- Arrest van 12 april 2013

12/04/2013 - C.12.0483.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het begrip overmacht wordt naar Belgisch recht veel strenger geïnterpreteerd dan het begrip verhindering vervat in artikel 79, eerste lid, van het Weens Koopverdrag (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0483.N

P E,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

JUWELIER DEGREEF nv, met zetel te 1000 Brussel, Boterstraat 24-26,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 6 maart 2012.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 18 maart 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, één middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt op dat het middel niet ontvankelijk is omdat de eiser geen belang erbij heeft of het Verdrag der Verenigde Naties van 11 april 1980 in-zake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, opgemaakt te Wenen, hierna Weens Koopverdrag, dan wel het Belgische gemene verbintenis-senrecht van toepassing is. De appelrechter oordeelt immers dat de verweerster zich kan beroepen op overmacht overeenkomstig het Belgische gemene verbinte-nissenrecht en het begrip "overmacht" naar Belgisch recht veel strenger wordt ge-interpreteerd dan het begrip "verhindering" vervat in artikel 79, eerste lid, Weens Koopverdrag zodat het geen verschil uitmaakt of het Belgische gemene verbinte-nissenrecht dan wel artikel 79, eerste lid, Weens Koopverdrag wordt toegepast.

2. Het arrest oordeelt dat de overeenkomst tussen de partijen wordt beheerst door het nationale recht en het gemene verbintenissenrecht dient te worden toege-past, op grond dat:

- het Weens Koopverdrag geen algemene regels inzake bewijslast bevat zodat het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, hierna EVO, op de rechtsbetrekking moet worden toegepast;

- krachtens artikel 14 EVO de verdeling van de bewijslast wordt bepaald door de lex contractus;

- de partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt en zodoende de overeenkomst krachtens artikel 4, 1°, EVO wordt beheerst door het recht van het land waar-mee ze het nauwst is verbonden;

- de verweerster haar hoofdbestuur in België heeft.

Aansluitend oordeelt het arrest niet-bekritiseerd dat de verweerster zich in de vol-strekte materiële onmogelijkheid bevond om de verkochte horloges te leveren en zij zich op overmacht kan beroepen en haar geen enkele vergoedingsplicht treft.

3. Artikel 79, eerste lid, Weens Koopverdrag bepaalt dat een partij niet aan-sprakelijk is voor een tekortkoming in de nakoming van een van haar verplichtin-gen, indien zij aantoont dat de tekortkoming werd veroorzaakt door een verhinde-ring die buiten haar macht lag en dat van haar redelijkerwijs niet kon worden ver-wacht dat zij bij het sluiten van de overeenkomst met die verhindering rekening zou hebben gehouden of dat zij deze of de gevolgen ervan zou hebben vermeden of te boven zou zijn gekomen.

Gewijzigde omstandigheden die niet redelijkerwijze voorzienbaar waren bij de contractsluiting en die onmiskenbaar van aard zijn om de last van de uitvoering van de overeenkomst op onevenredige wijze te verzwaren, kunnen, onder omstan-digheden, een verhindering uitmaken in de zin van deze verdragsbepaling.

4. Bijgevolg had de appelrechter die vaststelt dat de verweerster zich in de vol-strekte materiële onmogelijkheid bevond om de verkochte horloges te leveren en zij zich op overmacht kan beroepen, indien hij het Weens Koopverdrag zou heb-ben toegepast, moeten vaststellen dat de verweerster overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van dat verdrag niet aansprakelijk is voor een tekortkoming in de na-koming van haar verplichtingen.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 615,36 euro en voor de verweerster op 213,49 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh en Bart Wylle-man, en op de openbare rechtszitting van 12 april 2013 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman K. Mestdagh

B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Internationale koop van roerende zaken

  • Contractuele tekortkoming

  • Aansprakelijkheid

  • Uitsluiting

  • Verhindering