- Arrest van 18 maart 2013

18/03/2013 - S.11.0068.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De Belgische internationale openbare orde belet in de regel niet de erkenning in België van de gevolgen van een huwelijk dat een echtpaar in het buitenland geldig is aangegaan overeenkomstig hun nationale wet terwijl één echtgenoot, op het ogenblik van dat huwelijk, reeds gebonden was door banden uit een nog niet ontbonden huwelijk dat in het buitenland in dezelfde omstandigheden voltrokken werd met een persoon wiens nationale wet de polygamie toestaat; het bestreden arrest dat verwijst naar de omstandigheid dat de eerste echtgenote na de tweede verbintenis van haar echtgenoot, de Belgische nationaliteit heeft verworven, die zij bezat zowel bij zijn overlijden als toen de tweede echtgenote een aanvraag voor een overlevingspensioen heeft ingediend, en tevens naar het feit dat de eerste echtgenote sinds meer dan 40 jaar in België gevestigd is, waar zij met haar echtgenoot geleefd heeft tot zijn overlijden, verantwoordt door geen van beide verwijzingen naar recht zijn beslissing dat de Belgische internationale openbare orde de erkenning in België belet van de maatschappelijke gevolgen van het tweede huwelijk (1). (1) Zie de concl. O.M., in Pas., 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0068.F

RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

H. H.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 17 februari 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 27 februari 2013 een conclusie ter griffie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert één middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 24, inzonderheid § 2, van het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende de sociale zekerheid, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, en, voor zoveel nodig, het enige artikel van die wet;

- artikel 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht;

- de artikelen 2, 15, 21, 46 en 127 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht;

- artikel 570, inzonderheid tweede lid, 1° en 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 16 juli 2004;

- de artikelen 30 en 31 van de ''Code du statut personnel et des successions' (Moudawana) van het koninkrijk Marokko, waarvan de boeken I en II (met voormelde artikelen) uitgevaardigd werden door het koninklijk decreet nr.1-57-343 van 22 november 1957, zoals destijds van kracht vóór de wijziging ervan bij het koninklijk decreet nr. 1-93-347 van 10 september 1993 en vóór de opheffing ervan bij artikel 397 van de 'Code de la famille vervat in de wet nr. 70-03 uitgevaardigd door het koninklijk decreet nr. 1-04-22 van 3 februari 2004;

Aangevochten beslissingen

Het arrest wijzigt het beroepen vonnis en verklaart dat de verweerster vanaf 1 september 2004 recht heeft op het volledige overlevingspensioen dat haar verschuldigd is als gevolg van het overlijden van C. H. en veroordeelt bijgevolg de eiser om haar het bedrag te betalen dat overeenstemt met de helft van het overlevingspensioen dat haar sinds 1 oktober 2008 ontzegd is, vermeerderd met de moratoire interest tegen de wettelijke rentevoet en de kosten, op grond van alle redenen die geacht worden hier integraal te zijn weergegeven en in het bijzonder om de volgende redenen:

"Artikel 21 van het Wetboek van internationaal privaatrecht bevestigt de mogelijkheid om een buitenlands recht (of een instelling naar buitenlands recht) te weigeren toe te passen in naam van de openbare orde. Die bepaling luidt als volgt:

‘De toepassing van een bepaling uit het door deze wet aangewezen buitenlands recht wordt geweigerd voor zover zij tot een resultaat zou leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Bij de beoordeling van deze onverenigbaarheid wordt inzonderheid rekening gehouden met de mate waarin het geval met de Belgische rechtsorde is verbonden en met de ernst van de gevolgen die de toepassing van dat buitenlands recht zou meebrengen.

Wanneer een bepaling van buitenlands recht niet wordt toegepast wegens deze onverenigbaarheid, wordt een andere relevante bepaling van dat recht of, indien nodig, van Belgisch recht toegepast.'

Volgens de Belgische doctrine en rechtspraak 'is een wet van nationale openbare orde alleen dan van internationale openbare orde wanneer de wetgever door de bepalingen van die wet een beginsel heeft willen vastleggen dat, naar zijn oordeel, essentieel is voor de gevestigde morele, politieke en economische orde in België en dat, om die reden, noodzakelijkerwijs elke toepassing in België van een tegengestelde of verschillende rechtsregel van vreemd recht uitsluit' (conclusie van procureur-generaal Velu, toen advocaat-generaal, vóór Cass., 2 april 1981, Pas., 1980-1981, p. 870, refererend aan Cass., 4 mei 1950, I, 624, en 25 oktober 1979, AC, 1979-1980, p. 136);

Volgens het Hof van Cassatie, moet 'de rechter alleen nagaan of de mogelijke juridische gevolgen van de toepasselijk verklaarde vreemde rechtsregel verenigbaar zijn met de internationale openbare orde' (Cass., 2 april 1981, AC, 1980-1981, p. 870)

Men erkent inderdaad dat 'het voorwerp van de exceptie van openbare orde niet het vreemde recht is als dusdanig maar wel de mogelijke gevolgen van dat recht in het land dat het in principe toepasselijk verklaard heeft en waar ze onverenigbaar worden geacht met de openbare orde van dat land' (zie, Luik, 23 april 1970 en G. van Hecke, 'Le mariage polygamique devant les tribunaux belges', R.C.J.B., 1971, 7; Fr. Rigaux en M. Fallon, Droit international privé, Précis de la faculté de droit de l'Université catholique de Louvain, 3e uitgave, 2005, 307; Wetsvoorstel houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, (Gedr. St., Senaat, buitengewone zitting 2003, nr. 3-27/1, ¬p. 28);

Het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende de sociale zekerheid, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 bepaalt in artikel 24, § 2, dat 'het weduwenpensioen eventueel, gelijkelijk en definitief, verdeeld wordt onder de gerechtigden, in de voorwaarden die zijn bepaald in het persoonlijk statuut van de verzekerde';

Die bepaling heeft niet tot gevolg dat de verdeling van het overlevingspensioen in alle gevallen van polygamie verantwoord is; verdeling is alleen dan mogelijk wanneer de exceptie van internationale openbare orde niet indruist tegen de erkenning van de toestand van polygamie;

Het Grondwettelijk Hof heeft in die zin erop gewezen dat 'door het mogelijk te maken rekening te houden met het persoonlijk statuut van de Marokkaanse werknemer, artikel 24, § 2, van het Verdrag toepassing maakt van een regel van het internationaal privaatrecht, overgenomen in artikel 21 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, die aanvaardt dat, in België, de gevolgen van in het buitenland aangegane huwelijken kunnen worden erkend overeenkomstig het persoonlijk statuut van de echtgenoten en onder voorbehoud dat die gevolgen de Belgische internationale openbare orde niet verstoren, wat de verwijzende rechter in concreto moet nagaan' (GwH, arrest nr. 84/2005 van 4 mei 2005, punt B.5; arrest nr. 96/2009 van 4 juni 2009);

Zo kan het polygaam huwelijk, zelfs als het algemeen verdrag betreffende de sociale zekerheid van toepassing is, verworpen worden wanneer de concrete gevolgen van de erkenning ervan de Belgische rechtsorde al te zeer verstoren, voornamelijk wanneer één of meer partijen een nauwe band met België onderhouden (zie E. Alofs en D. Cuypers, 'De doorwerking van polygamie in de Belgische rechtsorde, in het bijzonder in de Belgische sociale zekerheid: een status quaestionis na de arresten van het Grondwettelijk Hof van 4 mei 2005 en 4 juni 2009', R.D.S., 2009, 565);

In een zaak waarin een tweede huwelijk dat in Marokko was gesloten, werd tegengesteld aan een weduwe van Belgische nationaliteit, heeft het Hof van Cassatie hetvolgende beslist:

'De Belgische internationale openbare orde verzet zich tegen erkenning, in Belgïe, van de gevolgen van een geldig in het buitenland gesloten huwelijk, wanneer een van de echtgenoten, op het tijdstip van dat huwelijk, reeds een nog niet ontbonden huwelijk is aangegaan met een persoon wiens nationale wet polygamie niet toestaat.

Het arrest, dat zowel op grond van eigen redenen als van redenen van het beroepen vonnis die het overneemt, vaststelt dat de eiseres en haar overleden echtgenoot, beiden van Marokkaanse nationaliteit, in Marokko zijn gehuwd terwijl diens voorgaande huwelijk met een Belgische vrouw nog niet was ontbonden, verantwoordt zijn beslissing om geen enkel gevolg aan dit tweede huwelijk te verlenen, naar recht' (Cass., 3 december 2007, S.06.0088.F; zie C. Henricot, 'Les effets du mariage polygamique sur l'octroi de droits sociaux', Rev. tr. dr. fam., 2008, 838; J.-Y. Carlier; 'Quand l'ordre public fait désordre. Pour une interprétation nuancée de l'ordre public de proximité en droit international privé. À propos de deux arrêts de cassation relatifs à la polygamie et à la répudiation', R.G.D.C., 2008, 530);

'Ainsi été consacrée la doctrine - dite de "proximité" - selon laquelle l'éviction du droit étranger normalement compétent ne dépend pas seulement de la nature et de l'étendue des effets réclamés, il faut aussi mesurer l'intensité du rattachement au droit du for' (Fr. Rigaux en M. Fallon, Droit international privé, Précis de la faculté de droit de l'Université catholique de Louvain, 3e uitgave, 2005, 323-324);

Met andere woorden, hoe nauwer de band met België, hoe makkelijker een partij zich kan beroepen op de exceptie van openbare orde;

Toepassing op onderhavig geval

Het staat niet aan het arbeidshof om het geldig, in Marokko gesloten tweede huwelijk van C. H., als dusdanig, te veroordelen;

Het [arbeids]hof moet enkel uitspraak doen over de weerslag van dat huwelijk op het recht op een overlevingspensioen: in principe belet niets hier rekening te houden met een tweede huwelijk;

Er moet evenwel rekening gehouden worden met de banden van [de verweerster] met België;

De [verweerster] die sinds 1968 in België leeft, heeft op 29 augustus 2001 de Belgische nationaliteit verworven;

Zodoende had [de verweerster] dus de Belgische nationaliteit op het ogenblik dat de tweede echtgenote het bestaan van een niet geldig ontbonden huwelijk heeft aangevoerd met het oog op de verdeling van het overlevingspensioen;

Zij kon dus aanvoeren dat die tweede verbintenis indruist tegen de internationale openbare orde van het land waarvan zij onderdaan is en zich zodoende verzetten tegen de gevolgen - ook inzake sociale zekerheid - van die tweede verbintenis ten opzichte van haar;

[De eiser] had bijgevolg geen rekening moeten houden met het vroegere huwelijk tussen C. H. en mevrouw C.;

De toestand van [de verweerster] verschilt niet fundamenteel van de situatie die aanleiding gaf tot het arrest van het Hof van Cassatie van 3 december 2007;

Het maakt niets uit dat [de verweerster], op het tijdstip waarop het tweede huwelijk gesloten werd, de Belgische nationaliteit nog niet had;

Om de gevolgen van het tweede huwelijk te beoordelen, moet men immers teruggaan naar het tijdstip waarop het recht op het overlevingspensioen (namelijk bij het overlijden van C. H.) ontstaan is, zelfs naar het tijdstip waarop de tweede echtgenote haar pensioenaanvraag heeft ingediend;

Maar [de verweerster] had de Belgische nationaliteit zowel op het tijdstip van het overlijden als op dat van de aanvraag voor het overlevingspensioen;

Voor zoveel nodig, merkt men op dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 3 december 2007 verwezen heeft naar het feit dat de nationale wet van de eerste echtgenote polygamie niet toestaat (dus op het ogenblik van het tweede huwelijk) terwijl het in de gegeven omstandigheden uitsluitend had kunnen verwijzen naar het feit dat het eerste huwelijk volgens de Belgische wet gesloten was;

Daaruit kan men afleiden dat het Hof van Cassatie een ruime definitie heeft willen vastleggen van de openbare orde met de nauwste banden, toegespitst op het criterium van de nationaliteit (J.Y. Carlier, op. Cit. 530);

De nauwste band vloeit in casu evenwel niet voort uit de nationaliteit maar ook uit het feit dat [de verweerster] sinds meer dan veertig jaar in België is gehuisvest en er met haar echtgenoot heeft geleefd tot aan zijn overlijden; op grond van een beoordeling in concreto van de banden van [de verweerster] met België en niet wegens een vermeende 'nationale voorkeur', mogen er dus geen maatschappelijke gevolgen aan het tweede huwelijk van C. H. worden gegeven;

Het hoger beroep is gegrond".

Grieven

In principe worden de voorwaarden voor de geldigheid van het huwelijk voor elke echtgenoot beheerst door het recht van de Staat waarvan hij bij de voltrekking van het huwelijk de nationaliteit heeft.

De regel staat thans verwoord in artikel 46, eerste lid, van het Wetboek van internationaal privaatrecht, hoewel die tekst niet van toepassing is op een huwelijk dat voltrokken is vóór de inwerkingtreding ervan, maar enkel op de uitwerking van zo'n huwelijk na de inwerkingtreding ervan, volgens artikel 127, § 1 van datzelfde wetboek.

Diezelfde regel was evenwel vroeger van toepassing en vloeide toen voort uit artikel 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

De vraag of een echtgenoot, die een onderdaan is van een land dat polygamie toestaat, een tweede wettelijk huwelijk heeft kunnen sluiten ressorteert dus enkel onder de nationale wet van die echtgenoot.

De artikelen 30 en 31 van de 'Code du statut personnel et des successions du royaume du Maroc', van kracht op het tijdstip van het huwelijk van C. H. met de verweerster en met mevrouw N. C., stonden de polygamie toe.

Het arrest erkent trouwens uitdrukkelijk dat het tweede huwelijk van C. H. met me-vrouw N. C. geldig in Marokko voltrokken werd.

De geldigheid van een polygaam huwelijk, zoals te dezen, belet niet dat een bepaalde uitwerking van dat huwelijk niet wordt toegepast wegens de onverenigbaarheid ervan met de Belgische internationale openbare orde. In deze zaak beoogt men het recht op het overlevingspensioen wegens het overlijden van de echtgenoot, C. H.. Artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende de sociale zekerheid, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970 bepaalt dienaangaande dat het weduwenpensioen eventueel, gelijkelijk en definitief verdeeld wordt onder de gerechtigden, in de voorwaarden die zijn bepaald in het persoonlijk statuut van de verzekerde. Daaruit volgt dat de echtgenotes van een Marokkaanse onderdaan in principe elk aanspraak kunnen maken op het overlevingspensioen van hun overleden echtgenoot.

De rechter die de verenigbaarheid beoordeelt van de gevolgen van een buitenlands recht met de Belgische internationale openbare orde, moet rekening houden met de mate waarin de situatie aanleunt bij de Belgische rechtsorde en met de ernst van het gevolg dat de toepassing van dat buitenlands recht zou genereren.

De Belgische internationale openbare orde belet in de regel niet de erkenning, in België, van de gevolgen van een huwelijk dat geldig in het buitenland is aangegaan door echtgenoten overeenkomstig hun nationale wet waarvan één echtgenoot, op het ogenblik van dat huwelijk, reeds gebonden was door banden uit een nog niet ontbonden huwelijk dat ook in het buitenland in dezelfde omstandigheden is aangegaan met een persoon wiens nationale wet de polygamie toestaat.

Als de eerste echtgenote de nationaliteit had van een land dat het polygaam huwelijk aanvaardt op het tijdstip dat het tweede huwelijk voltrokken wordt, staat integendeel a priori geenszins de erkenning in de weg van de gevolgen ervan in de Belgische interne rechtsorde.

Het arrest erkent impliciet, maar zeker, dat de eerste echtgenote, op het tijdstip van het tweede huwelijk, de Marokkaanse nationaliteit had.

De omstandigheid dat de eerste echtgenote, na de voltrekking van het tweede huwelijk, de nationaliteit van een ander land heeft verworven, desgevallend van België, waar het recht geen polygaam huwelijk toestaat, heeft niet tot gevolg dat de erkenning van het tweede huwelijk onverenigbaar wordt verklaard met de Belgische internationale openbare orde.

Het arrest dat het tegendeel beslist en aan het tweede huwelijk van C. H., dat geldig in Marokko voltrokken werd, een gevolg ontzegt dat betrekking heeft op de voordelen van sociale zekerheid die daaruit voortvloeien, op grond dat zijn eerste echtgenote nadien de Belgische nationaliteit verworven heeft, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 3, van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 2, 15, 21, 46 en 127 van het Wetboek van internationaal privaatrecht en ook de artikelen 30 en 31 van de 'Code du statut personnel et des successions marocain' en van artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid tweede lid, 1° en 2°).

De in het arrest ook aangevoerde omstandigheden dat de verweerster sinds meer dan veertig jaar in België gehuisvest is en er met haar echtgenoot tot diens overlijden heeft gewoond, volstaan niet om de beslissing naar recht te ver-antwoorden dat aan het tweede huwelijk, dat de overleden echtgenoot geldig in Marokko voltrokken heeft, een gevolg ontzegt dat betrekking heeft op de voordelen van sociale zekerheid die daaruit voortvloeien.

In zoverre het arrest aan mevrouw N. C. het deel van het overlevingspensioen ont-zegt dat haar verschuldigd is als gevolg van het overlijden van haar echtgenoot C. H., schendt het bijgevolg ook artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende de sociale zekerheid, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, en voor zoveel nodig, het enige artikel van die wet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

De door de verweerster aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is onduidelijk

Het middel voert voldoende nauwkeurig aan dat het arrest zijn beslissing met geen enkele overweging naar recht verantwoordt dat de Belgische internationale open-bare orde de erkenning, in België, belet van de gevolgen van het huwelijk dat de overleden echtgenoot van de verweerster in Marokko is aangegaan terwijl hun huwelijk nog niet ontbonden was.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

Het arrest stelt vast dat de verweerster, die in 1940 geboren is in Marokko, daar gehuwd is in 1958 met C. H., die op 12 augustus 2004 overleden is; dat laatstge-noemde in Marokko een tweede huwelijk was aangegaan dat op 22 juli 1996 ont-bonden werd door een echtscheiding waarvan de eerste rechter beslist heeft dat die niet kon worden erkend in België, en dat de verweerster zich verzet tegen de beslissing van de eiser om haar overlevingspensioen te beperken wegens een soortgelijk pensioen dat aan die tweede echtgenote werd toegekend.

Krachtens artikel 3, derde lid, Burgerlijk Wetboek, van toepassing op het tijdstip dat de echtgenoot van de verweerster opnieuw in het huwelijk is getreden, wor-den de voorwaarden voor de geldigheid van het huwelijk voor iedere echtgenoot geregeld door de Staat waarvan hij de nationaliteit heeft op het tijdstip van de voltrekking van het huwelijk.

Het arrest oordeelt, en het wordt hierin niet tegengesproken, dat "het niet staat aan het arbeidshof om het tweede huwelijk dat [C.] H. geldig in Marokko was aangegaan, als dusdanig te veroordelen".

De Belgische internationale openbare orde belet in de regel niet de erkenning, in België, van de gevolgen van een huwelijk dat geldig in het buitenland is aange-gaan door echtgenoten overeenkomstig hun nationale wet waarvan één echtge-noot, op het ogenblik van dat huwelijk, reeds gebonden was door banden uit een nog niet ontbonden huwelijk dat ook in het buitenland in dezelfde omstandighe-den is aangegaan met een persoon wiens nationale wet de polygamie toestaat.

Het bestreden arrest dat verwijst naar de omstandigheid dat de verweerster na de tweede verbintenis van haar echtgenoot, de Belgische nationaliteit heeft verwor-ven, die zij bezat zowel bij zijn overlijden als toen de tweede echtgenote van laatstgenoemde een aanvraag voor een overlevingspensioen heeft ingediend, en tevens naar het feit dat de verweerster sinds meer dan 40 jaar in België gevestigd is waar zij met haar echtgenoot heeft gewoond tot aan zijn overlijden, verant-woordt niet naar recht zijn beslissing dat de Belgische internationale openbare or-de de erkenning in België belet "van de maatschappelijke gevolgen van het tweede huwelijk van [C.] H.".

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de bestreden beslissing, behalve in zoverre dat het hoger beroep ont-vankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Gelet op artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt de eiser in de kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 18 maart 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Huwelijk

  • Polygamie

  • Eerste huwelijk niet ontbonden

  • Internationale openbare orde

  • Tweede huwelijk

  • Erkenning

  • Voorwaarden

  • Gevolgen

  • Maatschappelijke gevolgen

  • Overlevingspensioen