- Arrest van 17 april 2013

17/04/2013 - P.13.0054.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Voor de toepassing van artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering geldt alleen de voorwaarde dat de persoon tegen wie de strafvordering is ingesteld één van de in die wetsbepaling opgesomde hoedanigheden bezit, hetzij op het ogenblik van het misdrijf, hetzij op het ogenblik van de vervolging (1). (1) Zie Cass. 9 feb. 1988, AR 2123, AC 1987-88, nr. 354; R. DECLERCQ, Eléments de procedure pénale, Bruylant, 2006, p. 609, nr. 1152; BELTJENS, Instruction criminelle, dl. II, art. 479, nrs. 12 en 36; BRAAS, Précis de procédure pénale, dl. II, nr. 1188; H.D. BOSLY, D. VANDERMEERSCH en M.A. BEERNAERT, Droit de la procédure pénale, 6de uitg., Bruylant, 2010, p. 1359.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0054.F

J. B.,

Mr. Dominique Remy, advocaat bij de balie te Dinant.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 december 2012.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Het Hof vermag geen acht te slaan op de memorie van de eiser die op de griffie per faxpost is ontvangen.

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de regel-matigheid van de tegen de eiser ingestelde strafvordering

Ambtshalve middel: schending van artikel 479 Wetboek van Strafvordering.

De toepassing van het in het middel bedoelde artikel hangt alleen af van de voor-waarde dat degene tegen wie de strafvordering is ingesteld een van de in die wetsbepaling opgesomde hoedanigheden bezit, hetzij op het ogenblik van het misdrijf, hetzij op het ogenblik van de vervolging.

Het arrest oordeelt dat het gerechtelijk onderzoek met name tegen de eiser was geopend wegens niet voor verjaring vatbare misdaden die buiten het ambt van magistraat zijn gepleegd in het kader van een op 17 januari 1961 gepleegde dood-slag. Het beslist vervolgens dat de eiser niet beantwoordt aan de voorwaarden om van voorrecht van rechtsmacht te genieten, aangezien hij op het ogenblik van de aanvankelijke burgerlijkepartijstelling op rust was gesteld met de machtiging om de eretitel van zijn ambt te voeren.

De appelrechters, die niet daarenboven hebben nagegaan of de eiser op het ogen-blik van de feiten al dan niet een van de in het voormelde artikel 479 bedoelde hoedanigheden bezat, schenden bijgevolg dat artikel.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die met toepas-sing van artikel 136bis Wetboek van Strafvordering uitspraak doet

Het arrest oordeelt dat het onderzoek dient te worden voortgezet.

Dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, van dat wetboek en houdt geen verband met de in het tweede lid van dat artikel bedoelde gevallen.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de tegen de eiser ingestelde straf-vordering regelmatig verklaart.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van in-beschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 17 april 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Strafvordering

  • Toepassingsvoorwaarden