- Arrest van 29 maart 2013

29/03/2013 - C.10.0638.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de overheid overgaat tot uitvoering van de voorschriften van de streek-, gewest- of gemeentelijke plannen en zij daarvoor gronden onteigent, wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigend perceel geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van de plannen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0638.N

1. E.V.,

2. H.S.,

3. L.S.,

4. M.S.,

5. V.S.,

6. L.S.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

PROVINCIALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ ANTWERPEN, (POM ANTWERPEN), voorheen de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij Antwerpen, (GOM Antwerpen), publiekrechtelijke instelling met rechtspersoon-lijkheid, met zetel te 2018 Antwerpen, Lange Lozanastraat 223, vertegenwoordigd door de voorzitter van het Comité tot aankoop van onroerende goederen te Mechelen, met kantoor te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24, bus 27,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 9 december 2008.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

1. Krachtens artikel 29 Stedenbouwdecreet 1996 wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening gehouden met de waardever-meerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van het streek-, gewest- of gemeentelijk plan van aanleg, noch met de waardevermeerdering die het goed heeft verkregen door werken of veranderingen uitgevoerd met overtre-ding van de voorschriften van één der plannen van aanleg, indien de werken na de sluiting van het openbaar onderzoek aangaande het plan zijn uitgevoerd.

Wanneer de overheid overgaat tot de uitvoering van de voorschriften van de streek-, gewest- of gemeentelijke plannen en zij daarvoor gronden onteigent, wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigend perceel geen rekening ge-houden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voor-schriften van de plannen.

Ingeval de onteigening niet geschiedt ter verwezenlijking van een streek-, gewest- of gemeentelijk plan, verbiedt geen enkel wettelijk voorschrift dat bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van zodanig plan. In dit geval is de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding die krachtens artikel 16 Grondwet aan de onteigende verschuldigd is, verplicht met zodanige waardevermeerdering of -vermindering rekening te houden.

2. Luidens artikel 7.2.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 be-treffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en ge-westplannen, zijn de industriegebieden bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. Tevens worden in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven toege-laten, namelijk: bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collec-tieve restaurants, opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of interna-tionale verkoop.

Luidens artikel 8.2.1 van dit besluit kunnen voor de industriegebieden volgende nadere aanwijzingen worden gegeven zoals subartikel 8.2.1.2 de gebieden voor milieubelastende industrieën die bestemd zijn voor bedrijven die om economische of sociale redenen moeten worden afgezonderd.

3. Het begrip "industrie of industriële bedrijven" in de zin van de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 verwijst naar bedrijven die grondstoffen verwerken of naar productief-technische bedrijven.

Louter commerciële of dienstverlenende bedrijven, zoals winkels, warenhuizen of veilingen zijn geen industrie of industriële bedrijven in de zin van die bepalingen. Een tuinbouwveiling beantwoordt niet aan de definitie van het wettelijk begrip milieubelastende industrie.

4. De appelrechters stellen vast dat:

- het te onteigenen perceel volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij ko-ninklijk besluit van 5 augustus 1976 gelegen is in een gebied voor milieubelas-tende industrie;

- het ministerieel besluit van 10 juni 1997 houdende goedkeuring van het ontei-geningsplan overweegt dat de gronden na verwerving zullen overgedragen worden aan de coöperatieve vennootschap VMV (Vennootschap Mechelse Veilingen).

5. De appelrechters oordelen dat:

- de onteigende overheid die optreedt op grond van de wet van 30 december 1970 op de economische expansie verplicht is de regel van artikel 29 van het decreet van 22 oktober 1996 (thans artikel 72 van het decreet van 18 mei 1999) toe te passen;

- de overheden en openbare rechtspersonen die op grond van artikel 30 van de wet van 30 december 1970 tot onteigening van onroerende goederen overgaan voor de aanleg van industrie-, ambachts- of dienstenterreinen, zulks slechts vermogen te doen indien de onteigening strookt met de bestemming door het vigerende plan van aanleg gegeven;

- zij in dat geval voor de bepaling van de waarde van het onteigende goed ge-rechtigd zijn zich te beroepen op de bij artikel 31 Stedenbouwwet (artikel 29 van het decreet van 22 oktober 1996, thans artikel 72 van het decreet van 18 mei 1999) bepaalde regels.

6. De appelrechters oordelen te dezen dat de onteigening wel degelijk werd gerealiseerd tot verwezenlijking van het gewestplan op volgende gronden:

- de stelling van de eisers dat een tuinbouwveiling, beperkt tot de distributie, on-verenigbaar zou zijn met de stedenbouwkundige bestemming omwille van de afwezigheid van een productiecomponent kan niet gevolgd worden;

- geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling voorziet in de productiecom-ponent als onlosmakelijk verbonden met een industrieel of ambachtelijk bedrijf;

- bovendien gaat de stelling dat een tuinbouwveiling uitsluitend gericht is op de distributie van tuinbouwproducten en niet thuishoort in een industriegebied en a fortiori niet in een gebied voor milieubelastende industrie uit van niet bewe-zen premissen;

- bepaalde onderdelen, zoals uitgebreide laad- en loskades en reinigingsinstalla-ties, kunnen immers wel als milieubelastend worden beschouwd.

7. De appelrechters die op die gronden oordelen dat een tuinbouwveiling van-uit planologisch oogpunt kan beschouwd worden als een milieubelastende indu-strie schenden artikel 8.2.1.2 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 be-treffende de inrichting en toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplan-nen.

Aangezien de appelrechters ten onrechte oordelen dat een tuinbouwveiling een milieubelastende industrie is in de zin van artikel 8.2.1.2 van het voornoemde ko-ninklijk besluit, verantwoorden zij hun beslissing dat de onteigening strekte tot re-alisatie van het gewestplan niet naar recht en schenden zij artikel 29 Stedenbouw-decreet 1996.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigd arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 29 maart 2013 uitgesproken door afdelings-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman G. Jocqué

B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Ter uitvoering van streek-, gewest- of gemeentelijke plannen

  • Onteigend perceel

  • Waardebepaling

  • Waardevermeerdering of -vermindering

  • Voortvloeiend uit de voorschriften van het plan