- Arrest van 26 maart 2013

26/03/2013 - P.11.1476.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de omstandigheid dat de eerste voorzitter van het hof van beroep drie magistraten van het hof van beroep heeft aangeduid om te zetelen in de burgerlijke kamer die kennis neemt van een op artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering gesteunde herzieningsaanvraag, volgt dat hijzelf wettig belet is om te zetelen; niet is vereist dat dit wettig belet uitdrukkelijk door de eerste voorzitter zou worden vastgesteld (1). (1) Zie Cass. 11 okt. 1909, Pas., 1909, I, 386; Cass. 20 feb. 1985, AR 3488, AC 1984-85, nr. 371; Cass. 24 feb. 2009, AR P.08.1797.N, AC 2009, nr. 153.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1476.N

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE,

aanvrager tot herziening namens de minister van Justitie,

eiser,

inzake

1. F A M,

veroordeelde,

met als raadslieden mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie te Antwerpen en mr. Kris Beirnaert, advocaat bij de balie te Brussel,

2. BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Btw-administratie, met kantoor te 3500 Hasselt, Voortstraat 43,

burgerlijke partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Bij een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, geeft de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie te kennen dat de minister van Justitie hem, bij brief van 13 juli 2011, met kenmerk KAB/TM/2011, ermee heeft belast met toepassing van ar-tikel 443, 3°, Wetboek van Strafvordering, een aanvraag tot herziening in te die-nen betreffende het op tegenspraak gewezen arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 18 september 2001, waarbij F A M werd ver-oordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en een fiscale geldboete van 500.000 Belgische frank wegens inbreuken op de artikelen 73 en 73bis WBTW, de artike-len 53, 3°, en 4°, en 73 WBTW en de artikelen 45, § 1, en 73 WBTW en waarbij hij tevens werd veroordeeld om de btw-administratie als burgerlijke partij te ver-goeden. Bij arrest van het Hof van Cassatie van 5 maart 2002 (P.01.1431.N) werd het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 18 september 2001 vernietigd in zoverre het bij toepassing van artikel 43bis Strafwetboek lastens F A M een som verbeurd verklaarde, werd het cassatieberoep van F A M tegen dit arrest voor het overige verworpen en werd de aldus beperkte zaak verwezen naar het hof van beroep te Brussel. Bij arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele ka-mer, van 25 januari 2011, gewezen bij verstek, werd wat betreft die bijzondere verbeurdverklaring het verval van de strafvordering wegens verjaring vastgesteld en werd F A M van verdere rechtsvervolging ontslagen.

Bij arrest van het Hof van 29 november 2011 heeft het Hof bevolen dat de aan-vraag zou worden onderzocht door het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, teneinde na te gaan of de tot staving van de aanvraag aangevoerde feiten beslissend genoeg zijn om de zaak te herzien.

Bij arrest van 8 november 2012 adviseert het hof van beroep te Antwerpen, bur-gerlijke kamer, na onderzoek van de aanvraag tot herziening dat de tot staving er-van voorgedragen feiten niet beslissend genoeg schijnen te zijn om de zaak te her-zien.

De veroordeelde heeft in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aangevoerd.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 445, derde en vierde lid, Wet-boek van Strafvordering: de burgerlijke kamer die het arrest heeft gewezen, werd niet voorgezeten door de eerste voorzitter van het hof van beroep, maar wel door raadsheer Frans Timmermans; uit geen enkel dossierstuk blijkt dat de eerste voor-zitter wettelijk belet was om de zittingen waarop de zaak werd behandeld voor te zitten; evenmin bevat het dossier een beschikking waaruit blijkt dat de eerste voorzitter raadsheer Frans Timmermans aanwees om hem te vervangen.

2. Volgens artikel 445, vierde lid, Wetboek van Strafvordering wordt een op artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering gegronde herzieningsaan-vraag onderzocht door de burgerlijke kamer van het aangewezen hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter.

3. Uit de omstandigheid dat de eerste voorzitter van het hof van beroep drie magistraten van dit hof heeft aangeduid om te zetelen in de burgerlijke kamer die kennis neemt van een op artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering gesteunde herzieningsaanvraag, volgt dat hijzelf wettig belet is om te zetelen. Niet is vereist dat dit wettig belet uitdrukkelijk door de eerste voorzitter zou wor-den vastgesteld.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Uit de beschikking van 7 september 2012 waarbij de eerste voorzitter van het hof van beroep heeft bepaald dat de eerste kamer op 13 september 2012 een buitengewone rechtszitting zou houden om kennis te nemen van het door de ver-oordeelde ingediende verzoek tot rechtsbijstand, volgt dat de eerste voorzitter de raadsheren F. Timmermans, J. De Sloovere en C. Verschueren heeft aangeduid om deel uit te maken van de burgerlijke kamer die de herzieningsaanvraag zou adviseren en dat F. Timmermans zou fungeren als voorzitter.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat uit geen enkel stuk blijkt dat de eerste voorzitter raadsheer F. Timmermans heeft aangewezen om hem te vervangen, mist het feitelijke grondslag.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van de artikelen 443, eerste lid, 3°, en 445, derde en vierde lid, Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat bepaalde verklaringen niet nieuw zijn, handelt het arrest in strijd met het arrest van dit Hof van 29 november 2011 en de bij wet vastgelegde opdracht en is het onderzoek derhalve niet geschied overeenkomstig de wet; de ontvankelijkverklaring bij voormeld arrest van 29 november 2011 van de op artikel 443, eerste lid, 3°, Wet-boek van Strafvordering gesteunde herzieningsaanvraag houdt een erkenning in van het nieuw karakter van de aangevoerde feiten, waarop het hof van beroep niet kan terugkomen.

6. Met het arrest van 29 november 2011 oordeelde het Hof over de op artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering gegronde herzieningsaanvraag dat er geen redenen waren om deze vraag dadelijk als niet-ontvankelijk te verwerpen.

Aldus heeft het Hof geen uitspraak gedaan over het nieuwe karakter van de aan-gevoerde feiten.

Uit dat oordeel volgt niet dat het aangewezen hof van beroep bij de beoordeling of de tot staving van de aanvraag aangevoerde feiten beslissend genoeg schijnen te zijn om de zaak te herzien, niet meer zou mogen oordelen of deze feiten al dan niet nieuw zijn.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 445, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbe-ginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest houdt bij de beoordeling van het schijnbaar beslissend karakter van de tot herziening aangevoerde feiten ten onrechte rekening met ele-menten waarop de schuldigverklaring niet was gesteund.

8. Bij de beoordeling of de als nieuw aangevoerde feiten beslissend genoeg schijnen om de zaak te herzien dient het hof van beroep zich niet te beperken tot de gegevens die de veroordelende beslissing uitdrukkelijk in aanmerking neemt om te beslissen tot de schuld van de veroordeelde. Het adviserende hof van be-roep mag haar oordeel steunen op alle dossiergegevens waarover partijen tegen-spraak hebben kunnen voeren, waardoor hun recht op een eerlijk proces en hun recht van verdediging afdoende zijn gewaarborgd.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Vierde middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 445, vierde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest verwerpt ten onrechte de verklaringen van M G en W V D V omdat die niet ter beoordeling van het hof van beroep voorliggen; die verkla-ringen zijn nochtans vermeld in het memorandum dat integraal deel uitmaakt van de aanvraag; daardoor is het onderzoek niet geschied in overeenstemming met de wet.

10. Bij arrest van het Hof van 29 november 2011 werd de aanvraag tot herzie-ning die namens de minister van Justitie werd ingediend door de procureur-generaal bij het Hof ontvankelijk verklaard. Volgens het aan dit arrest gehechte verzoekschrift schijnt het bewijs dat de veroordeelde onschuldig is of dat een strengere strafwet is toegepast dan die welke hij werkelijk heeft overtreden, te kunnen volgen uit feiten die zich hebben voorgedaan sedert zijn veroordeling of uit omstandigheden waarvan hij het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding, namelijk "nieuwe verklaringen van de heren S V d B, P P, J-P W, W D en W V d E, die elk apart maar ook samenhangend kunnen beschouwd wor-den als nieuw feit, alsook de omstandigheid dat de oorspronkelijke verklaringen van W R lijken ondergraven te worden door deze nieuwe elementen en mogelijk werden afgelegd onder bedreiging van de echte organisatoren van de btw-fraude".

In de brief van de minister van Justitie aan de procureur-generaal van 13 juli 2011 wordt gesteld dat: "Uit een aantal nieuwe verklaringen en elementen die F A M mij heeft bezorgd, zou inderdaad kunnen blijken dat F A M onschuldig is, zeker indien zij samen gelezen worden met de overige elementen in het dossier die wijzen op zijn onschuld. Het gaat om (i) nieuwe verklaringen van de heren S V d B, P P, J-P W, W D en W V d E die elk apart maar ook samenhangend moeten beschouwd worden als nieuw feit, alsook om (ii) de omstandigheid dat de oorspronkelijke verklaringen van W R in het dossier ondergraven worden door deze nieuwe elementen en vermoedelijk werden afgelegd onder bedreigingen van de echte organisatoren van de btw-fraude."

In de brief van de minister van Justitie aan de procureur-generaal bij het Hof is vermeld dat als bijlage een brief is gevoegd van F A M, met een memorandum dat de nodige elementen bevat en dat wordt gestaafd met bijlagen, welke alle inte-graal deel uitmaken van de herzieningsaanvraag.

11. Uit het voormelde volgt niet dat alle in de brief van F A M, het bijgevoegde memorandum en de bijlagen vermelde feitelijkheden en verklaringen door de mi-nister van Justitie als een nieuw feit werden aangevoerd tot staving van zijn her-zieningsaanvraag. De minister van Justitie heeft uitdrukkelijk aangegeven welke elementen hij als een nieuw feit tot staving van zijn herzieningsverzoek heeft aan-gevoerd.

12. De verklaringen van M G en W V D V werden dan ook door de minister van Justitie niet als een nieuw feit in de zin van artikel 443, eerste lid, Wetboek van Strafvordering aangevoerd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vijfde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 445, vierde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet de conclusie van de veroordeelde dat de verklaringen van W D met betrekking tot de verklaringen van W R alleszins nieuw zijn en dat zij van aard zijn het bewijs van zijn onschuld te vormen.

14. De op artikel 445, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, gegronde ver-plichting voor het hof van beroep om de middelen van de veroordeelde te beant-woorden, houdt niet in dat het hof moet antwoorden op elk argument dat tot on-dersteuning van een middel werd aangevoerd, zonder een afzonderlijk middel te vormen.

Met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest (p. 8-11) het middel van de veroordeelde met betrekking tot het nieuw en het schijnbaar beslissend karakter van de verklaringen van W D met betrekking tot de verklaringen van W R, zonder dat het hoefde te antwoorden op de argumenten die tot staving ervan werden aan-gevoerd, zonder zelf een middel te vormen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

15. Het onderzoek is geschied overeenkomstig artikel 445 Wetboek van Straf-vordering en de voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de aanvraag tot herziening.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 26 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens P. Hoet

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Herzieningsaanvraag

  • Verwijzing voor advies naar het aangewezen hof van beroep

  • Beoordeling door de burgerlijke kamer voorgezeten door de eerste voorzitter

  • Aanduiding door de eerste voorzitter van drie raadsheren