- Arrest van 8 april 2013

08/04/2013 - S.12.0128.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De regel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet uit artikel 10 van de Grondwet en de regel van het verbod van discriminatie in het genot van de rechten en vrijheden van de Belgen van artikel 11 van de Grondwet, impliceren dat ieder die zich in dezelfde toestand bevindt op dezelfde wijze wordt behandeld maar sluiten niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen op voorwaarde dat het onderscheidingscriterium objectief en redelijk kan worden verantwoord; het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld in het licht van de doelstelling en de gevolgen van de genomen maatregel; het gelijkheidsbeginsel wordt miskend als is aangetoond dat er geen redelijke proportionaliteit bestaat tussen het nagestreefde doel en de aangewende middelen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0128.F

1. J.-M. G.,

2. V. D.,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. I. H.,

2. D. V.,

3. L. M.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 27 april 2012.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren volgend middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11, 149 en 159 van de Grondwet;

- artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het principaal hoger beroep van de eisers niet gegrond en bevestigt bijgevolg het vonnis van de eerste rechter dat de vorderingen van de verweerders had ingewilligd en voor recht had gezegd dat hun schuldvorderingen op het faillissement van de naamloze vennootschap Orbetra wegens beschermingsvergoedingen respectievelijk ten belope van 2.259.504 frank voor H., 1.600.016 frank voor V. en 1.700.192 frank voor M., vermeerderd met de intresten, op grond van volgende redenen:

"B. Ten gronde

I. Recht op vergoedingen

In rechte wordt het eventueel ontslag van beschermde werknemers geregeld op grond van een rechtspleging die afwijkt van het gemeen recht krachtens de artikelen 17 en volgende van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 juni 1980 gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, betreffende het statuut van de syndicale afvaardigingen en algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 6 oktober 1980 en de artikelen 2 tot 19 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden;

Er wordt niet betwist dat de vennootschap Orbetra ressorteerde onder het paritair comité voor het bouwbedrijf en in het debat wordt aangenomen dat H., V. en M. vakbondsafgevaardigden waren;

Dat wordt uitdrukkelijk erkend door de curatoren in hun geschriften van hoger beroep. Zowel in het verzoekschrift als in de syntheseconclusie staat: 'De betrokkenen zijn tot hun ontslag vakbondsafgevaardigden van de Fédération générale du travail de Belgique in de gefailleerde onderneming geweest';

Er wordt evenmin betwist dat zij op 23 augustus 1994 werden ontslagen en dat daarbij de procedure van artikel 17 van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst niet is gevolgd;

Volgens de curatoren moet evenwel worden nagegaan of de beschermde werknemers zijn ontslagen wegens hun hoedanigheid van vakbondsafgevaardigden;

Zij betogen immers dienaangaande dat de schending van de wettelijke voorschriften geen gevolg moet hebben wanneer die werknemers in bepaalde omstandigheden niet wegens het uitoefenen van hun vakbondsmandaat zijn ontslagen zodat de geest van de bepaling is nageleefd;

Zij stellen dat het duidelijk is dat de drie vakbondsafgevaardigden helemaal niet werden gediscrimineerd en niet het slachtoffer zijn geworden van hun statuut als vakbondsafgevaardigde aangezien al het personeel van de onderneming is ontslagen wegens haar uiterst benarde financiële toestand die tot het faillissement heeft geleid;

Er moet echter op worden gewezen, wat de rechtbank trouwens had gedaan, dat de litigieuze ontslagen op 23 augustus 1994 zijn gebeurd, nog voor de onderneming failliet werd verklaard en zelfs voor ze in vereffening werd gesteld, en bovendien blijkt uit het onderzoek van de specifieke rechtspraak van het Hof van Cassatie dat de bescherming die geboden wordt door het statuut van vakbondsafgevaardigde in het algemeen belang is ingesteld en dus van openbare orde is en dat vrijstelling van de voorgeschreven vormvereisten enkel uit een gerechtelijke beslissing kan volgen die het collectief ontslag oplegt en niet uit de vaststelling van een virtuele staat van faillissement;

Het Hof van Cassatie heeft op 16 mei 2011 voor recht gezegd dat 'de bij de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bepaalde bijzondere bescherming tegen ontslag voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor bescherming en preventie op het werk, alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, tot doel heeft, enerzijds, aan de personeelsafgevaardigden de gelegenheid te geven hun opdracht in de onderneming uit te oefenen, en, anderzijds, de volledige vrijheid van de werknemers te waarborgen om zich kandidaat te stellen teneinde die opdracht uit te oefenen; die bescherming, waartoe de in artikel 14 van deze wet bepaalde mogelijkheid tot reïntegratie in de onderneming behoort, in het algemeen belang is ingevoerd en dienvolgens de openbare orde raakt';

Hetzelfde Hof heeft overigens ook voor recht gezegd dat 'de werkgever, de curator van een faillissement en de vereffenaar van een gerechtelijk akkoord niet zijn gehouden het paritair comité te raadplegen alvorens een beschermde werknemer wegens economische of technische redenen te ontslaan, wanneer zij ingevolge een rechterlijke beslissing, verplicht zijn alle werknemers gelijkelijk en terzelfdertijd of binnen een zeer korte termijn te ontslaan, zodat discriminatie uitgesloten is; een vonnis van faillietverklaring is op zichzelf geen rechterlijke beslissing waarbij de curator ervan wordt vrijgesteld het paritair comité te raadplegen';

Uit die rechtspraak, waarbij het [arbeids]hof zich aansluit, volgt duidelijk dat de uitzondering aldus moet worden begrepen dat het gaat om de uitvoering van een gerechtelijke beslissing die het ontslag van al het personeel beveelt waardoor de werkgever, de curator of de vereffenaar het paritair comité niet meer hoeft te raadplegen;

Dat is hier niet het geval aangezien de ontslagen van de drie vakbondsafgevaardigden weliswaar in het kader van een collectief ontslag zijn gedaan, maar op bevel van de werkgever zonder dat er sprake is van enige gerechtelijke beslissing;

Het is best waarschijnlijk dat de onderneming toen virtueel failliet was maar die omstandigheid alleen, die tot dan enkel aan de werkgever ter beoordeling staat, volstaat niet om vrijstelling van een verplichting van openbare orde te verantwoorden;

Bovendien moet erop worden gewezen dat die verplichting elke discriminatie wil verhinderen, dal wil zeggen 'voorkomen', doordat de werkgever noch de curator niet de mogelijkheid krijgt te beoordelen of er al dan niet discriminatie is;

Het gaat niet om een controle a posteriori.

Aldus kon de onderneming Orbetra op het ogenblik van de litigieuze ontslagen, op 23 augustus 1994 toen ze nog niet failliet was verklaard en zelfs nog niet in vereffening was gesteld, niet voorbijgaan aan de bijzondere procedure van de voornoemde wetsbepalingen zonder de sancties op te lopen die bij niet-naleving van die verplichting zijn bepaald;

Het [arbeids]hof hoeft niet te onderzoeken wat de toestand zou zijn geweest indien, wat niet het geval is geweest, de litigieuze ontslagen na het vonnis van faillietverklaring zouden zijn gegeven;

Tot slot vormen de rechtsvorderingen van de oorspronkelijke eisers om de vergoedingen te ontvangen die bepaald zijn als de werkgever zijn verplichtingen niet nakomt, de normale en niet onrechtmatige uitvoering van hun recht dat rechtstreeks voortvloeit uit het foutieve optreden van de werkgever zelf;

Het principaal hoger beroep is niet gegrond".

Grieven

(...)

Derde onderdeel

De regel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet uit artikel 10 van de Grondwet en de regel van het verbod van discriminatie in het genot van de rechten en vrijheden van de Belgen van artikel 11 van de Grondwet, impliceren dat ieder die zich in dezelfde toestand bevindt op dezelfde wijze wordt behandeld maar sluiten niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen op voorwaarde dat het onderscheidingscriterium objectief en redelijk kan worden verantwoord; het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld in het licht van de doelstelling en de gevolgen van de genomen maatregel. De regels van gelijkheid en niet discriminatie beletten overigens dat categorieën personen die in het licht van de norm wezenlijk verschillen, zonder redelijke verantwoording op identieke wijze worden behandeld.

De arbeidsrechter, die de wettelijkheid van een collectieve arbeidsovereenkomst moet nagaan, mag een dergelijke onwettige overeenkomst niet toepassen ondanks het feit dat zij bij koninklijk besluit verbindend is verklaard.

Het arrest dat voor recht zegt dat de onderneming Orbetra vergoedingen moet betalen omdat zij de bijzondere procedure van de artikelen 17 en volgende van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 juni 1980 gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, betreffende het statuut van de syndicale afvaardigingen en verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 6 oktober 1980 niet heeft gevolgd, terwijl het arbeidshof heeft vastgesteld dat de litigieuze ontslagen zijn gegeven "in het kader van een collectief ontslag", past de voormelde bepalingen van die collectieve arbeidsovereenkomst toe hoewel ze discriminerend zijn.

De bepalingen van de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst en meer bepaald de artikelen 17 en volgende, verplichten de werkgever die om eender welke reden een vakbondsafgevaardigde wil ontslaan, immers de daarin bepaalde procedure te volgen en inzonderheid vooraf de vakbondsafvaardiging en de vakorganisatie die de kandidatuur van de afgevaardigde heeft voorgedragen, in te lichten om het geplande ontslag te bekrachtigen, en bevatten aldus een middel dat buiten verhouding staat tot de daarin beoogde doelstelling, aangezien bij collectief ontslag wegens sluiting van de onderneming er geen enkel risico bestaat op discriminatie van de beschermde werknemers door de werkgever.

Het arrest dat de bepalingen van de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst toepast terwijl het die toepassing had moeten weigeren, schendt de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet.

Indien het Hof zou oordelen dat de door de eisers aangevoerde discriminatie voortvloeit uit artikel 3, §1, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, verzoeken de eisers het Hof, althans, de volgende prejudiciële vraag te stellen:

Bevat artikel 3, §1, de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, in het geval van een collectief ontslag wegens de volledige sluiting van de onderneming, niet een middel dat buiten verhouding staat tot het door de wetgever nagestreefde doel wanneer het de werkgever verplicht vooraf het ontslag voor te leggen aan het paritair comité om die sluiting als technische en economische redenen te doen erkennen?

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Derde onderdeel

Het arrest stelt vast, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, dat "niet wordt betwist [dat de rechtsvoorganger van de verweerster en van de verweerders] op 23 augustus 1994 werden ontslagen en dat daarbij de procedure van artikel 17 [van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 juni 1980 gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, betreffende het statuut van de syndicale afvaardi-gingen en algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 6 oktober 1980 van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst] niet is gevolgd".

Die bepaling zegt dat een vakbondsafgevaardigde niet kan worden ontslagen om welke reden ook, behalve om dringende redenen, tenzij de procedure die zij instelt is gevolgd.

Het onderdeel voert aan dat artikel 17 van de voormelde collectieve arbeidsover-eenkomst, dat zijn toepassing niet uitsluit wanner het ontslag van een vakbondsaf-gevaardigde kadert in een collectief ontslag wegens sluiting van de onderneming, aldus een middel hanteert dat buiten verhouding staat tot de daarin beoogde doel-stelling, aangezien in een dergelijk geval geen enkel risico bestaat op discriminatie onder de ontslagen werknemers door de werkgever.

De regel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet uit artikel 10 van de Grondwet en de regel van het verbod van discriminatie in het genot van de rechten en vrijheden van de Belgen van artikel 11 van de Grondwet, impliceren dat ieder die zich in dezelfde toestand bevindt op dezelfde wijze wordt behandeld, maar sluiten niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen op voorwaarde dat het onderscheidingscriterium objectief en redelijk kan worden verantwoord; het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld in het licht van de doelstelling en de gevolgen van de genomen maatregel; het gelijkheidsbeginsel wordt miskend als is aangetoond dat er geen redelijke proportionaliteit bestaat tussen het nagestreefde doel en de aangewende middelen.

Het arrest dat overweegt dat alleen "de uitvoering van een gerechtelijke beslissing die het ontslag van al het personeel beveelt [verantwoordt] dat de werkgever [...] het paritair comité niet meer hoeft te raadplegen; dat [dit] hier niet het geval is aangezien de ontslagen van de drie vakbondsafgevaardigden weliswaar in het kader van een collectief ontslag zijn gegeven, maar op bevel van de werkgever zonder dat er sprake is van enige gerechtelijke beslissing; [dat] het best waar-schijnlijk is dat de onderneming toen virtueel failliet was maar [dat] die omstan-digheid alleen [...] niet volstaat om vrijstelling van een verplichting van openbare orde te verantwoorden; [dat] bovendien erop moet worden gewezen dat die ver-plichting elke discriminatie wil verhinderen, dal wil zeggen 'voorkomen', doordat de werkgever [...] niet de mogelijkheid krijgt te beoordelen of er al dan niet dis-criminatie is" en dat "het gaat niet om een controle a posteriori", verantwoordt naar recht zijn beslissing om de bepalingen van de collectieve arbeidsovereen-komst van 30 juni 1980 toe te passen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Aangezien de in het middel aangevoerde discriminatie niet stoelt op artikel 3, § 1, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de per-soneelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, hoeft de door de eisers voorgestelde prejudiciële vraag niet te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de voorziening.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 8 april 2013 uitge sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Gelijkheid

  • Voorwaarden