- Arrest van 18 maart 2013

18/03/2013 - S.12.0084.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verjaring is een wijze van verval van vordering wegens het verstrijken van de door de wet vastgestelde termijn om ze in te stellen (1). (1) Zie de concl. O.M., in Pas., 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0084.F

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

J.-M. D.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Luik, afdeling Namen, van 28 februari 2012.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 25 februari 2013 een conclusie ter griffie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot werd gehoord in zijn conclusie.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert één middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2244, eerste en tweede lid (dat tweede lid ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State), en 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest zegt dat de rechtsvordering van de eiser tegen de verweerder "aangetast is door de verjaring van de gerechtelijke band" en veroordeelt de eiser in de kosten, om de volgende redenen:

"Artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat 'alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar'. Al eerder bepaalde artikel 2262 dat 'alle rechtsvorderingen, zowel zakelijke als persoonlijke, verjaren door verloop van dertig jaren, zonder dat hij die zich op deze verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen'.

[...] Blijkbaar werd de vraag over het bestaan van een verjaring van de gerechtelijke band nog nooit als dusdanig aan het Hof van Cassatie voorgelegd;

Een rechtsvordering is steeds vatbaar voor verjaring, zodat men ervan moet uitgaan dat de gerechtelijke band kan verjaren. Die theorie uit de rechtsleer sluit aan bij die van de eerbiediging van het recht van verdediging, aangezien de partijen, wanneer een te lange termijn verstrijkt, niet enkel het risico lopen de bewijzen waarover zij beschikten te verliezen, maar ook bepaalde wijzen van bewijsvoering, zoals bijvoorbeeld getuigenverhoren, niet te kunnen aanwenden;

Om tegemoet te komen aan de onachtzaamheid van de eiser die eerst in rechte vervolgt en dan zijn rechtsvordering zonder bekwame spoed hangende laat, heeft de rechtsleer die juridische leemte willen aanvullen en een verbetering aangebracht door de invoering van de verjaring van de gerechtelijke band en niet van de rechtsvordering.

Volgens die vroegere constructie uit de rechtsleer, is de gerechtelijke band vatbaar voor verjaring. Er moet echter een onderscheid gemaakt worden tussen die verjaring, die in geen enkele tekst vermeld wordt, en het verval van de gerechtelijke band, die steunde op teksten die inmiddels zijn opgeheven (Burgerlijk Wetboek, artikel 2247; Wetboek van Burgerlijke Rechtspleging, artikel 397 en volgende);

Wanneer de eiser niet in rechte vervolgt binnen de termijn van dertig jaar (inmiddels tien jaar sinds de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring), verliest hij het voordeel van zijn rechtsvordering. De rechtsleer stelt dat 'l'effet du contrat judiciaire qui résulte de l'ajournement se prescrit par trente ans, à partir du dernier acte de procédure, indépendamment de toute péremption, mais [que] tout ce qui en résulte, c'est qu'après ce délai, l'instance ne peut plus être utilement reprise [et que] le demandeur perd par conséquent le droit que lui donnait l'action par lui intentée';

[...] Als het stuitend gevolg van de dagvaarding even lang duurt als het [geding], dan is dat onder het voorbehoud dat het geding zelf vatbaar is voor verjaring door verloop van dertig jaar (thans tien jaar ), onverminderd zelfs elke rechtsvordering tot verjaring en zulks vanaf de laatste proceshandeling.

[...] Wat moet men verstaan onder een procedureakte die de verjaring van de gerechtelijke band zou stuiten?

Aangezien de procedure reeds opgestart is, zullen de stuitende akten niet de akten zijn die de verjaring van de rechtsvordering stuiten (bedoeld bij artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, de erkenning beoogd bij artikel 2248 van datzelfde wetboek of de bijzondere wetten die bepalen dat de verjaring gestuit wordt bij aangetekend schrijven);

Het zijn de procedureakten die de loop van de verjaring stuiten. Het Gerechtelijk Wetboek (vierde deel, inzake de burgerlijke rechtspleging) vermeldt die akten die inzonderheid betrekking hebben op het de rol plaatsen, op de stukken van het dossier bedoeld bij artikel 721, waaronder kennisgevingen, conclusies, zittingsverslagen, maar ook op het vonnis alvorens recht te doen, het verzoekschrift tot hoger beroep, kortom alle stukken van het dossier van de rechtspleging;

Het is dus niet voldoende dat de partijen onderling conclusies hebben uitgewisseld; die moeten ter griffie worden neergelegd binnen de termijn van tien jaar, zo niet kan de verjaring worden ingeroepen;

[...] In onderhavig geval werd de rechtsvordering binnen de termijn ingesteld. Zij bleef vervolgens gedurende meer dan twintig jaar na de conclusie van [de] verweerder op een dood punt geblokkeerd."

Grieven

Artikel 2244, artikel 1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormt. Het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 25 juli 2008 preciseert dat een dagvaarding voor het gerecht de verjaring stuit tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

Uit die bepalingen volgt duidelijk dat het stuitend gevolg van de dagvaarding voor het gerecht verlengd wordt tot de afsluiting van het proces en dat in de loop van het geding geen enkele verjaring mogelijk is.

In tegenstelling tot wat het arrest bevestigt, is verjaring of verval van de gerechtelijke band niet mogelijk ingeval de eiser verzuimt op te treden. Het tweede lid van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 juli 208, heeft bevestigd dat het stuitend gevolg van een dagvaarding voor het gerecht niet kan eindigen voordat het door de dagvaarding ingeleid geding beëindigd is en zulks, zonder dat het geding of de rechtsvordering intussen kunnen verjaren.

Het onderscheid dat het arrest poogt te maken tussen "het verval van de gerechtelijke band" en de "verjaring van de vordering" of "het verval van het geding" is niet pertinent. Volgens het arrest dringt de verjaring van de gerechtelijke band zich op: "een rechtsvordering is steeds vatbaar voor verjaring". De appelrechters menen, met andere woorden, dat de verjaring van de gerechtelijke band het voordeel opheft van de stuiting van de verjaring door de dagvaarding voor het gerecht of, om het met de woorden van het arrest te zeggen, dat "de eiser het voordeel verliest van zijn rechtsvordering".

Uit artikel 2244 [...] van het Burgerlijk Wetboek, zelfs vóór de invoeging van het voornoemde tweede lid, blijkt echter dat de dagvaarding voor het gerecht de verjaring van de vordering stuit en dat die stuiting verlengd wordt tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken. De verjaring kan, met andere woorden, niet plaatsvinden zolang er geen definitieve beslissing uitgesproken is.

Niet het geding dat met de dagvaarding geopend wordt, maar de dagvaarding stuit de verjaring zodat een "verjaring" van de gerechtelijke band de stuiting van de verjaring van de rechtsvordering door de dagvaarding niet zou kunnen tenietdoen.

Het arrest refereert dienaangaande niet oordeelkundig aan artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek krachtens hetwelk alle persoonlijke vorderingen door verloop van tien jaar verjaard zijn. Zoals gezegd, mag een geding dat langer dan tien jaar duurt, niet verward worden met een verjaring van de rechtsvordering, noch gelijkgesteld worden met het tien jaar lang verzuimen op te treden.

De partij die meent dat het geding te lang aansleept en haar recht van verdediging in het gedrang komt, moet het geding weer op gang brengen of doen zeggen dat de eiser afziet van zijn vordering maar zeker niet dat het geding verjaard is en daarmee ook de door de dagvaarding ingestelde rechtsvordering.

Daaruit volgt dat de beslissing volgens welke de rechtsvordering van de eiser door de verjaring van de gerechtelijke band is aangetast op grond dat de vordering gedurende meer dan twintig jaar op een dood punt geblokkeerd is, de in de aanhef van het middel beoogde wettelijke bepalingen schendt en inzonderheid artikel 2244, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

De verjaring is een wijze van verval van vordering wegens het verstrijken van de door de wet vastgestelde termijn om ze in te stellen.

Luidens artikel 2244, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, vormen een dag-vaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting.

Wanneer een dagvaarding voor het gerecht de verjaring stuit, krachtens die bepa-ling, wordt, behoudens een afwijkende wettelijke bepaling die in onderhavig geval niet bestaat, de stuiting verlengd, zoals thans voorgeschreven in het tweede lid van voornoemd artikel 2244, tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

Het arrest dat oordeelt dat de gerechtelijke band tussen partijen bij ontstentenis van een proceshandeling van de eiser binnen de verjaringstermijn van de rechts-vordering die door de dagvaarding voor het gerecht wordt gestuit, verjaard is en daarom zegt dat "wegens de verjaring van de gerechtelijke band ook de rechts-vordering verjaard is", schendt artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 18 maart 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden