- Arrest van 25 maart 2013

25/03/2013 - C.12.0037.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels; hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent (1). (1) Cass. 29 sept. 2011, AR C.10.0349.N, AC 2011, nr. 514, met concl. van het OM; zie o.m. Cass. 31 jan. 2011, AR C.10.0123.F, AC 2011, nr. 88; Cass. 1 feb. 2010, AR S.09.0064.N, AC 2010, nr. 77, met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; Cass. 28 sept. 2009, AR C.04.0253.F, AC 2009, nr. 529, met concl. van advocaat-generaal J.-M. GENICOT in Pas. 2009, nr. 529; Cass. 28 mei 2009, AR C.06.0248.F, AC 2009, nr. 355, met conc1. van advocaat-generaal A. HENKES; Cass. 28 mei 2009, AR C.08.0066.F, AC 2009, nr. 356.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0037.N

1. M.D.,

2. P.D.,

3. C.D.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. GROEP KNIPPENBERG nv, met zetel te 3680 Maaseik, Industrieterrein Jagersborg 1007,

2. BOUWWERKEN WILLY KNIPPENBERG nv, met zetel te 3680 Maas-eik, Industrieterrein Jagersborg 1007,

verweersters,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweer-sters woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 juni 2011.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 8 januari 2013 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de par-tijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridi-sche omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aange-voerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting op-werpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij en-kel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. Het feit dat de partijen de toepassing van een bepaalde wetsbepaling niet hebben opgeworpen, betekent niet dat zij die mogelijkheid bij conclusie hebben uitgesloten.

2. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet mis-kend wanneer een rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweer-ders aanvoerden dat de overeenkomst van 28 februari 2005 haar bestaansreden was verloren en de eigendomsoverdracht aan de verweerders niet meer kon plaatsvinden omdat door het onteigeningsbesluit "de nakoming van de verbinte-nissen door [de eisers] onmogelijk [werd]" en dat de eisers aanvoerden dat er aan hun kant geen toerekenbare tekortkoming bestond.

4. De appelrechters die oordelen dat zowel de eisers als de verweerders van hun verbintenissen zijn bevrijd wegens overmacht ten gevolge van het onteige-ningsbesluit, miskennen het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdedi-ging niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

5. De appelrechters die oordelen dat zowel de eisers als de verweerders van hun verbintenissen werden bevrijd wegens overmacht ten gevolge van het ontei-geningsbesluit, de beslissing tot onteigening uitsluitend berustte bij de stad Maas-eik en aan geen der partijen enige onzorgvuldigheid is toe te rekenen, ook al waren de verweerders op de hoogte van de mogelijke onteigening, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

6. De overeenkomst vermeldt in artikel 2 dat de optie "loopt vanaf 1/3/2005 tot en met 1/9/2006 en dient voor deze datum te worden gelicht".

7. Uit de samenlezing met artikel 3 volgt dat de uitleg van de appelrechters dat de vergoeding voor de optie te beschouwen is als een voorschot op de prijs indien de koop plaatsvindt en als een vergoeding indien de verweerders de optie niet zouden lichten, niet onverenigbaar is met de bepalingen van de overeenkomst.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

eenparig beslissend,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 621,39 euro en voor de verweersters op 395,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en raadsheer Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 25 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Smetryns E. Stassijns

E. Dirix

Vrije woorden

  • Gerechtelijk recht

  • Rechtspleging

  • Taak van de rechter

  • Ambtshalve aanvullen der redenen