- Arrest van 27 maart 2013

27/03/2013 - P.12.1945.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten vervatte algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, verzet zich ertegen dat iemand strafrechtelijk wordt vervolgd nadat hij een administratieve geldboete heeft betaald van strafrechtelijke aard, wanneer de tekst waarbij de geldboete is bepaald en die betreffende het strafbaar feit, in vergelijkbare bewoordingen, dezelfde gedraging bestraffen en de bestanddelen van beide misdrijven identiek zijn (1). (1) GwH, 26 april 2007, nr. 67/2007, overweging B.10; EG 9 dec. 2009, arrest Carly, nr. 198.730.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1945.F

I. P. J.,

II. N. J.,

Mrs. Adrien Masset, advocaat bij de balie te Verviers, en Christian Boulangé, ad-vocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 oktober 2012.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

A. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissing over het be-staan van voldoende bezwaren

De bestreden beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en houdt geen verband met de gevallen bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Het eerste middel verwijt de kamer van inbeschuldigingstelling dat zij de eiser, die met name wordt vervolgd wegens belangenneming, een hoedanigheid heeft toegekend die geen verband houdt met het openbaar ambt, als vereist om het mis-drijf op te leveren dat bij artikel 245 Strafwetboek strafbaar wordt gesteld.

Het Hof vermag geen acht te slaan op dat middel dat, omdat het betrekking heeft op het debat over de bezwaren, niet ontvankelijk is, evenals het cassatieberoep tot staving waarvan het is aangevoerd.

B. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissing waarbij de door de eisers aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvor-dering, afgeleid uit het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, wordt afge-wezen

Tweede middel

Beide onderdelen samen

De eisers hebben voor de kamer van inbeschuldigingstelling aangevoerd en voeren thans voor het Hof aan dat de naamloze vennootschap waarvan de eerste eiser afgevaardigd bestuurder was, aangemaand werd het bedrag van de ontdoken be-lasting te betalen, vermeerderd met een geldboete die gelijk is aan de helft van dat bedrag, dat de eisers die geldboete zelf hebben betaald en dat het strafrechtelijk karakter ervan, in de zin van artikel 6 EVRM, verbiedt om hen andermaal te straf-fen.

Het door het middel aangevoerde algemeen rechtsbeginsel, dat vervat is in artikel 14.7 IVBPR, verzet zich ertegen dat iemand strafrechtelijk wordt vervolgd nadat hij een administratieve geldboete heeft betaald van strafrechtelijke aard, wanneer de tekst waarbij de geldboete is bepaald en die welke betrekking heeft op het strafbaar feit, in vergelijkbare bewoordingen, dezelfde gedraging bestraffen en de bestanddelen van beide misdrijven identiek zijn.

Volgens de telastleggingen C.12 tot K.23 worden de eisers vervolgd wegens vals-heid in geschriften en gebruik van valse stukken in de jaarrekeningen van een naamloze vennootschap, valse facturen, oneigenlijke aftrekposten en onrechtmati-ge terugbetalingen van de belasting over de toegevoegde waarde, niet-aangifte van een belastbare winst en niet-betaling van de verschuldigde belasting op die verborgen winst, oplichtingen of misbruik van vennootschapsgoederen en overtre-dingen van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de on-dernemingen.

De eisers hebben in de namens hen op de rechtszitting van de kamer van inbe-schuldigingstelling van 1 oktober 2012 neergelegde conclusie aangevoerd dat de strafvordering niet ontvankelijk is en verklaren daartoe alleen dat hun vennoot-schap een naheffing had betaald nadat haar een administratieve geldboete was op-gelegd, bestaande uit een verhoging met vijftig percent.

De eisers hebben bijgevolg niet aangevoerd dat de administratieve geldboete waarop zij zich baseren, werd opgelegd met toepassing van één of meerdere wet-telijke of reglementaire bepalingen die de feiten bestraffen die de hogervermelde telastleggingen opleveren en evenmin dat deze kunnen worden herleid tot het ver-zuim dat aanleiding heeft gegeven tot de aangevoerde naheffing en belastingver-hoging.

Het arrest schendt bijgevolg noch artikel 6 EVRM en miskent evenmin het in het middel aangehaalde algemeen rechtsbeginsel, door te beslissen dat de betaling van het door de belastingadministratie vastgestelde bedrag de tegen de eisers wegens die telastleggingen ingestelde strafvordering niet doet vervallen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

C. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissing die de eisers naar de correctionele rechtbank verwijst

Het verwijzingsarrest bevat geen enkele onregelmatigheid, verzuim of nietigheid.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 27 maart 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem"

  • Administratieve geldboete van strafrechtelijke aard

  • Betaling

  • Latere strafvordering