- Arrest van 16 april 2013

16/04/2013 - P.12.0858.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Geen miskenning van het recht van verdediging valt af te leiden uit de omstandigheid dat het onderzoeksgerecht dat besluit tot verwijzing naar de feitenrechter, kan volstaan met de enkele onaantastbare vaststelling dat er voldoende bezwaren voorhanden zijn (1). (1) Zie Cass. 17 jan. 1996, AR P.95.0930.F, AC 1996, nr. 36.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0858.N

I

M M B S,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Koen Verhaegen, advocaat bij de balie te Antwerpen.

II

M M G H,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie te Antwerpen,

tegen

STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De beide cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 maart 2012.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest doet uitspraak over eisers' hoger beroep tegen de beschikking die hen wegens de lastens hen aangehouden misdrijven naar de correctionele rechtbank verwijst.

2. Overeenkomstig artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering staat tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet over het hoger beroep tegen een verwijzingsbeschikking, slechts cassa-tieberoep open wanneer dat hoger beroep zelf ontvankelijk is, dit is in de ge-vallen bepaald in artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering.

Volgens die wetsbepaling is het hoger beroep in geval van gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering slechts ontvankelijk indien het middel bij schriftelijke conclusie is ingeroepen voor de raadkamer, behalve wanneer ze zijn ontstaan na het debat voor de raadkamer.

3. Het arrest oordeelt dat het hoger beroep van de eiser I tegen de verwij-zingsbeschikking niet ontvankelijk is in zoverre hij voor de kamer van inbe-schuldigingstelling verweer voert over het feit dat hij verhoord werd zonder bijstand van een raadsman, daar hij dat middel niet bij schriftelijke conclusie voor de raadkamer heeft ingeroepen.

Daarenboven oordeelt het arrest dat de hogere beroepen van de beide eisers niet ontvankelijk zijn in zoverre zij gericht zijn tegen het oordeel van de raadkamer over het bestaan van voldoende bezwaren.

Met die beslissingen bevat het arrest geen eindbeslissing en doet het geen uit-spraak in een der gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Straf-vordering.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen niet ontvanke-lijk.

4. Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser II niet ontvankelijk bij gebrek aan belang in zoverre het gericht is tegen de beslissing krachtens de-welke hij buiten vervolging wordt gesteld voor de feiten van de telastleggin-gen A.IV, F.II.a-d, F.V, G.II, O.II.a-d, O.IV en W.

Om dezelfde reden is zijn cassatieberoep tegen die beslissing niet ontvankelijk.

5. Het ontbreken, in de verwijzingsbeschikking, van redengeving betref-fende het bestaan van voldoende bezwaren maakt een verzuim van deze be-schikking uit, zodat het hoger beroep dat door de inverdenkinggestelde tegen deze beschikking is ingesteld, ontvankelijk is wanneer het middel tot staving van voormeld hoger beroep met recht een dergelijk verzuim aanvoert; het ho-ger beroep van de inverdenkinggestelde is daarentegen niet ontvankelijk wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, ondanks het feit dat een der-gelijk verzuim wordt aangevoerd, wettig vaststelt dat de beroepen beschik-king dienaangaande met redenen is omkleed.

6. Het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser I dienaangaande vereist een antwoord op het door hem aangevoerde eer-ste middel dat nauw verband houdt met die ontvankelijkheid.

Eerste middel van de eiser I

7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en "artikel 127 e.v." Wetboek van Strafvordering, evenals misken-ning van de motiveringsplicht en het recht van verdediging: geen enkele ver-dragsrechtelijke of wettelijke bepaling schrijft voor dat het onderzoeksgerecht dat een inverdenkinggestelde naar de rechtbank verwijst omdat er voldoende bezwaren in zijnen hoofde bestaan, zijn beslissing niet hoeft te motiveren; de motiveringsverplichting is veel meer dan een vormvereiste; de loutere vast-stelling dat er voldoende bezwaren bestaan, volstaat niet.

8. In zoverre het middel schending aanvoert van "artikel 127 e.v." Wet-boek van Strafvordering zonder verdere precisering, is het wegens onnauw-keurigheid niet ontvankelijk.

9. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. Hun beslissingen zijn immers geen vonnissen in de zin van dat artikel.

In zoverre het middel de schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

10. Het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, als gewaarborgd bij artikel 6.1 EVRM, houdt in dat de beslissing op de strafvordering, met inbe-grip van de beslissing die daaraan een einde stelt op het ogenblik van de rege-ling van de rechtspleging, de voornaamste redenen tot staving van die beslis-sing vermeldt, ook bij afwezigheid van conclusie.

Een verwijzingsbeschikking is geen eindbeslissing op de strafvordering.

Artikel 6.1 EVRM heeft in de regel enkel betrekking op de uitoefening van het recht van verdediging voor de onderzoeksgerechten wanneer ze uitspraak doen over de gegrondheid van de telastlegging of over geschillen over burgerlijke rech-ten en verplichtingen.

Geen miskenning van het recht van verdediging valt af te leiden uit de omstandig-heid dat het onderzoeksgerecht dat besluit tot verwijzing naar de feitenrechter, kan volstaan met de enkele onaantastbare vaststelling dat er voldoende bezwaren voorhanden zijn.

In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.

11. Uit de artikelen 128, 129, 130, 229, 230 en 231 Wetboek van Strafvor-dering volgt dat het onderzoeksgerecht in geweten oordeelt of er al dan niet voldoende bezwaren zijn om, hetzij de inverdenkinggestelde naar het vonnis-gerecht te verwijzen, hetzij een beslissing tot buitenvervolgingstelling te ver-antwoorden.

Geen enkele wetsbepaling schrijft voor dat de bezwaren in geval van verwijzing gepreciseerd moeten worden.

Onafgezien of er al dan niet een conclusie werd neergelegd waarin betwisting ge-voerd wordt over het bestaan van voldoende bezwaren, motiveert het onderzoeks-gerecht zijn verwijzingsbeslissing naar recht door zijn onaantastbare vaststelling dat die bezwaren bestaan.

In zoverre het uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het middel naar recht.

12. Het arrest dat vaststelt dat de beroepen beschikking vermeldt dat er ten laste van de eiser I voldoende bezwaren bestaan, oordeelt wettig dat de ver-wijzingsbeschikking voldoet aan de motiveringsplicht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

13. Het cassatieberoep is bijgevolg evenmin ontvankelijk in zoverre het be-trekking heeft op het beweerde motiveringsgebrek van de verwijzingsbe-schikking.

Tweede middel van de eiser I

14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10 en 149 Grondwet en artikel 130 Wetboek van Strafvordering: er zijn geen objec-tieve criteria om te voorzien in een verschil in motiveringsplicht voor een verwijzingsbeschikking en een vonnis of arrest ten gronde; voor zover het Hof de miskenning van het gelijkheidsbeginsel niet uitspreekt, verzoekt de eiser de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 in samenlezing met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in zoverre het niet van toepassing zou zijn op de verwijzingsbeschikking zoals geveld conform artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering daar waar alle contentieuze rechtscolleges een verplichting tot motivering hebben?"

15. Het middel dat geen kritiek uit op de bestreden beslissing, is niet ont-vankelijk.

16. Vermits het cassatieberoep van de eiser I niet ontvankelijk is verklaard bij toepassing van artikel 416 Wetboek van Strafvordering, welke norm niet is aangevoerd in het geformuleerde verzoek om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, is het Hof niet verplicht de vraag te stellen.

Middel van de eiser II

17. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en arti-kel 235bis Wetboek van Strafvordering: het behoort tot de taak van de kamer van inbeschuldigingstelling om overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering na te gaan of de verhoren een inbreuk vormen op artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en in voorkomend geval te besluiten tot de gebeurlijke nietig-heid; het gegeven dat het eerlijke karakter van het proces in haar geheel dient bekeken te worden, handelt louter over de al dan niet toelaatbaarheid van de strafvordering, maar niet over de eventuele nietigheid van de verhoren; de appelrechters laten na de controle van de aangevoerde nietigheid te verrich-ten.

18. De onderzoeksgerechten die met toepassing van artikel 235bis, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid onderzoeken van een on-derzoekshandeling, zijn niet alleen bevoegd om na te gaan of die handeling al dan niet behept is met een onregelmatigheid, maar, teneinde na te gaan of er grond bestaat om de nietigheid uit te spreken van de bekritiseerde handeling, te oordelen of de bedoelde onregelmatigheid al dan niet het eerlijke karakter van het proces in het gedrang brengt.

19. Het middel betrekt niet alle redenen die het arrest bevat als antwoord op het bedoelde verweer.

De appelrechters oordelen met eigen redenen, aangevuld met de redengeving van de schriftelijke vorderingen van de procureur-generaal die zij hernemen, dat er geen nietigheden of onontvankelijkheden voortspruiten uit de omstandigheid dat de eiser II en andere betrokkenen in het gerechtelijk onderzoek, als inverdenking-gestelde of als getuige, verklaringen aflegden zonder bijstand van een raadsman.

Aldus gaan zij ook na of er reden is om die verhoren nietig te verklaren.

Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvor-men zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 219,46 euro, waarvan de eiser I en de eiser II elk 109,73 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Luc Van hoogenbemt, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 16 april 2013 uitgesproken door raadsheer Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem L. Van hoogenbemt

Vrije woorden

  • Regeling van de rechtspleging

  • Verwijzing naar de feitenrechter

  • Vaststelling van voldoende bezwaren

  • Recht van verdediging