- Arrest van 9 april 2013

09/04/2013 - P.12.0783.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bepalingen van de artikelen 42, 3° en 43bis, tweede lid Strafwetboek en het algemeen rechtsbeginsel dat de straf persoonlijk is, laten de rechter niet toe verschillende personen hoofdelijk tot één straf te veroordelen; het arrest dat op grond van de voormelde bepalingen meerdere daders veroordeelt tot de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen, waardoor die daders gezamenlijk schuldenaars worden van de Staat die zijn schuldvordering op elk van hen voor het geheel kan verhalen, met het enige voorbehoud dat het totale bedrag van de verbeurdverklaring het rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel niet mag overschrijden, beveelt in werkelijkheid ten laste van de daders de hoofdelijke verbeurdverklaring van die vermogensvoordelen en verantwoordt daardoor de beslissing niet naar recht.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0783.N

I

J-M G M D S,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. Mark BRUURS, met kantoor te 2387 Baarle-Hertog, Alphenseweg 12, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement C D S nv ,

burgerlijke partij,

2. DE BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

burgerlijke partij,

verweerders.

II

M C K V,

beklaagde,

eiser,

tegen

Mark BRUURS, voormeld,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 maart 2012.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser II voert geen middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest spreekt de eiser I vrij voor verscheidene telastleggingen.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is zijn cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

2. Het arrest is wat de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders be-treft, bij verstek gewezen. De tegen die beslissingen gerichte cassatieberoepen, die zijn ingesteld tijdens de gewone termijn van verzet, zijn niet ontvankelijk.

Eerste middel in zijn geheel

3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbegin-sel houdende het persoonlijke karakter van de straf: het arrest oordeelt enerzijds dat de verbeurdverklaring niet hoofdelijk ten aanzien van meerdere personen kan bevolen worden, maar verklaart anderzijds geldsommen van 20.050 euro en 176.826,02 euro verbeurd ten laste van de eiser I en telkens een medeveroordeelde "zonder dat het totale bedrag van de verbeurdverklaring het rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel mag overschrijden"; zodoende beveelt het arrest hoofdelijke verbeurdverklaringen ten laste van de eiser I en die medever-oordeelden; hierdoor bevat het een tegenstrijdigheid in de motivering (eerste on-derdeel) en tussen de motivering en het beschikkend gedeelte (tweede onderdeel), schendt het de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek en miskent het het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijke karakter van de straf (derde onderdeel).

4. De verbeurdverklaring bepaald in de artikelen 42, 3° en 43bis, tweede lid, Strafwetboek is een straf die op grond van artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek facultatief is.

Wegens het facultatieve karakter van die straf kan de rechter de bedragen die hij op grond van de voormelde bepalingen verbeurdverklaart, onder de veroordeelden verdelen. Daarbij mag het totale bedrag van de verbeurdverklaringen het bedrag van de uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen niet overschrijden.

Evenwel laten die bepalingen en het algemeen rechtsbeginsel dat de straf persoon-lijk is, de rechter niet toe verschillende personen hoofdelijk tot eenzelfde straf te veroordelen.

5. Passieve hoofdelijkheid houdt in dat veroordeelden, hoewel zij onderling slechts hun deel van de schuld moeten bijdragen, bij de tenuitvoerlegging van de schuldvordering tot betaling waarvan zij hoofdelijk zijn veroordeeld, door de schuldeiser elk voor het geheel van die schuldvordering kunnen aangesproken worden en dat de betaling van de ene de andere bevrijdt, terwijl de executie het bedrag van de totale schuld niet mag overtreffen.

6. Het arrest beveelt de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen zoals in het middel vermeld. Die verbeurdverklaring leidt ertoe dat de Staat krachtens arti-kel 43bis, tweede lid, Strafwetboek, schuldeiser van de eiser en de respectieve medeveroordeelden wordt.

7. Het arrest dat, op grond van de artikelen 42, 3° en 43bis, tweede lid, Straf-wetboek, meerdere daders veroordeelt tot de verbeurdverklaring van vermogens-voordelen, waardoor die daders gezamenlijk schuldenaars worden van de Staat die zijn schuldvordering op elk van hen voor het geheel kan verhalen, met het enige voorbehoud dat het totale bedrag van de verbeurdverklaring het rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel niet mag overschrijden, beveelt in werkelijkheid ten laste van die daders de hoofdelijke verbeurdverklaring van die vermogensvoordelen en verantwoordt daardoor de beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oor-deelt dat de eiser I zich heeft schuldig gemaakt aan misbruik van vennootschaps-goederen door een bedrag van 64.440,04 euro dat door de brandverzekeraar aan de C D S nv was gestort, aan te wenden voor de herstelling van bedrijfsgebouwen die zijn eigendom zijn, zonder te antwoorden op zijn verweer dat het een alge-meen toegepaste praktijk is dat de vennootschap-vruchtgebruiker van de bedrijfs-gebouwen het deel van de herstellingen dat overeenstemt met de waarde van haar vruchtgebruik, zelf bekostigt.

9. Het arrest oordeelt dat de eiser I schuldig is aan het bedoelde misdrijf op grond van twee redenen die elk die beslissing schragen, te weten dat de bedrijfs-gebouwen de persoonlijke eigendom van de eiser I waren en dat hij hiervoor reeds persoonlijk een bedrag van 750.000 euro had ontvangen van de brandverzekeraar.

Het middel dat slechts opkomt tegen één van die redenen kan niet tot cassatie lei-den en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen op de strafvordering

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Omvang van de cassatie

11. De vernietiging van de beslissing van de verbeurdverklaring van de bedra-gen van 20.050 euro en 176.826,02 euro, brengt ook de vernietiging mee van de beslissing waarbij de verrekening wordt bevolen van het bedrag van 23.948,13 eu-ro, afkomstig van de eiser I en in beslag gesteld op de bankrekening van het C.O.I.V.. Die beslissingen hebben immers een nauw verband met elkaar.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de verbeurdverklaring beveelt van de bedragen van 20.050 euro en 176.826,02 euro lastens de eiser I en de verrekening beveelt van het bedrag van 23.948,13 euro.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser I tot een derde van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige kosten van dat cassatieberoep ten laste van de Staat.

Veroordeelt de eiser II tot de kosten van zijn cassatieberoep.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 485,76 euro waarvan de eiser I 303,93 euro verschuldigd is en de eiser II 181,83 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 9 april 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Bijzondere verbeurdverklaring

  • Uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen

  • Verschillende veroordeelden

  • Hoofdelijke veroordeling

  • Wettigheid