- Arrest van 18 april 2013

18/04/2013 - F.11.0142.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van ’s lands middelen volgt niet dat de rechter, wanneer er bij de Minister van Financiën of diens afgevaardigde geen beroep is ingesteld, diens prerogatieven mag uitoefenen door louter naar opportuniteit uitspraak te doen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0142.F

N. D.,

Mr. Marc Levaux, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 1 juni 2011.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 29 maart 2013 een conclusie neerge-legd ter griffie.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan in een cassatieverzoekschrift, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Tweede middel

1. Krachtens artikel 70, § 1, BTW-wetboek wordt, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84 van dat wetboek wordt het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1, laatste lid, KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is de schaal voor de vermindering van de proportio-nele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

2. De appelrechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controle-ren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dat controlerecht biedt de rechter inzonderheid de mogelijkheid om, met inaan-merkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot het misdrijf, zodat hij kan onderzoeken of de ad-ministratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht op-leggen.

In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken, maar moet hij rekening houden met de mate waar-in de administratie zelf door die sanctie gebonden was.

Dat controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen.

3. Luidens artikel 9 van het Regentbesluit - organiek besluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen beschikt de minister op de ver-zoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boe-ten, andere dan degene uitgesproken door de rechter.

In tegenstelling tot wat het middel betoogt, volgt uit die bepaling niet dat, wan-neer de minister van Financiën of zijn gemachtigde niet van een rechtsmiddel hebben kennisgenomen, de rechter zijn bevoegdheden kan uitoefenen door louter naar opportuniteit uitspraak te doen.

4. Het arrest van 18 april 2007 stelt het volgende vast :

- voor de jaren 1995 tot 1999 is vastgesteld dat de eiseres inzake belasting over de toegevoegde waarde drie soorten onregelmatigheden heeft begaan ;

- de administratie, die oordeelde dat de eiseres het voornemen had de belasting te ontduiken, heeft haar een boete opgelegd gelijk aan tweemaal de ontdoken rechten ;

- de administratie heeft zodoende alleen maar toepassing gemaakt van de wette-lijke regels van openbare orde die ze dient toe te passen, door de feiten te om-schrijven op een wijze die ze gepast en de wettelijke gevolgtrekkingen op het vlak van de toepasselijke sanctie te maken, zonder dat ze de algemene beginse-len van goed bestuur en, in het bijzonder, de beginselen van fair play of rechts-zekerheid heeft miskend;

- de eiseres had het duidelijk en vaststaand voornemen de belasting te ontduiken en heeft onmogelijk systematisch fundamentele onregelmatigheden kunnen be-gaan die indruisen tegen de basislogica van de btw-regeling en jarenlang on-verschuldigde terugbetalingen kunnen ontvangen, zonder zich bewust te zijn van wat ze deed of ondertekende.

Het bestreden arrest stelt vast dat de door de eiseres gepleegde fraude haar in staat heeft gesteld een levensstijl te onderhouden die de door haar aangegeven inkomsten van 600.000 frank ruimschoots te boven ging: aankoop van vier voertuigen die elk tussen 1.300.000 frank en 1.500.000 frank waard waren, bewerking van haar eigen onvermogen door haar onroerende goederen aan de kinderen van het koppel te schenken en verdwijning van verschillende miljoenen frank van haar bankrekening.

Het bestreden arrest stelt ook vast dat de eiseres geen verzoekschrift bij de minis-ter van Financiën heeft ingediend op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

Het bestreden arrest oordeelt dat de administratieve geldboete, overeenkomstig de artikelen 70, § 1 en 1bis, Btw-wetboek, naar recht verschuldigd is wegens de aan-getoonde fraude en dat, aangezien het hof van beroep door dezelfde bepalingen gebonden is als de administratie, de schaal van vermindering van de proportionele geldboeten niet van toepassing is op de eiseres.

Het bestreden arrest oordeelt ook dat de geldboete van 200 % niet buiten verhou-ding lijkt tot de ernst van de misdrijven en de ontdoken belasting (149.396,88 eu-ro) en dat er geen wettelijke reden bestaat om het bedrag van de geldboete te ver-minderen zonder daardoor het algemeen beginsel van de scheiding van de mach-ten te miskennen.

Het bestreden arrest verantwoordt aldus naar recht de weigering om de aan de eiseres opgelegde administratieve geldboete van 298.793,75 euro te verminderen.

5. Er bestaat geen grond om aan het Grondwettelijk Hof de door de eiseres voorgestelde vraag te stellen, die de categorieën van personen niet preciseert waartussen een discriminatie zou bestaan.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Benoit Dejemeppe, Martine Regout, Alain Simon en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 18 april 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Fiscale geldboetes

  • Vermindering

  • Fiscale rechter

  • Bevoegdheid

  • Regentbesluit nr. 78

  • Artikel 9

  • Bevoegdheid van de Minister van Financiën tot kwijtschelding