- Arrest van 28 maart 2013

28/03/2013 - D.11.0014.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 9, §7, vierde lid, van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen, gecodificeerd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2007, moet het verzoekschrift waarmee het cassatieberoep wordt ingesteld tegen een tuchtrechtelijke beslissing van een kamer van beroep van een beroepsinstituut dat onder die wet valt, overeenkomstig de artikelen 478, eerste lid, en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek, ondertekend worden door een advocaat bij het Hof van Cassatie; dat artikel 9, §7, vierde lid schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie oplegt (1). (1) Zie Cass. 16 dec. 2011, AR D.11.0014.F, AC 2011, en concl. O.M. in Pas., 2011, nr. 693; GwH, arrest 160/2012 van 20 dec. 2012.

Arrest - Integrale tekst

AR D.11.0014.F

J.-C. M.,

Mr. Juan Castiaux, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

BEROEPSINSTITUUT VAN VASTGOEDMAKELAARS,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van 26 april 2011 van de kamer van beroep met het Frans als voertaal van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars.

Het Hof heeft aan het Grondwettelijk Hof, bij arrest van 16 december 2011, een prejudiciële vraag gesteld, waarop dat hof bij arrest nr. 160/2012 van 20 december 2012 geantwoord heeft.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Betreffende het middel van niet-ontvankelijkheid dat door de verweerder tegen het cassatieberoep is opgeworpen: het verzoekschrift is niet onder-tekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie:

Krachtens artikel 9, § 7, vierde lid, van de kaderwet betreffende de dienstverle-nende intellectuele beroepen, gecodificeerd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2007, moet het verzoekschrift waarmee het cassatieberoep wordt ingesteld tegen een tuchtrechtelijke beslissing van een kamer van beroep van een beroepsinstituut dat onder die wet valt, overeenkomstig de artikelen 478, eerste lid, en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek, ondertekend worden door een advocaat bij het Hof van Cassatie.

Het Grondwettelijk Hof heeft, bij het voormelde arrest van 20 december 2012, voor recht gezegd dat het voormelde artikel 9, § 7, vierde lid "de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, in zoverre het het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie oplegt".

Het verzoekschrift is niet ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 28 maart 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Beroepsinstituut

  • Tuchtrechtelijke beslissing

  • Cassatieberoep

  • Verplichting een beroep te doen op een advocaat bij het Hof van Cassatie

  • Bestaanbaarheid met de Grondwet