- Arrest van 18 maart 2013

18/03/2013 - S.12.0069.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verjaring van de intrest, zelfs als die van rechtswege loopt krachtens de wet, kan niet ingaan vooraleer het bedrag van de schuldvordering in hoofdsom is vastgesteld (1). (1) Zie de concl. O.M., in Pas., 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0069.F

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

P. B.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 21 december 2011 van het ar-beidshof te Brussel van 21 december 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Génicot heeft op 1 maart 2013 een conclusie neer-gelegd op de griffie.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1153, 2219, 2257, 2262 (oud), 2262bis en 2277 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 60, 62 en 64 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, zoals ze van toepassing waren op de belastbare inkomsten 1987 (artikel 60 en 62 als gewijzigd bij de wet van 31 juli 1984 en, voor zoveel als nodig, bij de wetten van 7 november 1987 en 30 december 1988);

- de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 tot uitvoering van Hoofdstuk III - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen

Aangevochten beslissingen

Het arrest heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn van de vordering tot betaling van het bedrag in hoofdsom van de bijzondere socialezekerheidsbijdrage die verweerder moet betalen "is beginnen te lopen na de laatste dag van de maand na het verzenden van het berekeningsblad dat is opgesteld na de eindbeslissing over het belastingbezwaarschrift, te weten op 1 januari 1995 [...], [dat] de termijn van vijf jaar dus niet verstreken was op de datum van het proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 2 juni 1998" en dat die vordering bijgevolg niet verjaard was, en "wijst vervolgens [eisers] vordering af tot veroordeling van de [verweerder] tot het betalen van intrest voor de periode voor 3 juni 1998".

Het steunt die beslissing op de overweging dat de intrest die voor 3 juni 1993 is vervallen, met toepassing van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek verjaard is. Het beklemtoont dienaangaande dat :

"Uit het cassatiearrest van 2 november 1998 volgt dat artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op de intrest die de [eiser] vordert, ongeacht de verjaring die geldt voor de bijzondere bijdrage;

Het Hof heeft het cassatieberoep verworpen dat werd ingesteld tegen een arrest dat artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek op de intrest had toegepast. Dat verwerpingsarrest is als volgt gemotiveerd:

‘Dat het middel aanvoert dat de in het te dezen toepasselijke artikel 62, derde lid, van de wet van 28 december 1983 bepaalde rente niet aan de vijfjarige verjaring van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek onderworpen is, omdat die rente "één geheel uitmaakt met de verschuldigde bijzondere bijdrage";

Dat, krachtens artikel 62, eerste lid, van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale- en begrotingsbepalingen, de in artikel 60 van die wet bepaalde bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid, het voorwerp moet uitmaken van een provisionele storting die moet worden verricht vóór 1 december voorafgaand aan het aanslagjaar;

Dat, krachtens het derde lid van dit artikel, bij gebrek aan, of in geval van ontoereikendheid van provisionele storting op de voorgeschreven datum, een nalatigheidsrente verschuldigd is, per maand vertraging vanaf deze datum tot en met de maand waarin de betaling geschiedt;

Dat daaruit volgt dat de wet een vervroegde betaling van de bijdrage bij wijze van provisie instelt en de bij het voornoemde artikel 62, derde lid, bepaalde rente een vergoeding uitmaakt voor de vertraging in de uitvoering van de betaling ervan;

Dat die rente aldus, anders dan het middel stelt, onderscheiden is van de bijdrage zelf' (Cass., 2 nov. 1998, AC, 1998, nr. 467);

Aangezien de verjaring voor het eerst is gestuit door het proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 2 juni 1998, kan de intrest die voor 3 juni 1993 is vervallen, niet meer worden gevorderd;

Geen enkele wettelijke bepaling bekrachtigt de stuiting van de verjaring van de intrest door de ingebrekestelling die de raadsman van de [eiser] op 27 november 1996 heeft verstuurd;

[De eiser] betoogt ten onrechte dat de verjaringstermijn van de intrest niet kon ingaan voor een verbeterend rekeningsblad was opgesteld, terwijl:

- artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 uitdrukkelijk bepaalt dat de indiening van een bezwaarschrift de periode gedurende welke de intresten lopen niet schorst.

- uit artikel 62 van de wet volgt dat de vordering tot betaling van de intrest ontstaat op de datum waarop een provisie moet worden betaald;

- noch artikel 62 noch een andere bepaling het vorderen van de intrest afhankelijk stellen van het opstellen van een berekeningsblad".

Grieven

1. Luidens artikel 62 van de wet van 28 december 1983 moet de bijzondere bijdrage, bedoeld in artikel 60 van die wet en die door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening langs gerechtelijke weg kan worden ingevorderd (artikel 64, eerste lid, van de wet van 28 december 1983), "het voorwerp uitmaken van een provisionele storting te verrichten vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar".

Bij gebreke aan, of in geval van ontoereikendheid van provisionele storting op 1 december, is een nalatigheidsinterest verschuldigd ingaand op deze datum (artikel 62, tweede lid, van de wet van 28 december 1983, na de wet van 30 december 1988 derde lid geworden, en verder gemakshalve artikel 62, tweede lid, van de wet van 28 december 1983).

2. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 bepaalt dat de personen die de aanslag betwisten welke voor hen de verplichting tot betaling van de bijzondere bijdrage meebrengt, gehouden zijn aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening het bewijs te leveren dat zij tegen deze aanslag een bezwaarschrift hebben ingediend of een beroep hebben ingesteld door hem een afschrift te doen toekomen van het ontvangstbewijs van het bezwaarschrift bedoeld in artikel 271 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) of een afschrift van de kennisgeving van neerlegging bedoeld in de artikelen 281 en 290 van hetzelfde wetboek en dat de indiening van een bezwaar- of van een beroepschrift de periode niet schorst gedurende welke de verwijlintresten lopen.

3. Overigens volgt uit de opzet van het concept uitdovende verjaring (artikelen 2219, 2262 (oud), 2262bis en 2277 van het Burgerlijk Wetboek) en inzonderheid uit artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek dat de verjaring van de vordering tot invordering van de bijzondere socialezekerheidsbijdrage pas begint te lopen bij het verstrijken van de termijn van betaling van artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 4 juli 1984. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan trouwens de bijdrage niet invorderen zolang de belastingschuld van de belastingplichtige niet definitief is vastgesteld, zodat bij bezwaarschrift of beroepschrift, de verjaringstermijn pas begint te lopen na het verstrijken van de maand volgend op de maand waarin de Dienst een nieuw berekeningsblad, op grond van de definitieve belastingbeslissing, heeft gestuurd aan degene die de bijzondere bijdrage is verschuldigd (artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984).

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan echter, zoals elke schuldeiser van een sommenschuld, geen verwijlintrest invorderen op de bedragen die als bijzondere bijdrage zijn verschuldigd zolang hij niet het hoofdbedrag kan invorderen (artikelen 1153 van het Burgerlijk Wetboek en 62, tweede lid, van de wet van 28 december 1983), zelfs als die intrest - wegens een bijzondere wettekst, zoals in dit geval artikel 62, tweede lid, van de wet van 28 december 1983 - van rechtswege loopt zelfs voor de Dienst de hoofdsom kan invorderen.

4. Bijgevolg volgt uit de combinatie van alle voorgaande wettelijke en verordenende bepalingen dat de verjaring van de intrest die krachtens artikel 62, tweede lid, van de wet van 28 december 1983 en artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 verschuldigd is, hoewel artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek daarop van toepassing is, niet kan beginnen te lopen voor de verjaring van het bedrag in hoofdsom van de bijzondere bijdrage is beginnen te lopen.

5. Het arrest dat heeft beslist "dat de verjaringstermijn van [de vordering tot betaling van het bedrag in hoofdsom van de bijzondere socialezekerheidsbijdrage] is beginnen te lopen op de laatste dag van de maand na het verzenden van het berekeningsblad dat is opgesteld na de eindbeslissing over het fiscaal bezwaarschrift, te weten op 1 januari 1995", zodat eisers vordering van 2 juni 1998 tot betaling van dat bedrag in hoofdsom niet was verjaard, heeft bijgevolg niet wettig kunnen beslissen dat de verjaringstermijn van de intrest op dat bedrag, bedoeld in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, reeds op 1 december 1987 was beginnen te lopen en dat, " aangezien de verjaring voor het eerst werd gestuit door het proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 2 juni 1998, de intrest die voor 3 juni 1993 is vervallen, niet meer kan worden gevorderd" (schending van alle in het middel aangewezen bepalingen).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1, 35, eerste lid, 37, 96, 99, 149, 170, 171, 174 en 181 van de Grondwet;

- de artikelen 1382, 1383, 1384, inzonderheid eerste lid, 2219, 2262 (oud), 2262bis en 2277 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 7, §1, inzonderheid tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

- de artikelen 60, 62, 64 en 66 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (de artikelen 60 en 62 zoals ze van toepassing waren op de belastbare inkomsten 1987 dus als gewijzigd bij de wet van 31 juli 1984 en, voor zoveel als nodig, bij de wetten van 7 november 1987 en 30 december 1988);

- de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 tot uitvoering van Hoofdstuk III - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen;

- algemeen rechtsbeginsel dat misbruik van recht verbiedt;

- voor zoveel als nodig, algemeen rechtsbeginsel van goed bestuur en in-zonderheid van de redelijke termijn.

Aangevochten beslissingen

Het arrest neemt aan dat het bedrag in hoofdsom van de litigieuze bijzondere bijdrage niet was verjaard evenmin als de intrest op dat bedrag vanaf 3 juni 1993, en wijst vervolgens "de vordering van de [eiser] af tot veroordeling van de [verweerder] in de betaling van intrest voor de periode voor 3 juni 1998".

Het steunt zijn beslissing hierop dat de eiser onzorgvuldig heeft gehandeld omdat hij tot november 1994 heeft getalmd om een berekeningsblad op te stellen na de beslissing van de directeur van 18 oktober 1989 tot herziening van het belastbaar inkomen van de verweerder. Hij beklemtoont dienaangaande:

"16. Voor het overige voert de [verweerder] het zeer lange talmen van de [eiser] aan zowel tijdens de administratieve fase als na het instellen van de gerechtelijke procedure. Hij vraagt volledige vrijstelling van de intrest;

17. Wat betreft de administratieve procedure, neemt men aan dat elke overheid binnen een redelijke termijn moet handelen, dat wil zeggen binnen een termijn die een bestuur dat normaal functioneert zeker niet zal overschrijden;

De rechtspraak van de Raad van State zegt dat het beginsel van goed bestuur, redelijke termijn genaamd, volgt uit het redelijkheidsbeginsel dat als algemene regel het bestuur oplegt geen onredelijke beslissingen te nemen, dat wil zeggen beslissingen 'die een normaal functionerende overheid niet zal nemen';

In dit geval is het onvoorstelbaar dat [de eiser] meer dan vijf jaar nodig heeft ge-had om uit de beslissing van de directeur van 18 oktober 1981 gevolgen te trekken en nadien nog van november 1994 tot juni 1998 heeft getalmd om de procedure op te starten;

Het overschrijden van de redelijke administratieve termijn is een fout;

Zonder die fout zou het berekeningsblad zijn opgesteld en zou de procedure zijn opgestart kort na de beslissing van de directeur, zodat zonder de fout van de [ei-ser], de intrest die voor 2 juni 1998 is vervallen zou zijn vermeden;

De schade door de fout van [de eiser] moet worden vergoed door [de verweerder] vrij te stellen van de op 2 juni 1998 vervallen intrest".

Grieven

1. In zijn conclusie van wederantwoord die op de griffie van het arbeidshof is neergelegd op 21 november 2011, voert de eiser het volgende aan:

"[Eisers]' dienst bijzondere bijdragen' ontving geen enkele betaling meer en heeft bijgevolg op 10 mei 1991 de gebruikelijke vragenlijst gestuurd naar de taxatiedienst te Tubeke om inlichtingen te verkrijgen over de solvabiliteit van de schuldenaars;

Het antwoord van 24 juni 1991 verwees naar het bestaan van het fiscaal bezwaarschrift en naar de beslissing van de directeur van 18 oktober 1989. Er was echter geen enkele verwijzing naar het resultaat van het bezwaarschrift. Er werd niet vermeld dat de beslissing van de directeur definitief was en evenmin dat de belastingplichtige beroep had ingesteld, en dat de fiscale gegevens werden behouden of gewijzigd.

[De eiser] verkeerde dus in het ongewisse over het verloop van het door [de verweerder] ingestelde fiscaal bezwaarschrift.

Men kan [de eiser] bijgevolg niet verwijten dat hij tot 1994 heeft gewacht om te informeren naar de eventuele wijziging van de belastbare grondslag;

[De eiser] is geen partij in de procedure op het bezwaarschrift, die enkel tussen de belastingplichtige en het belastingbestuur wordt gevoerd;

[De eiser] wordt zelfs niet ingelicht over het verloop van die procedure en heeft geen weet van de betwistingen die de belastingplichtigen opwerpen en er bestaat geen enkele wettelijke bepaling die [hem] verplicht het verloop van de belastinggeschillen te volgen;

Dat behoort niet tot de bevoegdheid van [de eiser] die enkel belast is met het invorderen van de litigieuze bijdragen op grond van de fiscale gegevens die hij van de belastingadministratie ontvangt;

[De eiser] heeft pas in 1994, bij de ontvangst van het antwoord op de vragenlijst van 29 september 1994, voor het eerst vernomen dat de gezamenlijk belastbare inkomsten [van de verweerder] tot 6.992.719 frank waren teruggebracht en dat die gegevens definitief waren;

De inlichtingen die [de eiser] in juni 1991 heeft ontvangen waren niet volledig zodat hij zijn schuldvordering niet kon invorderen. Pas in 1994 toen hij op de hoogte werd gebracht van de nieuwe gezamenlijke belastbare inkomsten kon [de eiser] een verbeterend berekeningsblad opstellen;

Er kan [de eiser] geen enkele nalatigheid worden verweten. Zodra hij de definitieve fiscale gegevens kende heeft hij een verbeterend berekeningsblad aan [de verweerder] gestuurd".

2. De bijzondere bijdrage van artikel 60 van de wet van 28 december 1983 waarop de intrest is verschuldigd als bepaald in artikel 62, tweede lid, van die wet (thans artikel 62, derde lid, na de wet van 30 december 1988) wordt berekend op het nettobedrag van de gezamenlijk belastbare inkomsten in de personenbelasting van de belastingplichtige. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is belast met de invordering van die bijdrage, eventueel langs gerechtelijke weg (artikel 64, eerste lid, van de wet van 28 december 1983).

Artikel 66 verplicht de openbare besturen, inzonderheid de besturen die afhangen van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Middenstand en het Ministerie van Sociale Zaken, aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de inlichtingen te verstrekken welke deze nodig heeft met het oog op de toepassing van de bepalingen inzake die bijzondere bijdrage.

Overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 tot uitvoering van Hoofdstuk III - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, zendt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de hand van die inlichtingen, aan de tot betaling van de bijzondere bijdrage gehouden personen een berekeningsblad met vermelding van het bedrag der verschuldigde bijdrage, de elementen op basis waarvan de bijdrage is vastgesteld, het eventueel saldo dat, rekening houdend met de provisionele storting bepaald in artikel 62, eerste lid, van de wet, door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geïnd of teruggegeven moet worden en de ver-wijlintresten betreffende dit saldo.

Het saldo moet, luidens het tweede lid van artikel 2 van dat besluit, door de tot betaling van de bijzondere bijdrage gehouden personen uiterlijk worden gestort de laatste dag van de maand volgend op die van de toezending van het berekeningsblad.

Artikel 3 van hetzelfde besluit bepaalt dat de personen die de aanslag betwisten welke voor hen de verplichting tot betaling van de bijzondere bijdrage meebrengt, gehouden zijn aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening het bewijs te leveren dat zij tegen deze aanslag een bezwaarschrift hebben ingediend of een beroep hebben ingesteld door hem een afschrift te doen toekomen van het ontvangstbewijs van het bezwaarschrift bedoeld in artikel 271 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) of een afschrift van de kennisgeving van neerlegging bedoeld in de artikelen 281 en 290 van hetzelfde wetboek en dat de indiening van een bezwaar- of van een beroepschrift de periode gedurende welke de verwijlintresten lopen niet schorst.

Uit artikel 66 van de wet van 28 december 1983 en uit de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 volgt aldus dat de belastingadministratie die kennisneemt van een bezwaarschrift of een beroep ambtshalve de beslissing die over dat bezwaarschrift of beroep uitspraak heeft gedaan naar de Dienst moet doorsturen. De Dienst moet bijgevolg niet het verloop van de fiscale bijdragen nagaan. Zoals hij in conclusie aanvoert legt geen enkele wettelijke bepaling hem die opdracht op.

3. Het concept uitdovende verjaring impliceert dat de houder van een rechtsvordering in de regel het instellen van zijn vordering mag uitstellen tot het einde van de verjaringstermijn, zonder een fout te begaan of zijn recht te misbruiken (artikelen 2219, 2262 (oud), 2262bis en 2277 van het Burgerlijk Wetboek).

4. De fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek is een miskenning ofwel van een norm die een bepaald gedrag oplegt, ofwel van de algemene voorzichtigheidsplicht. Er is alleen rechtsmisbruik wanneer de houder ervan dat recht gebruikt op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van het gebruik ervan door een redelijk persoon (algemeen rechtsbeginsel dat misbruik van recht verbiedt). Een dergelijke fout (artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek) of een dergelijk rechtsmisbruik (algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt) brengt de aansprakelijkheid van een fysieke persoon of een rechtspersoon alleen in het gedrang als zij hem persoonlijk kan worden aangerekend of indien de wet bepaalt dat hij daarvoor moet instaan, waarbij artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek dienaangaande geen enkel algemeen beginsel van aansprakelijkheid voor andermans daad instelt.

5. Ten slotte vormt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening een publiekrechtelijk lichaam bekleed met rechtspersoonlijkheid (artikel 7, § 1, inzonderheid tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders), die onderscheiden is van met name de federale Staat waartoe de administratie behoort die onder het ministerie van Financiën valt (artikelen 1, 35, eerste lid, 37, 96, 99, 170, 171, 174 en 181 van de Grondwet).

Daaruit volgt dat de tekortkoming van de belastingadministratie aan haar zorgvuldigheidsplicht waardoor het beginsel van goed bestuur en van de redelijke termijn is miskend, wat een fout oplevert in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, in de regel niet aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening kan worden ten laste gelegd.

6. De voormelde conclusie was voorgelegd aan het arbeidshof zodat het arrest de verweerder niet heeft kunnen vrijstellen van de op 2 juni 1998 vervallen intrest als vergoeding van de fout die de eiser zou hebben begaan door het beginsel van de redelijke termijn te miskennen, op grond dat "het onvoorstelbaar is dat [de eiser] meer dan vijf jaar nodig heeft gehad om uit de beslissing van de directeur gevolgen te trekken en nadien nog van november 1994 tot juni 1998 heeft getalmd om de procedure op te starten", en dat "zonder die fout het berekeningsblad zou zijn opgesteld en de procedure opgestart kort na de beslissing van de directeur, zodat zonder de fout van de [eiser], de intrest die voor 2 juni 1998 is vervallen, zou zijn vermeden".

Aldus heeft het arrest immers:

1° de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verplicht de procedures van be-zwaarschrift of beroep in belastingzaken op te volgen, terwijl de belas-tingadministratie het initiatief moet nemen om de Dienst in te lichten en geen enkele wettelijke noch reglementaire bepaling de Dienst daartoe verplicht (schending van artikel 66 van de wet van 28 december 1983, van de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 60, 62 en 64 van de wet van 28 december 1983 en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat misbruik van recht verbiedt);

2° de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de periode vóór de maand november 1994, de vertraging ten laste gelegd bij het doorsturen van de gegevens door de belastingadministratie en aldus diens van de federale Staat onderscheiden rechtspersoonlijkheid miskend (schending van artikel 7, § 1, inzonderheid tweede lid, van de besluitwet van 28 december betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 1, 35, eerste lid, 37, 96, 99, 170, 171, 174 en 181 van de Grondwet) en bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek geschonden en het algemeen rechtsbeginsel miskend dat misbruik van recht verbiedt door een fout, een nalatigheid of een misbruik van recht ten laste te leggen aan een persoon die daarvoor niet instaat;

3° de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening aansprakelijk gesteld voor andermans daad hoewel geen enkele wettelijke tekst dat bepaalt (schending van de artikelen 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat misbruik van recht verbiedt);

4° eisers recht miskend om de betaling van de bijzondere bijdrage en de intrest daarop te vorderen tot het verstrijken van de verjaringstermijnen die daarop van toepassing zijn (schending van de artikelen 2219, 2262 (oud), 2262bis en 2277 van het Burgerlijk Wetboek), en

5° bijgevolg zijn beslissing niet naar recht heeft verantwoord (schending van alle bepalingen en miskenning van alle rechtsbeginselen die het middel worden aangewezen).

Althans:

1° het arrest, dat in zijn motieven niet aangeeft waarom de eiser in dit geval, niettegenstaande de verplichting van de belastingadministratie krachtens artikel 66 van de wet van 28 december 1983 en de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984, een misbruik van recht, een fout of een nalatigheid zou hebben begaan in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en dus zijn algemene voorzichtigheidsplicht zou hebben miskend voor het overzenden in oktober 1994 door het belastingbestuur van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van de litigieuze bijzondere bijdrage, het Hof niet in staat stelt om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed is (schending van artikel 149 van de Grondwet);

2° het arrest eveneens, dat in zijn redenen niet aangeeft waarom de eiser een fout, een nalatigheid of een misbruik van recht zou hebben begaan door te talmen tot in juni 1998 om de betaling van de hoofdsom en de intrest te vorderen, terwijl de verjaringstermijnen voor de hoofdsom niet waren verstreken en voor de intrest slechts gedeeltelijk, het Hof niet in staat stelt zijn toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het verwijt van het arrest, inzonderheid voor de periode tussen november 1994 en 3 juni 1998, en bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed is (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het arrest beslist dat de rechtsvordering van de eiser tot invordering van de bij-zondere socialezekerheidsbijdrage die de verweerder voor het belastingjaar 1988 moet betalen en die bij proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 2 juni 1998 is ingesteld, niet is verjaard aangezien de verjaringstermijn "is beginnen te lopen na de laatste dag van de maand volgend op het verzenden van het berekeningsblad dat is opgesteld na de eindbeslissing over het belastingbezwaarschrift [van de verweerder], te weten op 1 januari 1995", maar hem daarentegen de vervallen in-trest op die bijdrage voor 3 juni 1998 ontzegt om de redenen die in de middelen worden weergegeven.

Eerste middel

Artikel 62, eerste lid, van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en be-grotingsbepalingen bepaalt dat de bijzondere bijdrage, bedoeld in artikel 60 van die wet het voorwerp moet uitmaken van een provisionele storting te verrichten vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar.

Krachtens het tweede lid, thans het derde lid, van dat artikel 62, is bij gebreke aan, of in geval van ontoereikendheid van provisionele storting op de bepaalde datum, een nalatigheidsinterest verschuldigd ingaand op deze datum.

Enerzijds, kan de verjaring van de intrest niet intreden vooraleer het bedrag van de schuldvordering in hoofdsom is vastgesteld, zelfs niet als de interest krachtens de wet van rechtswege loopt.

Anderzijds, volgt uit het beginsel dat de verjaring, die een verweermiddel vormt tegen een laattijdige rechtsvordering, niet kan beginnen te lopen vooraleer die rechtsvordering is ontstaan en eveneens uit de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 tot uitvoering van Hoofdstuk III - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begro-tingsbepalingen dat, zoals het arrest overigens voor de bijdrage zelf beslist, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de bijzondere socialezekerheidsbijdrage niet kan invorderen zolang de belastingschuld niet definitief is bepaald, zodat de verja-ringstermijn bij bezwaarschrift of beroep in belastingzaken pas begint te lopen na het verstrijken van de maand volgend op die tijdens welke een nieuw bereke-ningsblad, dat op grond van de definitieve fiscale beslissing is opgesteld, door de Dienst is verstuurd aan degene die de bijzondere bijdrage is verschuldigd.

Het arrest dat vaststelt dat de eiser in november 1994 een nieuw berekeningsblad naar de verweerder heeft gestuurd en dat oordeelt dat het proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 2 juni 1998 de verjaring stuit, kan niet wettig beslissen dat de voor 3 juni 1993 vervallen intrest met toepassing van artikel 2277 Bur-gerlijk Wetboek niet meer kan worden ingevorderd, zonder de verjaringstermijn met de aanvang van de verjaring te verwarren.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

Het arrest beslist om de verweerder vrij te stellen van de betaling van de interest die op 2 juni 1998 is vervallen op grond van de overweging dat de eiser een fout heeft begaan omdat hij meer dan vijf jaar heeft gewacht om een nieuw bereke-ningsblad op te stellen na de beslissing van de directeur van de directe belastingen van 18 oktober 1989 die de belastingschuld van de eiser definitief bepaalt en ver-volgens tot 2 juni 1998 te talmen om de procedure op te starten.

Aangezien uit het antwoord op het eerste middel volgt dat de vóór 3 juni 1993 vervallen interest niet wettig verjaard is en het arrest de intrest tussen die datum en het instellen van het geding niet als verjaard beschouwt, miskent het arrest ei-sers recht om zijn schuldvordering in te vorderen zolang die niet is verjaard, wan-neer het beslist dat hij een fout heeft begaan waardoor de verweerder die interest niet hoeft te betalen.

In die mate is het middel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de interest die voor 3 juni 1998 is vervallen en over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigd arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 18 maart 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Interest

  • Aanvang

  • Schuldvordering in hoofdsom