- Arrest van 22 maart 2013

22/03/2013 - C.12.0315.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de bepalingen van artikel 14, eerste en tweede lid, Handelshuurwet volgt dat de hoofdhuurder verplicht is zijn antwoord binnen drie maanden te rekenen vanaf de aanvraag tot hernieuwing van de onderhuurder kenbaar te maken aan de onderhuurder; het stilzwijgen van de hoofdhuurder geldt als vermoeden van instemming met de aanvraag tot hernieuwing van de onderhuurder (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0315.N

1. P.D.,

2. P.D.R.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woon-plaats kiezen,

tegen

1. BROUWERIJ HANDELSMAATSCHAPPIJ nv, met zetel te 1000 Brus-sel, Vlees- en Broodstraat 11,

2. BROUWERIJ HAACHT nv, met zetel te 3190 Boortmeerbeek, Provin-ciesteenweg 28,

verweersters,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweersters woon-plaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van koophandel te Leuven van 21 februari 2012.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 28 januari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet bepaalt dat de huurder die het recht op hernieuwing verlangt uit te oefenen, zulks op straffe van verval bij exploot van gerechtsdeurwaarder of bij aangetekende brief ter kennis van de verhuurder moet brengen, ten vroegste achttien maanden, ten laatste vijftien maanden vóór het ein-digen van de lopende huur. De kennisgeving moet op straffe van nietigheid de voorwaarden opgeven waaronder de huurder zelf bereid is om de nieuwe huur aan te gaan en de vermelding bevatten dat de verhuurder geacht zal worden met de hernieuwing van de huur onder de voorgestelde voorwaarden in te stemmen, in-dien hij niet op dezelfde wijze binnen drie maanden kennis geeft ofwel van zijn met redenen omklede weigering van hernieuwing, ofwel van andere voorwaarden of van het aanbod van een derde.

Artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet bepaalt dat, wanneer partijen niet tot overeenstemming komen, de onderhuurder, die, om zijn rechten ten opzichte van de verhuurder te vrijwaren, zijn aanvraag, zoals bepaald in artikel 11, II, tweede lid, ter kennis van de verhuurder heeft gebracht, de hoofdhuurder en de verhuur-der moet dagvaarden binnen dertig dagen na het afwijzend antwoord van een van beiden, of, indien een van hen niet heeft geantwoord, binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijn van drie maanden. De verhuurder die zijn houding ten opzichte van de onderhuurder niet heeft bepaald, kan in de loop der instantie en binnen de termijnen die hem door de rechter worden toegestaan, zijn recht van te-rugneming inroepen of de hernieuwing afhankelijk stellen van andere voorwaar-den.

Uit deze bepalingen volgt dat de hoofdhuurder verplicht is zijn antwoord binnen drie maanden te rekenen vanaf de aanvraag tot hernieuwing van de onderhuurder kenbaar te maken aan de onderhuurder.

Het stilzwijgen van de hoofdhuurder geldt als een vermoeden van instemming met de aanvraag tot hernieuwing van de onderhuurder.

2. Uit het vonnis blijkt dat:

- de tweede verweerster het handelshuis van de eerste verweerster huurde bij overeenkomst van 31 januari 2001 voor een periode van 1 mei 2002 tot 30 april 2011;

- de tweede verweerster het handelshuis in onderhuur gaf aan de eisers bij overeenkomst van 1 februari 2001 voor een periode van 1 mei 2002 tot 30 april 2011;

- de eisers een aanvraag tot huurhernieuwing verstuurden naar de tweede ver-weerster bij aangetekend schrijven van 1 november 2009;

- de eisers de eerste verweerster bij aangetekend schrijven van 1 november 2009 op de hoogte stelden van hun aanvraag tot huurhernieuwing;

- de eerste en tweede verweersters niet geantwoord hebben binnen een termijn van drie maanden na de aanvraag tot huurhernieuwing van de eisers.

3. De appelrechters die oordelen dat "wanneer de onderhuurder verzuimt om de verhuurder en de hoofdhuurder te dagvaarden binnen de door artikel 14, lid 2, bepaalde termijn, de onderhuurder [dan] vervallen [is] van zijn recht op her-nieuwing van de handelshuur", schenden artikel 14, eerste en tweede lid, Han-delshuurwet.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit het recht op huurhernieuwing van de eisers ten aanzien van de tweede verweerster vervallen verklaart, de vordering tot schadevergoeding tegen deze verweerster afwijst en oordeelt over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van koophandel te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 22 maart 2013 uitgesproken door voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

B. Wylleman

A. Smetryns

B. Deconinck

A. Fettweis

E. Dirix

Vrije woorden

  • Aanvraag tot hernieuwing van de onderhuurder

  • Verplichting hoofdhuurder