- Arrest van 26 maart 2013

26/03/2013 - P.13.0133.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De in de vordering van de procureur des Konings begrepen strafbare feiten bepalen de aanhangigmaking van de zaak bij de onderzoeksrechter; stukken die bij de vordering zijn gevoegd, kunnen dienstig zijn om de bedoelde feiten te verduidelijken, maar kunnen niet in de plaats van die feiten worden gesteld (1). (1) Zie Cass. 22 okt. 2003, AR P.03.1150.F, AC 2003, nr. 521.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0133.N

FEDERALE PROCUREUR,

vervolgende partij,

eiser,

tegen

1. J A U D L,

beklaagde,

met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie te Brugge,

2. F E M L,

beklaagde,

met als raadsman mr. Pol Vandemeulebroucke, advocaat bij de balie te Ant-werpen,

3. M R M V,

beklaagde,

4. N E,

beklaagde,

5. P A,

beklaagde,

6. M J C B,

beklaagde,

7. M V D,

beklaagde,

8. SERVI-LAB nv, failliet verklaard, met als curator Greet ALLIET, met kan-toor te 8755 Ruiselede, Bruggestraat 22,

beklaagde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 21 november 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 28bis, 47 en 55 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de strafvordering ten onrechte niet ontvan-kelijk omdat de in het aanvankelijk proces-verbaal aangehaalde feiten op grond waarvan het openbaar ministerie het instellen van een gerechtelijk onderzoek heeft gevorderd, in strijd met de formele bewoordingen van de vordering, niet de voor het instellen van een gerechtelijk onderzoek vereiste ernstige aanwijzingen opleveren van reeds aan het licht gekomen, in tijd en ruimte bepaalbare strafbare feiten die een reactief onderzoek verantwoorden, maar integendeel slechts een re-delijk vermoeden over een mogelijk gepleegd misdrijf opleveren, zodat de onder-zoeksrechter onregelmatig werd gevat met een proactief onderzoek; evenwel maakt de bedoelde vordering expliciet melding van in tijd en ruimte gesitueerde, reeds voltrokken en nog lopende misdrijven, betrekking hebbende op drugmis-drijven in vereniging en bendevorming; het bij de vordering gevoegde aanvanke-lijke proces-verbaal met politionele informatie, waarin sprake is van een "vermoe-den", kan weliswaar gelezen worden in context met de vordering tot gerechtelijk onderzoek, maar is als dusdanig niet bepalend voor het onderzoek; door enerzijds een geïsoleerde analyse te maken van dat proces-verbaal en overdreven nadruk te leggen op het daarin voorkomende woord "vermoeden" en anderzijds de waarde te miskennen van de vordering tot gerechtelijk onderzoek die een zelfstandige, omstandig gemotiveerde toelichting verschaft over de beschikbare informatie en aanwijzingen met betrekking tot de feiten en telastleggingen waarvoor het onder-zoek wordt gevorderd, leidt het arrest uit zijn vaststellingen gevolgen af die daar-mee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord en schendt het de in het middel vermelde bepalingen.

2. Aanleiding tot de proactieve recherche in de zin van artikel 28bis, § 2, Wet-boek van Strafvordering is het enkel bestaan van een redelijk vermoeden van een misdrijf, dat een verkennende dader- en fenomeengerichte informatiegaring ver-antwoordt. Daarentegen verplicht informatie over nog te plegen of reeds gepleeg-de maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, die dusdanig concreet is dat die feiten een in de tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf gaan vormen, tot het op-stellen van een proces-verbaal overeenkomstig artikel 40 Wet Politieambt, het vatten van de daders en het verzamelen van bewijzen.

3. Het komt aan de rechter toe te oordelen of omwille van de reeds beschikbare informatie, het stadium van het zuiver "redelijk vermoeden" overstegen wordt en er geen nood meer is aan een verkennende informatiegaring, zoals bedoeld in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering. Het Hof kan alleen nagaan of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

4. De in de vordering van de procureur des Konings begrepen strafbare feiten bepalen de aanhangigmaking van de zaak bij de onderzoeksrechter. Stukken die bij de vordering zijn gevoegd, kunnen dienstig zijn om de bedoelde feiten te ver-duidelijken, maar kunnen niet in de plaats van die feiten worden gesteld.

Een dergelijke vordering kan betrekking hebben zowel op gepleegde en al dan niet aan het licht gebrachte strafbare feiten als op nog niet gepleegde strafbare feiten, in zoverre het openbaar ministerie met betrekking tot die feiten over informatie beschikt die dusdanig concreet is dat zij een in de tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf gaan vormen.

5. Het arrest oordeelt onder meer dat:

- in de vordering tot gerechtelijk onderzoek van 17 februari 2006 ten laste van de verweerders 1 en 8 en X, "formeel" sprake is van ernstige aanwijzingen van reeds voltrokken en nog lopende misdrijven;

- de bij de vordering gevoegde stukken bestaan uit één aanvankelijk proces-verbaal van dezelfde datum, waarvan de inhoud weliswaar toelaat te besluiten tot een redelijk vermoeden over mogelijk door de verweerders 1 en 8 en X ge-pleegde misdrijven, maar die inhoud niet de voor het instellen van een vorde-ring tot gerechtelijk onderzoek vereiste ernstige aanwijzingen oplevert van reeds voltrokken en nog lopende misdrijven, zoals formeel geponeerd in de vordering;

- de proactieve adiëring van de onderzoeksrechter noodzakelijk leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering.

6. Op grond van die redenen verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten op 580,57 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 26 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Adiëring

  • Vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek

  • Saisine van de onderzoeksrechter

  • Omvang

  • In de vordering vermelde strafbare feiten

  • Bij de vordering gevoegde stukken