- Arrest van 20 maart 2013

20/03/2013 - P.12.1848.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de geldstraf zowel bij de oude als bij de nieuwe wet naar recht verantwoord is, is het middel niet ontvankelijk dat de appelrechters verwijt dat zij een beklaagde wegens een wetswijziging die dateert van ná de feiten, veroordelen tot de minst zware gevangenisstraf en geldboete, die elk bij een andere wet horen (1). (1) Zie concl. OM in Pas., 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1848.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUS-SEL,

tegen

G. H.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 1 oktober 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 12 maart 2013 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 20 maart heeft raadsheer Benoît Dejemeppe verslag uitge-bracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Het middel voert aan dat het arrest de artikelen 2, tweede lid, en 63 Strafwetboek schendt, omdat het de verweerder veroordeelt tot gevangenisstraf en een geldboete die elk deel uitmaken van een andere wet. De appelrechters vermelden dienaangaande dat door de wetswijziging, die dateert van ná de feiten, de minst zware gevangenisstraf de straf is die bij artikel 12-1°, a, Buitenlandse Arbeidskrachtenwet 1999 is gesteld, terwijl de minst zware geldboete de boete is die bij artikel 175, § 1, Sociaal Strafwetboek is bepaald.

Op de dag van de feiten bestrafte artikel 12-1°, a, Buitenlandse Arbeidskrachten-wet 1999 de niet-toegestane tewerkstelling van werknemers zonder verblijfsrecht met een maand tot een jaar gevangenisstraf en een geldboete van zeshonderd tot dertigduizend euro of met één van die straffen alleen.

De dag van het arrest werd die gedraging door artikel 175, § 1, Sociaal Strafwet-boek bestraft met zes maanden tot drie jaar gevangenisstraf en een geldboete van zeshonderd tot zesduizend euro of met één van die straffen alleen.

Het hof van beroep heeft de verweerder tot een maand gevangenisstraf en een geldboete van zesduizend euro veroordeeld, na te hebben geoordeeld dat het tarief van die geldboete in verhouding stond tot de ernst van de feiten en tot zijn klaarblijkelijke financiële draagkracht.

Wanneer de geldstraf zowel bij de oude als bij de nieuwe wet verantwoord is, is het middel niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 20 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Naar recht verantwoorde straf

  • Toepassing van de wet in de tijd

  • Wetswijziging voor de toepasselijke straffen

  • Middel verwijt de rechter dat hij straffen oplegt die bij verschillende wetten horen

  • Ontvankelijkheid