- Arrest van 21 maart 2013

21/03/2013 - C.11.0476.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De onrechtmatige daad, ook de opzettelijke, moet weliswaar passen in het kader van de bediening van de aangestelde; het is evenwel voldoende de die daad werd gesteld tijdens de bediening en dat hij, zij het zelfs onrechtstreeks of occasioneel, daarop betrekking heeft (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0476.F

1. P. D. B.,

2. I. C.,

3. L. D. B.,

4. G. D. B.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BANQUE CPH cvba,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 17 december 2010.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 6 februari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren een middel aan.

Geschonden wettelijke bepaling

- Artikel 1384, eerste en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest zegt dat de hogere beroepen van de eisers tegen het beroepen vonnis dat hun vorderingen had afgewezen in zoverre ze steunden op artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, niet gegrond zijn, behalve met betrekking tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding, wijzigt het vonnis met betrekking daartoe en stelt de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg vast op 5.000 euro; bevestigt het be-roepen vonnis voor het overige, veroordeelt de eisers in de kosten van het hoger beroep, die werden teruggebracht tot 5.000 euro voor de verweerster en laat de kosten van die aanleg te hunnen laste. Die beslissing steunt onder meer op de on-derstaande overwegingen:

"C. Artikel 1384, derde lid 3, van het Burgerlijk Wetboek

1. Misbruik van bediening

a) De fouten die de aangestelden begaan in het vervullen van hun opdracht kunnen de aansprakelijkheid van de bank in het gedrang brengen op grond van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

De bank is aansprakelijk voor de fout begaan door haar aangestelde in zijn bediening, wanneer zij, zij het zelfs onrechtstreeks of occasioneel, daarop betrekking heeft (Cass., 4 november 1993, AC., 1993, nr. 446; Gent, 19 januari 1996, T.B.H., 1997, 795, en noot J.-P. Buyle en X. Thunis);

De daad van de aangestelde hoeft geen verband te houden met de bediening van de aangestelde en het misbruik van bediening door de aangestelde, dus het aanwenden van zijn bediening of van de middelen die hij van de aansteller ter beschikking krijgt, voor andere doeleinden dan die van zijn taak, brengt de aansprakelijkheid van de aansteller in het gedrang op basis van artikel 1384, derde lid (J.-P. Buyle en O. Creplet, ‘La responsabilité bancaire', deel 1, in Responsabilités, Traité théorique et pratique, titel II, boek 22, p. 13, nr. 7.1);

De beoordeling van het vereiste verband tussen de fout en de bediening kan echter twijfel doen ontstaan en zij vergt uiteraard een onderzoek van de feitelijke om-standigheden van elke zaak;

Aldus werd geoordeeld dat de door de kantoorhouder gepleegde daden van oplichting gebeurden binnen het kader van de werking van de bank en daartoe werd met name het feit vermeld dat de klanten tijdens de openingsuren van het kantoor documenten ontvingen met het briefhoofd van de bank (Gent, 19 januari 1996, o.c.)

Het bestaan van het verband tussen de fout en de bediening wordt daarentegen meestal niet aanvaard wanneer uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat de aan-gestelde in eigen naam heeft gehandeld, buiten het kader van zijn opdracht, en dat de klanten met hem op die grond wel bewust hebben gecontracteerd (V. Callewaert, B. De Coninck, B. Dubuisson, G. Gathem, ‘La responsabilité civile. Chronique de jurisprudence 1996-2007', deel I, ‘Le fait générateur et le lien causal', Les dossiers du J.T., p. 984, nr. 1165);

Er werd geoordeeld dat de aansteller enkel van zijn aansprakelijkheid wordt vrijgesteld als hij aantoont dat de aangestelde zonder toestemming buiten de grenzen van taak heeft gehandeld en in zaken die buiten zijn opdracht vallen (Cass., 26 oktober 1989, AC, 1990, nr. 123; Brussel, 27 maart 1995, A.J.T., 1995-1996, 225, en noot Wylleman);

Wanneer de aangestelde tijdens zijn bediening heeft gehandeld, kan de aansteller slechts vrijgesteld worden van zijn aansprakelijkheid, mits een drievoudig bewijs wordt geleverd:

- het feit dat hij geen toestemming heeft gegeven:

- de bedoeling van de daad, die geen verband mag houden met de taken van de aangestelde: die voorwaarde is vervuld als laatstgenoemde niet in het belang van de aansteller heeft gehandeld; het maakt weinig uit dat hij in zijn eigen belang dan wel in dat van een ander heeft gehandeld;

- de verbreking van het objectieve kader van de bediening: de aangestelde die handelt tijdens en op de plaats van zijn bediening en de middelen van zijn bediening aanwendt om derden schade te berokkenen, begaat fouten waarvoor de aansteller aansprakelijk is (J.-L. Fagnart, ‘Responsabilité du fait d'autrui', in Buitencontractuele aansprakelijkheid, p. 189, nr. 45);

b) In deze zaak kan het misbruik van de bediening door wijlen S.F., wat de [eisers] ook mogen beweren, niet op ernstige gronden worden betwist;

De stukken die hij voor de litigieuze beleggingen heeft opgesteld, wijken immers af van de gebruikelijke bankstandaarden en van de procedures van de [verweerster];

Aldus is het niet normaal dat de beleggingen op een termijnrekening zijn gebeurd waarvan het nummer niet aan de klanten is medegedeeld, en waarvoor geen enkel rekeningafschrift werd gemaakt, noch bij de belegging, noch bij de interestbe-rekening;

Bovendien was de toegekende rente, meer dan 10 pct. per jaar abnormaal hoog en beduidend hoger dan de rente die toen voor termijnrekeningen gold;

Nochtans was S.F. directeur van een kantoor waar de [eisers] klant waren; stukken met het briefhoofd [van de verweerster] werden door hem opgesteld; de ver-richtingen, zowel de plaatsing van de gelden als de afhalingen in contant geld gebeurden in zijn bankkantoor tijdens de openingsuren;

De fouten van de aangestelde van [de verweerster], tijdens zijn bediening, staan aldus daarmee in verband, zodat zijn aansteller daarvoor op grond van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden gesteld, ook al zijn ze het gevolg van een misbruik van bediening;

2. Kennis van het misbruik van bediening

[...] Uit de bovenstaande overwegingen blijkt dat de beweringen van de [eisers] dat zij te goeder trouw gedacht hebben dat zij hun spaargeld bij [de verweerster] belegden, weinig waarschijnlijk lijken;

Uit alle hierboven vermelde gegevens blijkt daarentegen dat zij niet redelijkerwijs hebben kunnen geloven dat dit het geval was en dat zij wisten dat S.F. misbruik van zijn bediening maakte door hun dergelijke beleggingen voor te stellen;

3. Weerslag van de kennis

a) De gevolgen van de omstandigheid dat de getroffenen wisten dat de aangestelde zijn bediening misbruikte, blijven betwist;

Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 4 november 1993 geoordeeld dat de omstandigheid dat de getroffene op de hoogte was van het misbruik hem verbiedt het vermoeden van aansprakelijkheid van de aansteller aan te voeren (Cass., 4 nov. 1993, J.T., 1994, 231);

In een arrest van 11 maart 1994 heeft het daarentegen geoordeeld dat de fout van de benadeelde niet voldoende is om de aansprakelijkheid van de aansteller uit te sluiten en dat er een verdeling van aansprakelijkheid moet worden uitgesproken (Cass., 11 maart 1994, J.T., 1994, 611, noot. Chr. Dalcq);

De eerste oplossing wordt verantwoord door twee overwegingen:

- enerzijds, de getroffene die weet heeft van het misbruik van bediening en deel-neemt aan het misbruik, begaat een fout die de doorslaggevende oorzaak van zijn eigen schade is;

- anderzijds, de getroffene die weet heeft van het misbruik van bediening, weet, precies daardoor, dat de aangestelde zijn opdracht te buiten gaat en verliest dus het wettelijke recht op bescherming van de derde die ter goede trouw is (J.-L. Fagnart, ‘La responsabilité du banquier du fait de ses préposés', in Hommage à Jacques Heenen, 1994, 136);

Anderen zijn van oordeel dat de tweede oplossing:

- meer lijkt overeen te stemmen met het gemene aansprakelijkheidsrecht en met de equivalentieleer;

- de aansteller kan immers pas worden vrijgesteld wanneer de fout van de ge-troffene kan worden aangemerkt als de enige oorzaak van de schade;

- doordat zulks per definitie niet het geval is wanneer het vermoeden van aansprakelijkheid van de aansteller kan worden aangevoerd, is het logisch te stellen dat de getroffene die een fout heeft begaan, moet instaan voor dat gedeelte van de schade dat aan zijn onvoorzichtigheid of onachtzaamheid te wijten is (V. Callewaert, B. De Coninck, B. Dubuisson, G. Gathem, ‘La responsabilité civile, chronique de jurisprudence 1996-2007', deel 1, ‘Le fait générateur et le lien cau-sal', op. cit., p. 147, nr. 175);

Tot staving van die zienswijze halen de [eisers] de volgende passage uit de rechtsleer aan: ‘ni la connaissance ni l'ignorance fautive de la victime de l'abus ou du dépassement de fonctions par le préposé ne justifient donc la conclusion de l'inapplication de l'article 1384, troisième alinéa, ou d'un partage de responsabi-lité' (L. Cornelis, ‘Plaidoyer pour une responsabilité uniforme en cas d'abus de fonctions', R.C.J.B., 1997, p. 344, nr. 25);

Er dient echter op gewezen dat die auteur preciseert dat het verband dat moet bestaan tussen de fout van de aangestelde en de uitoefening van zijn bediening op objectieve wijze moet worden vastgesteld (ibidem, nrs. 32 tot 34) en dat:

- aldus moet worden nagegaan hoe een normaal bedachtzaam en omzichtig persoon die in dezelfde omstandigheden als de getroffene verkeert, de bediening van de aangestelde of van de bediende zou opgevat hebben;

- indien hij had geweten dat de aangestelde niet meer in het kader van zijn bediening handelde, dan zou daaruit moeten worden afgeleid dat de getroffene dat ook had moeten weten en, bijgevolg, dat de schadeveroorzakende fout geen verband met die de bediening heeft. In dat geval beschikt de getroffene niet over een aquiliaans verhaal tegen de aansteller;

- indien een normaal bedachtzaam en omzichtig persoon, die in dezelfde feitelijke omstandigheden verkeert, daarentegen in de waan had verkeerd dat de aangestelde nog steeds binnen de grenzen van zijn functies handelde, kan de getroffene zich beroepen op de objectieve aansprakelijkheid van de aansteller;

- die regels moeten worden genuanceerd wanneer blijkt dat de getroffene daadwerkelijk weet had van de echte draagwijdte van de functies van de aangestelde en, bijgevolg van het feit dat hij uit dat kader trad. In dat geval mag hij zich niet beroepen op artikel 1384, derde lid: de getroffene die weet heeft van de overschrijding van de functies en die bijgevolg weet dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1384, derde lid, zou immers op bedrieglijke wijze schade toebrengen aan de aansteller door niettemin diens veroordeling te verkrijgen krachtens die wetsbepaling. Op grond van het algemeen rechtsbeginsel ‘fraus omnia corrumpit' kan een dergelijk beroep niet tegen de aansteller worden inge-steld (ibidem, nr. 32, p. 354);

Het hof [van beroep] oordeelt dat het beroep tegen de aansteller slechts door ge-troffenen die te goeder trouw zijn, kan worden ingesteld, wat onderstelt dat hun foutieve inschatting van de bevoegdheid van de aangestelde met wie zij gehandeld hebben, gewettigd moet zijn;

Artikel 1384, derde lid, vooral in de uitbreidende uitlegging ervan, geldt immers slechts ten aanzien van derden die te goeder trouw zijn (H. De Page, Traité élé-mentaire de droit civil belge, deel II, 3e uitg., p. 1024, nr. 990, noot 2);

Enkel die oplossing kan de billijke middenweg zijn voor de strenge regeling die voor de aanstellers geldt in geval van misbruik van bediening (Ch. Dalcq, ‘La responsabilité du fait des personnes agissant pour autrui', in Responsabilités, traité théorique et pratique, titel IV, boek 40, p. 14, nr. 6);

[...] c) Zoals eerder gezegd, konden de [eisers] niet onwetend zijn van het feit dat S.F. zijn bediening misbruikte en, bijgevolg, dat de litigieuze beleggingen onregelmatig waren;

Hun vordering kan dus niet worden aangenomen op grond van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, omdat gewettigde dwaling betreffende de omvang van de bevoegdheid van die aangestelde, in hun hoofde is uitgesloten."

Grieven

Luidens artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is men niet alleen aansprakelijk voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.

Artikel 1384, derde lid, van dat wetboek preciseert dat de meesters en zij die anderen aanstellen, aansprakelijk zijn voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.

Uit de bewoordingen van die bepaling volgt dat de aansteller reeds dan aansprakelijk kan worden verklaard wanneer zijn aangestelde een onrechtmatige daad heeft gesteld, die onrechtmatige daad gesteld is tijdens de bediening en, zij zelfs onrechtstreeks of occasioneel, daarop betrekking heeft en die daad een derde schade berokkent.

Artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek legt enkel die drie voorwaarden op en laat de toepassing van de aansprakelijkheidsregeling geenszins afhangen van het feit dat de getroffene (terecht) geen weet had van het misbruik van bediening.

Daaruit volgt dat de aansteller, wanneer een aangestelde tijdens zijn bediening een fout begaat die, zij het zelfs onrechtstreeks en occasioneel, betrekking heeft op zijn bediening, met toepassing van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, moet instaan voor de fout van zijn aangestelde, en zulks ongeacht of de getroffene wist of had kunnen weten dat er sprake was van misbruik van de functies.

De eigen fout van de benadeelde persoon, die erin bestaat dat hij wist of hoorde te weten dat de aangestelde misbruik maakte van de bediening, is niet voldoende om die aansprakelijkheid uit te sluiten maar zal, desgevallend leiden tot verdeling van de aansprakelijkheid.

In deze zaak overweegt het arrest dat "S.F. directeur [was] van een kantoor waar de [eisers] klant waren; stukken met het briefhoofd [van de verweerster] werden door hem opgesteld; de verrichtingen, zowel de plaatsing van de gelden als de afhalingen in contant geld gebeurden in zijn bankkantoor tijdens de openingsuren; de fouten van de aangestelde van [de verweerster], tijdens zijn bediening, staan daarmee in verband, zodat zijn aansteller daarvoor op grond van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden gesteld, ook al zijn ze het gevolg van een misbruik van bediening".

Aldus stelt het uitdrukkelijk vast, niet alleen dat de aangestelde fouten heeft begaan, maar bovendien dat die fouten door hem zijn begaan tijdens zijn bediening en daarop betrekking hebben.

Bijgevolg waren de voorwaarden voor de toepassing van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek vervuld, zodat de verweerster de door haar aangestelde veroorzaakte schade van de eisers diende te vergoeden.

Het arrest dat vaststelt dat de fouten van de voormalige directeur van verweersters agentschap begaan werden tijdens de bediening en betrekking hadden op die bediening, heeft bijgevolg niet naar recht kunnen beslissen dat de op artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek gegronde vorderingen niet gegrond waren omdat het niet mogelijk was dat de eisers het misbruik van bediening door S.F. niet hadden beseft en zich niet konden beroepen op een terechte onwetendheid (schending van artikel 1384, eerste en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Betreffende de door de verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel heeft geen belang

De verweerster voert aan dat het arrest, dat zich aansluit bij de leer van professor Cornelis, het gedrag van de getroffene als bedrog aanmerkt omdat hij van de aan-steller schadevergoeding vordert, hoewel hij weet dat de aangestelde met wie hij gehandeld heeft zijn bediening te buiten is gegaan, en dat het zodoende een wettelijke toepassing maakt van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit om zijn beslissing daarop te gronden.

Het arrest, dat de denkpistes uiteenzet die tot de beslissing van het hof van beroep hebben geleid, verwijst weliswaar naar de leer van professor Cornelis, maar grondt die beslissing niet op het beginsel fraus omnia corrumpit maar op de overweging dat "het beroep tegen de aansteller slechts door getroffenen die te goeder trouw zijn, kan worden ingesteld, wat onderstelt dat hun foutieve inschatting van de bevoegdheid van de aangestelde met wie zij gehandeld hebben, gewettigd moet zijn".

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Middel

Krachtens artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek zijn de meesters en degenen die anderen aanstellen, aansprakelijk voor de schade door hun dienstbo-den en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.

De onrechtmatige daad, ook de opzettelijke, moet weliswaar passen in het kader van de bediening van de aangestelde; het is evenwel voldoende de die daad werd gesteld tijdens de bediening en dat zij, ook onrechtstreeks of occasioneel, daarop betrekking heeft; indien die daad voortvloeit uit een misbruik van de bediening, wordt de aansteller slechts van zijn aansprakelijkheid vrijgesteld, voor zover zijn aangestelde zonder toestemming buiten de grenzen van zijn bediening heeft ge-handeld en voor een doel buiten zijn eigen bevoegdheid heeft gehandeld.

Wanneer de onrechtmatige daad die voortvloeit uit een misbruik van de bedie-ning, gesteld wordt tijdens de bediening en, zelfs onrechtstreeks of occasioneel, daarop betrekking heeft, moet de aansteller burgerrechtelijk instaan voor de fout van zijn aangestelde.

De fout van de benadeelde persoon, die erin bestaat dat hij wist of hoorde te weten dat de aangestelde misbruik maakte van zijn bediening, is niet voldoende om de aansprakelijkheid van de aansteller uit te sluiten.

Uit de redenen van het beroepen vonnis die het arrest overneemt, alsook uit zijn eigen redenen, blijkt dat de eerste twee eisers "al jaren klant zijn bij de [verweer-ster] [...] via het kantoor te G. [...] dat geleid wordt door de heer [...] F.", dat de eisers "door toedoen van de heer F. beleggingen hebben verricht", dat de ver-weerster "uiteenzet dat zij, in de loop van november 2007, [...] [de eisers] heeft gemeld dat zij de werkelijkheid van de bewuste beleggingen betwistte en dat zij zich niet gebonden achtte door verbintenissen die de, intussen overleden, heer F. was aangegaan" en dat, "[de eisers] een rechtsvordering [tegen de verweerster] hebben ingesteld, omdat zij weigerde hen te vergoeden".

Uit de feiten die het arrest vermeldt, leidt het af, enerzijds, dat "het misbruik van de bediening door [...] F. [...] niet op ernstige gronden [kan] worden betwist" en dat "de fouten van de aangestelde van [de verweerster], tijdens zijn bediening, [...] daarmee in verband [staan], zodat zijn aansteller daarvoor op grond van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden gesteld, ook al zijn ze het gevolg van een misbruik van bediening", en, anderzijds, dat "de beweringen van de [eisers] dat zij te goeder trouw gedacht hebben dat zij hun spaargeld bij [de verweerster] belegden, weinig waarschijnlijk lijken", dat "zij niet redelijkerwijs hebben kunnen geloven dat dit het geval was", dat "zij wisten dat S.F. misbruik van zijn bediening maakte door hun dergelijke beleggingen voor te stellen" en dat "[zij] niet onwetend [konden] zijn van het feit dat S.F. zijn bediening misbruikte en, bijgevolg, dat de litigieuze beleggingen onregelmatig waren".

Blijkens die vermeldingen oordeelt het arrest, enerzijds, dat de onrechtmatige da-den van de aangestelde van de verweerster niet buiten de grenzen van zijn bedie-ning zijn gesteld, en anderzijds, dat de eisers wisten dat die onrechtmatige daden voortvloeiden uit misbruik door die aangestelde van zijn bediening tijdens die be-diening en dat ze, zelfs onrechtstreeks of occasioneel, daarop betrekking hebben.

Het arrest dat eerst overweegt dat "het beroep tegen de aansteller slechts door ge-troffenen die te goeder trouw zijn, kan worden ingesteld, wat onderstelt dat hun foutieve inschatting van de bevoegdheid van de aangestelde met wie zij gehandeld hebben, gewettigd moet zijn", en dat "artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek [...] slechts [geldt] ten aanzien van derden die te goeder trouw zijn", en beslist dat "[de] vordering [van de eisers] [...] dus niet [kan] worden aangeno-men op grond van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, omdat ge-wettigde dwaling betreffende de omvang van de bevoegdheid van die aangestelde, in hun hoofde is uitgesloten", schendt die wettelijke bepaling.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de op artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek gegronde vordering van de eisers verwerpt en uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Alain Simon, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 21 maart 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Voorwaarden voor de aansprakelijkheid van meesters en aanstellers

  • Beginselen