- Arrest van 19 maart 2013

19/03/2013 - P.12.1012.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer een conclusie betwist dat er voldoende bezwaren bestaan, beantwoordt het onderzoeksgerecht dit verweer door de onaantastbare vaststelling dat die bezwaren al dan niet bestaan; geen enkele wetsbepaling schrijft voor dat het de redenen moet vermelden waarom de bezwaren toereikend worden geacht.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1012.N

D D S,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Geert Suy, advocaat bij de balie te Dendermonde,

tegen

1. METATECH bvba, met zetel te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, Pepingensesteen-weg 223,

burgerlijke partij,

2. L T,

burgerlijke partij,

verweersters.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 mei 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart eisers hoger beroep tegen de beschikking van de raad-kamer die hem wegens het bestaan van voldoende bezwaren naar de correctionele rechtbank verwijst, niet ontvankelijk. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing noch een uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig, mits-dien niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart eisers hoger beroep niet ontvan-kelijk; de eiser heeft voor de kamer van inbeschuldigingstelling de onregelmatig-heid van de beroepen verwijzingsbeschikking aangevoerd daar deze het vermoe-den van onschuld miskent zodat die beschikking vatbaar is voor hoger beroep; de beroepen beschikking oordeelt dat de eiser geparticipeerd heeft aan de ten laste gelegde feiten; dergelijke uitspraak houdt een miskenning van het vermoeden van onschuld in; door de inhoud van de beroepen beschikking te bevestigen, neemt het arrest de onregelmatigheid ervan over.

3. Het arrest oordeelt: "De door [de eiser] gewraakte motvering van de eerste rechter miskent het vermoeden van onschuld niet, nu de vaststelling dat hij ‘ge-participeerd' zou hebben, enkel de premisse is van de verwerping van de buiten-vervolgingstelling en de vaststelling dat er voldoende aanwijzingen van schuld zijn die de verwijzing naar de correctionele rechtbank rechtvaardigen." Aldus onderzoekt het arrest de gegrondheid van eisers hoger beroep. De beslissing dat eisers hoger beroep niet ontvankelijk is, kan de eiser bijgevolg niet grieven.

In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

4. Met de vaststelling dat de beroepen verwijzingsbeschikking oordeelt dat de eiser geparticipeerd heeft aan de ten laste gelegde feiten, doet het arrest geen uit-spraak over eisers schuld, maar oordeelt het enkel dat die beschikking uitspraak doet over de bezwaren die vereist zijn om de eiser naar de correctionele rechtbank te verwijzen. Aldus miskent het arrest geenszins het vermoeden van onschuld.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 135 Wetboek van Strafvorde-ring, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel van het recht van ver-dediging en van de motiveringsplicht: het arrest oordeelt dat het feit dat de raad-kamer vaststelt dat de verzoeker aan de te laste gelegde feiten heeft gepartici-peerd, enkel een premisse vormt van de verwerping van de buitenvervolging-stelling en de vaststelling van voldoende aanwijzingen van schuld om de verwij-zing te rechtvaardigen; noch de raadkamer, noch het arrest beantwoorden even-wel eisers verweer dat er onvoldoende bezwaren bestaan.

6. Wanneer een conclusie betwist dat er voldoende bezwaren bestaan, beant-woordt het onderzoeksgerecht dit verweer door de onaantastbare vaststelling dat die bezwaren al dan niet bestaan. Geen enkele wetsbepaling schrijft voor dat het de redenen moet vermelden waarom de bezwaren toereikend worden geacht.

In zoverre faalt het middel naar recht.

7. De eiser kon geen ontvankelijk hoger beroep instellen tegen de beslissing van de raadkamer dat er te zijnen laste voldoende bezwaren bestaan om hem naar de vonnisrechter te verwijzen. Het arrest dient bijgevolg eisers verweer over de afwezigheid van bezwaren niet te beantwoorden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 54,78 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechts-zitting van 19 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bij-stand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

P. Hoet A. Bloch P. Maffei

Vrije woorden

  • Vaststelling van het bestaan van voldoende bezwaren

  • Betwisting op conclusie van eiser

  • Beantwoording van dit verweer