de vordering van het loon betreft [betrof]', zij steunde op een vermoeden van betaling, zoals dat van artikel 652 van het Burgerlijk Wetboek, in tegenstelling tot de andere vorderingen uit arbeidsovereenkomsten die van hun kant bevrijdend waren. Zij werd echter weerlegd door een belangrijk arrest van het hof van beroep te Elisabethstad van 22 oktober 1949 dat de samenhang in aanmerking nam van het decreet van 1931 met de Belgische wet van 7 augustus 1922 die een absolute bevrijdende verjaring instelde;

Na de onafhankelijkheid hebben twee teksten achtereenvolgens de verjaring van de vorderingen uit de arbeidsovereenkomst geregeld. Vooreerst bepaalde artikel 101 van het 'décret-loi' van 21 februari 1965 op de arbeidsovereenkomst dat 'de vorderingen die voortspruiten uit een arbeidsovereenkomst verjaren door verloop van één jaar na de beëindiging van de overeenkomst of van drie jaar na het feit waardoor de vordering is ontstaan' (vertaling), en vervolgens, artikel 152 van de 'Code du travail (1967) (vertaling), waarvan de tekst hierboven weergegeven is;

De Congolese rechter bij wie eenzelfde geschil als dat van het hof van [beroep] aanhangig is, zou dus moeten bepalen of artikel 152 van de 'Code du travail', dat een korte verjaringstermijn enkel invoert voor de vorderingen van de werknemers tot betaling van hun loon en reis- en vervoerkosten, die ingaat op de dag waarop het loon en de kosten verschuldigd zijn, al dan niet een rechtstreekse samenhang heeft met de koloniale bepalingen en dus met de hierboven geciteerde rechtspraak;

In de recente Congolese doctrine (2005 en 2008) vindt men inderdaad twee strekkingen:

zij die voor de toepassing van artikel 317 van de 'Nouveau Code du travail' en dus van artikel 152 van de 'Code du travail' voorstander zijn van de rechtspraak die ingang vond na 1949 maar vóór de inwerkingtreding van artikel 152 in de zin van het bevrijdende karakter van de verjaring, zonder die stelling evenwel verder te verantwoorden;

zij die meer bepaald steunen op de rechtspraak van het hof van beroep te Kinshasa van 2004 en 2005 en menen dat de bij artikel 152 ingestelde korte verjaringstermijn impliceert dat zij steunt op een vermoeden van betaling;

De heer Mukadi Bonyi meent aldus dat 'de korte verjaringen, bepaald in de 'Code du travail,' geen bevrijdend karakter hebben; zij doven de loonschuld niet' (vertaling). Hij meent dat 'het de enige oplossing is die in de lijn ligt van de doelstelling van de 'Code du travail': de bescherming van de werknemer. Zij is des te logischer aangezien, in de praktijk, sommige werkgevers al sinds meerdere jaren verzuimen het loon te betalen. Hen ontslaan van hun verplichting om de voornoemde vergoeding te betalen na het verstrijken van een bepaalde tijd zou de bovenvermelde doelstelling ondergraven. Een dergelijke oplossing zou tevens on-billijk en immoreel zijn. Zij zou haaks staan op de strekking van de meeste Franstalige Afrikaanse landen die toestaan dat de korte verjaringen inzake loon steunen op een vermoeden van betaling' (vertaling);

Hoewel dat niet de enige inspiratiebron van de Congolese wetgever was, leest men in de memorie van toelichting die voorafgaat aan de besluitwet van 9 augustus 1967 houdende de 'Code du travail' dat de werkgroep die de tekst van het wetboek heeft opgesteld, zich onder meer liet inspireren door de 'arbeidswetboeken die in talrijke landen van Franstalig Afrika van kracht zijn voornamelijk om, te gepasten tijde, de door de 'Organisation de l'Union africaine' gewenste harmonisering van de sociale wetgevingen door te kunnen voeren';

Het opmerkelijk verschil tussen de tekst van artikel 152 van de 'Code du travail' en die van de koloniale decreten, en tevens de hierboven besproken rechtspraak en doctrine, zet het hof van [beroep] aan zich daarbij aan te sluiten".

Grieven

Eerste onderdeel

(...)

Tweede onderdeel

De rechter, bij wie een geschil aanhangig is dat aan het buitenlands recht onderworpen is krachtens de overeenkomst tussen de partijen, moet dat buitenlands recht toepassen (de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 2 en 3 van de wet van 14 juli 1987, 3 en 4 van het Verdrag van Rome, 98 van het Wetboek van internationaal privaatrecht, 1 van de Congolese 'Code du travail' en 33 van hoofdstuk III van titel 1 van het Congolees decreet) en er de zin en draagwijdte van bepalen. Bij het onderzoeken van de inhoud van de buitenlandse wet moet hij rekening houden met de uitlegging die de buitenlandse overheden en inzonderheid de hoven en rechtbanken van die Staat geven aan dat recht in het land van oor-sprong (toepassing van de voornoemde wettelijke bepalingen en van artikel 15 van het Wetboek van internationaal privaatrecht).

Artikel 152 van de Congolese 'Code du travail' van 1967 spruit onder meer voort uit de koloniale decreten van 31 oktober 1931 en 25 juni 1949, zoals het arrest trouwens vaststelt.

Het stelt ook vast dat, hoewel de rechtspraak betreffende de koloniale decreten aanvankelijk een verjaring voorstond die steunde op een vermoeden van betaling, zij echter weerlegd werd door een arrest van het hof van beroep te Elisabethstad van 22 oktober 1949 dat beslist heeft dat de door artikel 34 van het decreet van 31 oktober 1931 ingevoerde verjaring niet steunt op een vermoeden van betaling maar dat zij bevrijdend en absoluut is. Dat hof [van beroep] neemt de samenhang in aanmerking met de Belgische wet van 7 augustus 1922 die een absolute bevrijdende verjaring instelt en uitdrukkelijk de stelling weerlegt van het vermoeden van betaling afgeleid uit de aard van de verjaring die de Belgische wet van 10 maart 1900 op de arbeidsovereenkomst van de arbeiders heeft ingesteld.

De memorie van toelichting van de Congolese 'Code du travail' onderstreept ongetwijfeld dat de werkgroep zich geïnspireerd heeft op de arbeidswetboeken die van kracht zijn in vele landen van Franstalig Afrika, voornamelijk om, te gepasten tijde, de door de 'Organisation de l'Union africaine' gewenste harmonisering van de sociale wetgevingen door te kunnen voeren. In diezelfde memorie van toelichting verklaart de wetgever echter dat hij zich eerst en vooral geïnspireerd heeft op de teksten die na 30 juni 1960 tot stand zijn gekomen en op de beginselen die in de vroegere wettelijke bepalingen vervat waren ("de tekst van het Wetboek werd opgesteld rekening houdend met de teksten van wetgevende orde die sinds 30 juni 1960 tot stand zijn gekomen enerzijds, en met de teksten uit vroegere, maar aan de omstandigheden aangepaste bepalingen anderzijds, en ten slotte, met de bepalingen van de ontwerpen van het ministerie van Werk en Maatschappelijke Voorzorg (vertaling)", zodanig dat de wetgever niet heeft willen afwijken van het bevrijdend karakter van de verjaring, dat ingesteld is door de koloniale decreten en reeds vóór 1967 erkend werd, meer bepaald vanaf het voornoemde arrest van het hof van beroep te Elisabethstad van 1949.

De Congolese hoven en rechtbanken hebben de lering van dat arrest van het hof van beroep te Elisabethstad gevolgd (met name Lubumbashi, 1 februari 1983; Lubumbashi, 4 februari 1986; Kinshasa, 28 november 1986; Kinshasa-Gombe, 16 augustus 2001, Kinshasa-Gombe, 13 september 2001; Lubumbashi, 25 juni 2003, B.C.D.C. t/ K.) door te beslissen dat de verjaring door verloop van één jaar na de vordering tot betaling van het loon, bepaald bij artikel 34 van het decreet van 31 oktober 1931, artikel 48 van het decreet van 29 juni 1949 en artikel 152, eerste lid, a), van de Congolese 'Code du travail', een absoluut bevrijdend karakter heeft.

Vooreerst is de doctrine geen "buitenlandse overheid" die de draagwijdte en de uitlegging van de wetgeving van haar land mag bepalen. Bovendien is een deel van de recente Congolese doctrine in die zin vastgelegd dat de eenjarige verjaring waarvan sprake een absoluut bevrijdend karakter heeft.

Dat absoluut bevrijdend karakter van de eenjarige verjaring van artikel 152 van de Congolese 'Code du travail', die een bepaling van openbare orde is, wordt nogmaals bevestigd door de tekst zelf van dat artikel die als reden tot stuiting onder meer opgeeft "een afsluiting van rekening tussen de partijen met vermelding van het saldo dat aan de werknemer verschuldigd en niet betaald is". Die "afsluiting van rekening" impliceert een erkenning van niet-betaling door de werkgever en zou geen reden tot stuiting zijn als de eenjarige verjaring, bepaald bij het voornoemde artikel 152, gesteund was op een vermoeden van betaling.

Het arrest dat beslist heeft dat de eenjarige verjaring van artikel 152 van de Congolese 'Code du travail' betreffende de vordering tot betaling van het loon een verjaring is die steunt op een vermoeden van betaling en de eiseres in solidum met de verweerster veroordeelt tot het betalen van het loon van de maand mei 1999 aan de verweerder, neemt hiertoe volgende elementen in aanmerking: 1. twee arresten van het hof van beroep te Kinshasa-Gombe van 12 juli 2005 en van Matete van 23 december 2004 waarvan het zelf vaststelt dat die arresten steunen op de doctrine van de auteur Luwenyema Lule, wiens analyse steunt op een voorbijgestreefde rechtspraak aangezien zij dateert van vóór het arrest van het hof van beroep te Elisabethstad, en 2. een deel van de Congolese doctrine, terwijl het hof van beroep vaststelt dat er binnen de Congolese doctrine twee strekkingen zijn: bevrijdende verjaring en verjaring die steunt op een vermoeden van betaling en dat, op grond dat de doctrine zich aansluit bij de wil van de Congolese wetgever, die verwoord is in de memorie van toelichting die het arrest weliswaar noch in zijn geheel, noch voor het belangrijkste deel overneemt en die aantoont dat de Congolese wetgever van 1967 niet heeft willen afwijken van het bevrijdend karakter van de verjaring en 3. de tekst van artikel 152, zonder rekening te houden met die bepaling in haar geheel, met inbegrip van de redenen tot stuiting.

Het arrest past bijgevolg artikel 152, inzonderheid eerste lid, a), van de Congolese 'Code du travail' niet toe volgens de uitlegging die het moet krijgen rekening houdend met de tekst van artikel 152, met de reële wil van de wetgever en de beslissingen van de Congolese hoven en rechtbanken en schendt bijgevolg die wettelijke bepaling. Bovendien voert de eiseres voor zoveel nodig de schending aan van alle andere wettelijke bepalingen in de aanhef van het middel, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede onderdeel

Wanneer de feitenrechter de buitenlandse wet toepast, moet hij de draagwijdte er-van bepalen door rekening te houden met de uitlegging die eraan gegeven wordt in het land van oorsprong.

Het Hof gaat na of de beslissing van de feitenrechter overeenstemt met de uitleg-ging ervan.

Luidens artikel 152, eerste lid, 1), van de Congolese ‘Code du travail'' verjaren de vorderingen uit de arbeidsovereenkomst door verloop van drie jaar na het feit waardoor de vordering is ontstaan, met uitzondering van vorderingen tot betaling van het loon, die verjaren door verloop van één jaar na de dag waarop het loon verschuldigd is.

Het arrest dat met de in het middel weergegeven en aangevochten redenen gewag maakt van de controverse die de uitlegging van die wettelijke bepaling in Congo teweegbrengt, beslist zich te scharen achter de uitlegging volgens welke de verja-ring die zij instelt steunt op een vermoeden van betaling en refereert hiertoe aan de wetgevende evolutie ter zake, aan de memorie van toelichting van de Congolese ‘Code du travail', aan de Congolese doctrine en aan de recente rechtspraak van de hoven van beroep te Kinshasa-Gombe en te Kinshasa-Matete.

Uit het onderzoek van de uitlegging waarop het middel steunt, blijkt niet dat het arrest aan het voornoemde artikel 152, eerste lid, a), een uitlegging geeft die, gelet op de verdeeldheid binnen de Congolese rechtspraak, kennelijk niet overeenstemt met de uitlegging die de bepaling in Congo krijgt.

Geen enkel onderdeel kan worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 18 maart 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Uitlegging

  • Bevoegdheid van de rechter