- Arrest van 19 april 2013

19/04/2013 - F.10.0024.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De douaneautoriteiten van de lidstaat waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, zijn bevoegd tot inning van de douaneschuld; wanneer het niet mogelijk is te bepalen op welk grondgebied de overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt deze geacht te zijn begaan in de lidstaat waar zij is vastgesteld; indien de organisatie die zich garant heeft gesteld erin slaagt het vermoeden van bevoegdheid van de douaneautoriteiten van de lidstaat waar een overtreding of onregelmatigheid tijdens een vervoer onder geleide van een carnet TIR is vastgesteld, te weerleggen door aan de hand van de plaats van inschrijving van het carnet TIR en de verzegeling het bewijs te leveren van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, worden de douaneautoriteiten van laatstgenoemde staat bevoegd tot inning van de douaneschuld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0024.N

FEBETRA, Koninklijke Federatie van Belgische Transporteurs en Logistiek Dienstverleners, met zetel te 1020 Brussel, Stapelhuisstraat 5 A,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de administratie der dou-ane en accijnzen, met kantoor te 9000 Gent, Sint-Lievenslaan 27,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 10 maart 2009.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 21 februari 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Het Hof heeft bij arrest van 20 mei 2011 twee prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Het Hof van Justitie heeft op 8 maart 2012 bij beschikking in de zaak C-333/11 die vragen beantwoord.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

De feiten kunnen blijkens de conclusies van partijen worden weergegeven als volgt:

- onder dekking van het carnet TIR nr. XQ26006692 werden 46 rollen papier verzonden van Litouwen naar België;

- het carnet werd in last genomen op het kantoor Frankfurt (Oder) op 27 oktober 1999 met als bestemmingskantoor Gent en de goederen werden in de Europese Unie binnengebracht via Duitsland;

- op 28 oktober 1999 werd de lading te Gent door de inspectie opsporing der douane en accijnzen aan een grondige controle onderworpen;

- verborgen in de lading werden 3.638.600 sigaretten aangetroffen in de verze-gelde containers die niet werden aangegeven in het carnet TIR;

- de overtreding werd aldus in Gent vastgesteld door de inspectie opsporing der douane en accijnzen;

- de eiseres werd als aansprakelijke organisatie in kennis gesteld van de niet-zuivering van het carnet TIR bij brief van 9 november 1999 van de inspectie opsporing der douane en accijnzen en van 26 oktober 2000 van de gewestelijke directeur;

- op 13 maart 2001 werd de eiseres verzocht de invoerrechten, de accijns en de bijzondere accijns tot beloop van het bedrag van de borg te betalen;

- aangezien hier niet werd op ingegaan, werd op 20 augustus 2001 een dwang-bevel uitvoerbaar verklaard en aan de eiseres als aansprakelijke organisatie be-tekend;

- de verbeurdverklaring van de in beslag genomen sigaretten werd gelast bij vonnis van de correctionele rechtbank te Gent van 20 april 2001.

III. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert navolgende drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden bepalingen

- de artikelen 38.1, 40, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, en 202.1 en 2 van de Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commis¬sie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoe¬ring van Ver-ordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communau¬tair douanewetboek;

- de artikelen 454 van de Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Ver-ordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communau¬tair douanewetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij verordening (EG) nr. 2787/2000 van de Commissie van 15 december 2000, en 454 van voornoemde verordening, zoals van toepassing vóór de vervanging bij veror¬dening (EG) nr. 881/2003 van de Commissie van 21 mei 2003.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 10 maart 2009 verklaarde het hof van beroep te Gent eiseres' hoger beroep tegen het vonnis, waarbij haar vordering die ertoe strekte het haar op 27 augustus 2001 betekende dwangbevel nietig te horen verklaren en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin ver¬meld ten titel van invoerrechten, accijns, bijzondere accijns, intresten en kos¬ten niet verschuldigd zijn, afgewezen werd als ongegrond, ongegrond, beves¬tigde het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen en veroordeelde de eiseres tot de kosten. Deze beslissing is onder meer gegrond op volgende overwegingen:

"1. Nopens de (on)bevoegdheid van de Belgische Staat.

(De eiseres) betwist nog steeds de bevoegdheid van de Belgische administratie der Douane en Accijnzen. Zij stelt dat de vermeende overtreding zich voor¬deed op het ogenblik dat de goederen onder dekking van het TIR-document met verkeerde productomschrijving Duitsland zijn binnengebracht.

Te dezen werd de overtreding te Gent vastgesteld door de inspectie opsporing der douane en accijnzen. Bij brief van 9 november 1999 nr. A 12076/99 van de inspectie opsporing der douane en accijnzen te Gent en bij brief van de ge¬westelijk directeur van 26 oktober 2000 nr. G99-2960 werd de aansprakelijke organisatie Febetra in kennis gesteld van de niet-zuivering van het carnet TIR.

Overeenkomstig het artikel 454 van de toepassingsbepalingen van het com-munautair douanewetboek is België bevoegd voor de invordering van de rechten en heffingen verschuldigd op de goederen vervoerd onder dekking van bovenvermeld carnet TIR en die zich in de verzegelde container bevon¬den.

Het artikel 454 luidt als volgt:

"1. Dit artikel is van toepassing onverminderd de specifieke bepalingen van de TIR en van de ATA overeenkomst betreffende de aansprakelijk¬heid van de organisaties die zich garant hebben gesteld bij het gebruik van een carnet TIR of een carnet ATA.

2. Wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met ver¬voer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk doorvoer onder geleide van een carnet ATA, in een bepaalde lidstaat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt de actie tot invordering van de eventueel verschuldigde rechten en andere heffingen door deze lidstaat volgens de nationale of communautaire bepalingen ingesteld, onvermin¬derd eventuele strafrechtelijke maatregelen.

3. Wanneer het niet mogelijk is te bepalen op welk grondgebied de overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt deze geacht te zijn begaan in de lidstaat waar zij is vastgesteld, tenzij binnen de in artikel 455, lid 1, bedoelde termijn ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het vervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan".

Lid 2 van artikel 454 stelt heel duidelijk dat wanneer wordt vastgesteld dat ... in een bepaalde lidstaat een overtreding of onregelmatigheid is begaan.

De uitdrukking ‘vaststellen' kan niet anders betekenen dan dat door de doua-neautoriteiten een ambtelijke vaststelling is verricht van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid is begaan.

Het is duidelijk dat dit betekent ‘de plaats waar door de douaneautoriteiten vastgesteld wordt dat er een overtreding of onregelmatigheid is begaan'.

Er is geen twijfel mogelijk dat de overtreding in België, meer bepaald te Gent is vastgesteld geworden. Er zijn geen aanwijzingen dat de overtreding in Duitsland werd vastgesteld".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 454 Verordening (EEG) nr. 2454 van 2 juli 1993 tot uitvoering het communautair douanewetboek bepaalde destijds:

"1. Dit artikel is van toepassing onverminderd de specifieke bepalingen van de TIR en van de ATA overeenkomst betreffende de aansprakelijkheid van de organisaties die zich garant hebben gesteld bij het gebruik van een carnet TIR of een carnet ATA.

2. Wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met vervoer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk doorvoer onder geleide van een carnet ATA, in een bepaalde lidstaat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt de actie tot invordering van de eventueel verschuldigde rechten en andere heffingen door deze lidstaat volgens de nationale of com¬munautaire bepalingen ingesteld, onverminderd eventuele strafrechtelijke maatregelen.

3. Wanneer het niet mogelijk is te bepalen op welk grondgebied de overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt deze geacht te zijn begaan in de lidstaat waar zij is vastgesteld, tenzij binnen de in artikel 455, lid 1, bedoelde termijn ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de re¬gelmatigheid van het vervoer of van de plaats waar de overtreding of onregel¬matigheid daadwerkelijk is begaan.

Indien bij gebreke van een dergelijk bewijs, de overtreding of de onregelmatig¬heid geacht blijft te bestaan in de lidstaat waar zij is vastgesteld, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze lidstaat overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen ingevorderd".

Uit deze bepaling volgt dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de plaats van vaststelling en anderzijds de plaats van over¬treding.

Uit het tweede lid van artikel 454 van de uitvoeringsbepalingen van het Communautair douanewetboek volgt meer bepaald dat de autoriteiten van de lidstaat waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan bevoegd zijn tot invordering van de eventueel verschuldigde rechten en heffingen.

Het is pas wanneer het niet mogelijk is het grondgebied te bepa¬len waar de overtreding of onregelmatigheid is begaan, dat deze wordt geacht te zijn begaan in de lidstaat waar zij ook is vastgesteld. Dat is de draagwijdte van het derde lid van voornoemd artikel 454. Die laatste bepaling biedt welis¬waar de mogelijkheid om binnen de door de verordening bepaalde termijn aan te tonen dat de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan, zich in een andere lidstaat situeert.

Te dezen voerde de eiseres in haar aanvullende tevens synthese¬conclusie op pagina's 5 en 6 aan dat de vermeende overtreding/onregelmatigheid zich heeft voorgedaan op het ogenblik dat de goederen onder dekking van het TIR-document met verkeerde productomschrijving het grondgebied van de Europese Unie, i.c. Duitsland werden binnengebracht.

Zij betoogde:

"Dat de overtreding of onregelmatigheid ontstaan is in Duitsland blijkt uit de volgende gegevens:

- de goederen werden in de Europese Unie binnengebracht via Duitsland (zie in lastneming van het carnet TIR met nummer XQ 26 006 692 door het douanekantoor te Frankfurt ...);

- de betrokken goederen werden onder een verkeerde productomschrij¬ving (...) via Duitsland in de Gemeenschap binnengebracht;

- dat die sigaretten zich reeds in Duitsland in de container bevonden blijkt uit het feit dat bij het internationaal vervoer van goederen onder de dek¬king van carnets TIR de containers verzegeld moeten worden en het feit dat de betrokken container in België nog verzegeld was (zie pagina 2 eerste besluiten van de verweerder eerste aanleg: ‘in de verzegelde con¬tainer werden 3.638.600 stuks sigaretten aangetroffen die niet aange¬geven werden op het carnet TIR' en de brief van de Administratie van 13 maart 2001 (stuk 3 in het bundel van verweerder): bij de controle op 28 oktober 1999 te Gent van de zending verzonden onder dekking van het carnet TIR XQ26006692 en waarvoor de BV Nitane optreedt als titularis werden 3.638.600 stuks sigaretten aangetroffen in de verze¬gelde container doch niet aangegeven in het carnet TIR")."

De eiseres besloot dat, vermits de vermeende sluikinvoer aldus plaatsgevonden had in Duitsland, de Belgische Administratie ter zake niet be¬voegd was om de vermeende invoerrechten, accijnzen en bijzondere accijn¬zen in te vorderen, daarbij verwijzende naar artikel 202 CDW, waaruit volgt dat de douaneschuld ontstaat op het moment van het binnenbrengen van de goe¬deren. Deze bepaling voorziet zeer duidelijk het ontstaan van de douane¬schuld, met name op het ogenblik van het onregelmatig binnenbrengen van de goederen, hetgeen impliceerde dat in onderhavige zaak de douaneschuld in Duitsland was ontstaan, gezien de goederen daar op onregelmatige wijze wa¬ren binnengebracht geworden.

Het feit dat de begane overtreding of onregelmatigheid niet werd vastgesteld door de Duitse douaneautoriteiten is zonder belang, vermits de lidstaat waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan primeert op de bevoegdheid van de lidstaat waar de overtreding of onregelmatigheid werd vastgesteld.

Besluit

Het hof van beroep, dat in het bestreden arrest oordeelt dat de Belgische Administratie van douane en accijnzen bevoegd is om de schuld in te vorderen vermits de overtreding of onregelmatigheid in België werd vastge¬steld en er geen aanwijzingen bestaan dat de overtreding in Duitsland werd vastgesteld, en aldus oordeelt dat de plaats van vaststelling de bevoegde ad¬ministratie aanwijst, en dit ongeacht de plaats waar de overtreding of onregel¬matigheid werd begaan, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schen¬ding van artikel 454 Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het commu¬nautair douanewetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij verorde¬ning (EG) nr. 2787/2000 van de Commissie van 15 december 2000, en 454 van voornoemde verordening, zoals van toepassing voor de vervanging bij veror¬dening (EG) nr. 881/2003 van de Commissie van 21 mei 2003). Bovendien kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat de Belgische administratie ter zake bevoegd was zonder voorafgaand te onderzoeken, zoals hiertoe uitge¬nodigd door eiseres, of de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan kon worden bepaald (schending van artikelen 454, lid 2 van voor¬noemde Verordening (EEG) nr. 2454/93, zoals van toepassing voor de wijziging bij verordening (EG) nr. 2787/2000 van de Commissie van 15 de-cember 2000, en 454, lid 2 van diezelfde verordering, zoals van toepassing voor de vervanging bij verordening (EG) nr. 881/2003 van de Commissie van 21 mei 2003) dan wel of overeenkomstig artikel 454, derde lid van de Verorde¬ning nr. 2454/93 binnen de bij artikel 455 be¬doelde termijn werd aangetoond dat de overtreding of onregelmatigheid, zoals door de eiseres in haar synthese¬conclusie aangevoerd, in Duitsland was begaan (schending van artikelen 454, lid 3 van voornoemde Verordening (EEG) nr. 2454/93, zoals van toepassing vóór de wijziging bij verordening (EG) nr. 2787/2000 van de Commissie van 15 december 2000, en 454, lid 2 van diezelfde verordering, zoals van toepassing vóór de vervanging bij verordening (EG) nr. 881/2003 van de Commissie van 21 mei 2003).

Tweede onderdeel

Naar luid van artikel 202.1 Communautair Douanewet¬boek ontstaat een douaneschuld bij invoer

- indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnenge¬bracht, of

- indien dergelijke, zich in een vrije zone of een vrij entrepot bevindende goederen op onregelmatige wijze in een ander deel van genoemd dou¬anegebied worden binnengebracht.

Onder op onregelmatige wijze binnenbrengen van goederen in de zin van dit artikel wordt verstaan: elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje.

Blijkens artikel 38.1 Communautair Douanewetboek moe¬ten goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, on¬verwijld door de persoon die deze binnenbrengt, in voorkomend geval langs de door de douaneautoriteiten aangegeven weg en op de door deze autoritei¬ten vastgestelde wijze, worden gebracht, hetzij naar het door de douaneauto¬riteiten aangewezen douanekantoor of naar enige andere, door deze autori¬teiten aangewezen of goedgekeurde plaats, hetzij naar een vrije zone, indien het binnenbrengen van de goederen in deze vrije zone rechtstreeks kan ge¬schieden.

Naar luid van artikel 40 Communautair Douanewetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moeten goederen die overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder a), bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats aankomen, bij de douane worden aangebracht door de persoon die de goederen het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon, die zich met het vervoer van de goede¬ren belast nadat deze zijn binnengebracht.

Blijkens artikel 202.2 Communautair Douanewetboek ont¬staat de douaneschuld op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht.

Te dezen voerde de eiseres in haar aanvullende tevens syntheseconclu¬sie op pagina 5 aan dat de betrokken goederen de Europese Unie waren binnengebracht via Duitsland, waar bijgevolg ook de douane¬schuld was ontstaan.

Dat de goederen via Duitsland de Gemeenschap werden binnenge¬bracht stond niet ter discussie. De verweerder verklaarde integendeel zelf op pagina 1 van zijn eerste besluiten en op pagina 1 van de tweede be¬sluiten dat het carnet in last werd genomen op het kantoor Frankfurt (Oder) op 27 oktober 1999, wat de bevestiging inhoudt dat de goederen, komende uit Litouwen, in Duitsland de Gemeenschap werden binnengebracht.

Besluit

In zoverre het bestreden arrest aldus zou moeten worden gelezen dat de douaneschuld ontstaat daar waar de overtreding wordt vastgesteld, en dit ongeacht de plaats waar de goederen op onregelmatige wijze de Gemeen¬schap werden binnengebracht, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van artikelen 38.1, 40, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, en 202.1 en 2 van de Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Ver¬ordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communau¬tair douanewetboek).

Tweede middel

Geschonden bepalingen

- de artikelen 1.b en 8.1 Overeenkomst van 14 november 1975 in¬zake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR, opge¬maakt te Genève, goedgekeurd bij wet van 4 februari 1980 en bij Verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad van 25 juli 1978 hou¬dende sluiting van de Douaneovereenkomst inzake het internationale verkeer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst);

- artikel 1 Verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad van 25 juli 1978 houdende sluiting van de Douaneovereenkomst inzake het inter¬nationale ver¬keer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst), ge¬dateerd te Genève, op 14 november 1975;

- artikel 249, voorheen 189, van het Verdrag tot oprichting van de Euro¬pese Gemeenschap, ondertekend te Rome op 25 maart 1957, goedge¬keurd bij wet van 2 december 1957, waarvan het opschrift werd gewij¬zigd bij verdrag van 7 februari 1992, opgemaakt te Maastricht en goed¬gekeurd bij wet van 26 no-vember 1992, en hergenummerd bij verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997, thans 249 van het Verdrag tot wij¬ziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gedaan te Lissabon op 13 december 2007, goedgekeurd bij wet van 19 juni 2008;

- artikel 1.1 van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 be-treffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhan¬den hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop;

- de artikelen 2, 4.10, 91.2.b en 163.2.b van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992, houdende het Communau¬tair Douanewet-boek;

- artikel 454 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij verordening (EG) nr. 2787/2000 van de Commissie van 15 december 2000, en 454 van voornoemde verordening, zoals van toepassing vóór de vervanging bij verordening (EG) nr. 881/2003 van de Commissie van 21 mei 2003;

- de artikelen 1, 4°, a, en 4 van het koninklijk besluit van 18 juli 1977 tot coör-dinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen, hierna de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen (AWDA) ge¬noemd;

- artikel 2, § 1 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene rege¬ling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals van kracht vóór haar opheffing bij wet van 10 juni 1997, zoals van toepassing vóór haar opheffing bij wet van 22 december 2009.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 10 maart 2009 verklaarde het hof van beroep te Gent eiseres' hoger beroep tegen het vonnis, waarbij haar vordering die ertoe strekte het haar op 27 augustus 2001 betekende dwangbevel nietig te horen verklaren en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin ver¬meld ten titel van invoerrechten, accijns, bijzondere accijns, intresten en kos¬ten niet verschuldigd zijn, afgewezen werd als ongegrond, ongegrond, beves¬tigde het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen en veroordeelde de eiseres tot de kosten. Deze beslissing is onder meer gegrond op volgende overwegingen:

"2. Nopens de beweerde schending van artikel 8, lid 1 van de TIR-over¬eenkomst.

Overeenkomstig artikel 8, lid 1 van de TIR-overeenkomst verbindt de organi¬satie die zich garant stelt zich slechts tot voldoening van de rechten en heffin¬gen ter zake van de invoer of de uitvoer.

Overeenkomstig artikel 1, b van de TIR-overeenkomst zijn de rechten en de heffingen ter zake van de invoer of de uitvoer de douanerechten en alle an¬dere verschillende rechten, heffingen vergoedingen en andere lasten die wor¬den geheven bij of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen, met uitzondering van de vergoedingen en lasten waarvan het bedrag beperkt blijft tot ongeveer de kosten van de verleende diensten.

Artikel 4 A.W.D.A. bepaalt dat de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer de douanerechten en de heffingen van gelijke werking zijn die bij de invoer van goederen van toepassing zijn en de belastingen bij invoer/uitvoer zijn die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbe¬leid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwer¬king van landbouwproducten verkregen goederen van toepassing zijn.

Uit de samenlezing van de beide wetteksten vloeit voort dat de douanerechten in de meest ruime zin moeten worden geïnterpreteerd. Ten onrechte stelt (de ei¬seres) dat de accijnsrechten daar niet onder vallen".

Grieven

Ingevolge de goedkeuring van de TIR-overeenkomst bij artikel 1 van de Verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad van 25 juli 1978 namens de Europese Economische Gemeenschap die overeenkomstig artikel 249, voorheen 189, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lid¬staat, maken de bepalingen van deze Douaneovereenkomst deel uit van het gemeenschapsrecht.

Artikel 8.1 TIR-overeenkomst bepaalt dat de organisatie die zich garant heeft gesteld, zich verbindt tot voldoening van de rechten en heffingen ter zake van de invoer, eventueel vermeerderd met de interesten bij achterstallige betaling, welke verschuldigd zijn krachtens douanewetten en -reglementen van het land waarin een onregelmatigheid met betrekking tot het TIR-vervoer is vastgesteld. Zij is gehouden tot betaling van bovenbedoelde bedragen, zowel hoofdelijk als gezamenlijk met de personen die deze bedra¬gen verschuldigd zijn.

Naar luid van artikel 1.b TIR-overeenkomst wordt ver¬staan onder "rechten en heffingen ter zake van de invoer", de douanerechten en alle andere verschillende rechten, heffingen, vergoedingen en andere las¬ten die worden geheven bij of in verband met de invoer van goederen, met uit¬zondering van de vergoedingen en lasten waarvan het bedrag beperkt blijft tot ongeveer de kosten van de verleende diensten.

Uit artikel 2 Communautair Douanewetboek volgt dat, in beginsel, de communautaire douanewetgeving in het gehele douanegebied van de Gemeenschap op eenvormige wijze van toepassing is.

Deze bepaling geldt evenzeer ten aanzien van de TIR-regeling, zoals kan worden opgemaakt uit de verwijzing naar de TIR-regeling in artikel 91.2.b Communautair Douanewetboek met betrekking tot het extern douanevervoer en in artikel 163.2.b van datzelfde wetboek met betrekking tot het intern douanevervoer evenals uit artikel 454 van de Verordening nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 tot uitvoering van het Communau¬tair Douanewetboek, dat uitdrukkelijk verwijst naar de specifieke bepalingen van de TIR-overeenkomst betreffende de aansprakelijkheid van de borg die zich garant heeft gesteld bij het gebruik van een carnet TIR.

Artikel 454.2 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commis¬sie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het com¬munautair douanewetboek bepaalt dat wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met vervoer onder geleide van een carnet TIR, respec¬tievelijk doorvoer onder geleide van een carnet ATA, in een bepaalde Lidstaat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, de actie tot invordering van de eventueel verschuldigde rechten en andere heffingen door deze Lidstaat vol¬gens de nationale of communautaire bepalingen wordt ingesteld, onvermin¬derd eventuele strafrechtelijke maatregelen.

Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat het begrip "rechten en heffingen ter zake van de invoer" in de zin van de TIR-overeenkomst geen andere draagwijdte heeft dan het begrip "rechten bij invoer" in het Com¬munautair Douanewetboek.

Artikel 4.10 Communautair Douanewetboek omschrijft de rechten bij invoer als de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen van toepassing zijn.

Hierin zijn niet begrepen de (communautaire) accijnzen, zoals om¬schreven in artikel 1.1 van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhan¬den hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop en omgezet in het Belgisch intern recht bij wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene rege¬ling voor accijnsproducten, het voorhan-den hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop.

Overeenkomstig artikel 1.1 van voormelde Richtlijn 92/12/EEG en artikel 2, § 1 van voornoemde wet van 10 juni 1997 zijn accijnzen belastingen die worden geheven op het verbruik van de opgesomde producten, waaronder tabaksfabrikaten.

De Algemene Wet inzake Douane en accijnzen maakt evenzeer een duidelijk onderscheid tussen de rechten bij invoer enerzijds en de accijn¬zen anderzijds.

Artikel 4 van deze wet bepaalt dat de Administratie der douane en accijnzen is belast met de inning van de rechten bij invoer bedoeld in artikel 1, 4°, a, 1, van de rechten bij uitvoer, bedoeld in artikel 1, 4°, b, 1 en van de ac¬cijnzen.

Blijkens artikel 1, 4°, a, AWDA worden onder rechten bij invoer verstaan de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen van toepassing zijn evenals de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschap¬pelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op be¬paalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen van toe¬passing zijn.

Uit de samenlezing van deze bepalingen blijkt dat de accijnzen niet begrepen zijn in de rechten bij invoer.

Derhalve kunnen de accijnzen en bijzondere accijnzen niet wor¬den beschouwd als rechten en heffingen ter zake van de invoer in de zin van artikel 8.1 en 1.b van de TIR¬overeenkomst.

Besluit

Door te beslissen dat ook de accijnsrechten worden bedoeld bij de artikelen 1, b en 8, lid 1 van de TIR-overeenkomst en derhalve ook be¬taald dienen te worden door de organisatie die zich garant heeft gesteld, ver¬ant¬woorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht (schending van arti¬kelen 1.b en 8.1 Overeenkomst van 14 no¬vember 1975 inzake het internationale vervoer van goederen onder dek¬king van carnets TIR, opgemaakt te Genève, goedgekeurd bij wet van 4 fe¬bruari 1980 en bij Verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad van 25 juli 1978 houdende sluiting van de Douaneovereenkomst inzake het internationale verkeer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst), 1 van de Verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad van 25 juli 1978 houdende sluiting van de Douane-overeenkomst inzake het internationale verkeer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst), gedateerd te Genève, op 14 november 1975, 249, voorheen 189, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, on-dertekend te Rome op 25 maart 1957, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, waarvan het opschrift werd gewijzigd bij verdrag van 7 februari 1992, opgemaakt te Maastricht en goedgekeurd bij wet van 26 no¬vember 1992, en hergenummerd bij het verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997, thans 249 van het Verdrag tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gedaan te Lissabon op 13 december 2007, goedgekeurd bij wet van 19 juni 2008, 2, 4.10, 91.2.b en 163.2.b van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992, houdende het Communautair Douanewetboek, 454 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair doua¬newetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij verordening (EG) nr. 2787/2000 van de Commissie van 15 december 2000, en 454 van voor¬noemde verordening, zoals van toepassing vóór de vervanging bij verordening (EG) nr. 881/2003 van de Commissie van 21 mei 2003, 1.1 van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene rege¬ling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, 1, 4°, a, en 4 van het koninklijk besluit van 18 juli 1977 tot coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen, zo¬als van toepassing vóór de wijziging bij wet van 27 december 1993 en zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 27 december 1993, en 2, § 1 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnspro¬ducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals van kracht vóór haar opheffing bij wet van 10 juni 1997, zoals van toepassing vóór haar opheffing bij wet van 22 december 2009).

Derde middel

Geschonden bepalingen

- artikel 149 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;

- de artikelen 8.1 en 8.7 van de Overeenkomst van 14 november 1975 in¬zake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR, opgemaakt te Genève, goedgekeurd bij wet van 4 februari 1980, en bij de Verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad van 25 juli 1978 houdende sluiting van de Douaneovereenkomst inzake het internatio¬nale verkeer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-over¬eenkomst), gedateerd te Genève, op 14 november 1975;

- artikel 232 Communautair Douanewetboek;

- de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 10 maart 2009 verklaarde het hof van beroep te Gent eiseres' hoger beroep tegen het vonnis, waarbij haar vordering die ertoe strekte het haar op 27 augustus 2001 betekende dwangbevel nietig te horen verklaren en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin ver¬meld ten titel van invoerrechten, accijns, bijzondere accijns, intresten en kos¬ten niet verschuldigd zijn, afgewezen werd als ongegrond, beves¬tigde het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen en veroordeelde de eiseres tot de kosten. Deze beslissing is onder meer gegrond op volgende overwegingen:

"3. Nopens artikel 8, punt 7 van de TIR-overeenkomst.

Artikel 8.7 van de TIR-overeenkomst bepaalt dat de bevoegde autoriteiten voor zover mogelijk de betaling moeten eisen van de persoon of personen die rechtstreeks deze bedragen verschuldigd is of zijn alvorens een vordering tot betaling in te dienen bij de organisatie die zich garant heeft gesteld.

(De eiseres) leidt daaruit af dat zij niet gehouden kan zijn tot betaling van de rechten omdat de autoriteiten niet met alle middelen de betaling hebben be-naarstigd.

Te dezen is de BV Nitane gevestigd te Vlaardingen in Nederland titularis van het carnet TIR zodat zij de persoon betreft die de bedragen rechtstreeks ver¬schuldigd is. In dit verband moet nog worden vastgesteld dat de appelante (sic) een poging heeft gedaan om deze gelden te recupereren. De omstandig¬heid dat deze invordering mislukt is (zie stuk 8 van de appelante (sic)), mede gelet op het faillissement van de BV Nitane is een vaststelling, waar de par¬tijen niet rond kunnen.

Niettemin is de borgstelling van de geïntimeerde (sic) krachtens de TIR-over-eenkomst afhankelijk van de hoofdschuldenaar van de houder van het Carnet TIR. De ondergeschiktheid, respectievelijk afhankelijkheid van de borg betekent in concreto dat van de borg geen betaling kan gevraagd worden vooraleer de douaneautoriteiten al het mogelijke hebben ondernomen om zich van de betaling te verzekeren lastens de hoofdschuldenaar. Dit laatste wordt erkend door de meerderheid van de verdragsluitende staten.

(De eiseres) voert des betreffend aan dat de laattijdige reactie van de Belgische Douane de hoofdschuldenaar toegelaten heeft zijn insolvabiliteit te organise¬ren. De bepalingen van artikel 8/7 van de TIR-overeenkomst en artikel 232 CDW zouden zijn geschonden.

Zoals hiervoor uiteengezet is de vraag tot betaling geformuleerd op 5 decem¬ber 2000. Anderzijds werd (de eiseres) in kennis gesteld van de overtreding op 26 oktober 2000.

De beweerde fout die door de appelante (sic) zou gemaakt zijn staat niet in oorzakelijk verband tot de schade. Immers de BV Nitane was reeds in staat van faillissement verklaard op 18.07.2000. Blijkens een brief van de curatoren werd de vordering van de appelante (sic) geplaatst op de lijst der voorlopig erkende concurrente crediteuren. Een schending van artikel 8.7 van de TIR-overeenkomst komt niet bewezen voor. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat de Belgische Staat gelden heeft kunnen recupereren uit de vereffening van dit faillissement, dat inmiddels reeds 9 jaar is verlopen.

(...)

5. Nopens de borgstelling

(...)

(De eiseres) laat nog gelden dat de afstand van het voorrecht van uitwinning in de borgakte van 1991 strijdig is met artikel 8.7 TIR-overeenkomst. Dit laatste artikel voorziet in de verplichting van de Belgische Staat om zich in eerste in¬stantie te wenden tot de hoofdschuldenaar alvorens de borgstellende organi¬satie aan te spreken. Het kan niet ernstig worden betwist dat (de verweerder) deze verplichting heeft nageleefd. Het tussengekomen faillissement van de BV Nitane heeft verhinderd dat door de Belgische Staat andere initiatieven kon¬den worden genomen. Uit de brief van de benoemde curator blijkt bovendien dat er op 14 december 2000 geen dividend te verwachten was voor de concur¬rente crediteuren".

Grieven

Krachtens artikel 8.1. TIR-overeenkomst verbindt de organi¬satie die zich garant heeft gesteld, zich tot voldoening van de rechten en heffingen ter zake van de invoer of de uitvoer, eventueel vermeerderd met de interest bij achterstallige betaling, welke verschuldigd zijn krachtens de doua¬newetten en -reglementen van het land waarin de onregelmatigheid met be¬trekking tot het TIR vervoer is vastgesteld.

Volgens dezelfde bepaling is de organisatie die zich garant heeft gesteld, gehouden tot betaling van bovenbedoelde bedragen, zowel hoofdelijk als gezamenlijk met de personen die deze bedragen verschuldigd zijn.

Naar luid van artikel 8.7 TIR-overeenkomst moeten de auto¬riteiten, wanneer de in lid 1 en 2 van dit artikel bedoelde bedragen opeis¬baar worden, voor zover mogelijk de betaling hiervan eisen van hen die recht¬streeks deze bedragen verschuldigd zijn, alvorens een vordering tot betaling in te dienen bij de organisatie die zich garant heeft gesteld

Bovendien stelt artikel 232 Communautair Douanewet¬boek dat de douaneautoriteiten de betaling van het bedrag der rechten kunnen verzekeren met alle middelen die hun krachtens geldende bepalingen ter be¬schikking staan, met inbegrip van gedwongen tenuitvoerlegging.

De eiseres voerde ter zake in haar aanvullende tevens syntheseconclu¬sie op pagina's 12 en volgende aan dat de Belgisch douane¬autoriteiten waren tekort geschoten in hun verplichtingen.

Zij betoogde meer bepaald:

"De feiten zijn begaan in oktober 1999.

Een vonnis in eerste aanleg is pas tussengekomen op 20 april 2001 (...).

Op basis van die chronologie is duidelijk dat de redelijke termijn niet werd ge-respecteerd.

Vanaf het ogenblik dat de niet-aangegeven sigaretten werden ontdekt en al¬dus de fraude evident was, had de douane, indien zij van oordeel was dat de fraude aanleiding zou gegeven hebben tot het ontstaan van een douaneschuld (...) alle mogelijkheden die zij wenste om betaling te bekomen, minstens te vragen van de hoofdschuldenaar (zijnde de houder van het carnet TIR) en t.o.v. de houder van het carnet TIR alle mogelijke uitvoeringsdaden te stellen, zowel op basis van artikel 8.7 van de TIR Conventie, als op basis van artikel 232 Communautair Douanewetboek, als op basis van de Richtlijn 76/308.

In casu mocht de eiser er ter goeder trouw op vertrouwen en van uit gaan dat de Belgische Douaneautoriteiten alles in het werk zou stellen om vooreerst beta¬ling te bekomen van de hoofdschuldenaar van de rechten, zoals ten andere expliciet geformuleerd door artikel 8.7 TIR-Conventie.

In casu was het immers zo dat reeds enkele dagen of weken na het transport, de Belgische douaneautoriteiten hadden kunnen vaststellen dat zich een on-regelmatigheid had voorgedaan betreffende het TIR-transport.

In zulk geval dienen uiteraard de Belgische douane autoriteiten diligent te zijn en onmiddellijk een vordering tot betaling te richten aan de houder van het carnet TIR en bovendien de nodige maatregelen van executie te nemen op¬zichtens die hoofdschuldenaar, onafhankelijk van de nadien gevoerde correc¬tionele procedures, om de betaling van de douaneschuld veilig te stellen en hun rechten alzo te vrijwaren.

(...)

De laattijdige reactie van de Belgische douane heeft de hoofdschuldenaar toegelaten zijn insolvabiliteit te organiseren".

De eiseres verwees ter staving van dat verweer naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 5 oktober 2006.

De eiseres verweet m.a.w. de administratie niet onmiddellijk na de controle die de overtredingen aan het licht bracht, de nodige maatregelen te hebben genomen om de betaling van de hoofdschuldenaar te bekomen, in plaats van daartoe tot december 2000 gewacht te hebben.

Het hof van beroep beperkt zich ertoe in het bestreden arrest tot de vaststelling dat de beweerde fout, bestaande in de laattijdige reactie van de administratie niet in oorzakelijk verband met de schade stond, gelet op het op 18 juli 2000 tussengekomen faillissement.

Daarmee antwoordt het hof van beroep evenwel niet op de aanvoering dat de weinig diligente aanpak van de administratie de bv Nitave precies had toegelaten haar insolvabiliteit te organiseren.

Besluit

Het hof van beroep dat voornoemd middel onbeantwoord laat heeft zijn beslissing niet regelmatig met redenen omkleed (schending van arti¬kel 149 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Op grond van gedane vaststellingen, waarbij de periode tussen de datum van vaststelling van de overtreding op 28 oktober 1999 en de datum van faillietverklaring van de bv Nitane op 18 juli 2000, wordt genegeerd, kon het hof van beroep boven¬dien niet wettig beslissen dat de administratie geen fout in oorzakelijk verband met de schade, hierin bestaande dat de rechten niet meer bij de hoofdschuldenaar konden worden gerecupereerd en dat derhalve eiseres kon worden aangesproken, had begaan (schending van artikelen 8.1 en 8.7 Over¬eenkomst van 14 november 1975 inzake het internationale vervoer van goede-ren onder dek¬king van carnets TIR, opgemaakt te Genève, goedgekeurd bij wet van 4 fe¬bruari 1980, en bij de Verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad van 25 juli 1978 houdende sluiting van de Douaneovereenkomst inzake het internationale verkeer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst), gedateerd te Genève, op 14 november 1975, 232 Communautair Douanewetboek 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek).

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 37 TIR-overeenkomst, wordt, wanneer het niet mogelijk is vast te stellen op welk grondgebied een onregelmatigheid is begaan, deze geacht te zijn begaan op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partij waar zij is vastgesteld.

2. Krachtens artikel 454, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uit-voering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals hier van toepassing, wordt, wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met vervoer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk doorvoer onder geleide van een carnet ATA, in een bepaalde lidstaat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, de actie tot in-vordering van de eventueel verschuldigde rechten en andere heffingen door deze lidstaat volgens de nationale of communautaire bepalingen ingesteld, onvermin-derd eventuele strafrechtelijke maatregelen.

Krachtens artikel 454, lid 3, eerste alinea, van deze verordening wordt, wanneer het niet mogelijk is te bepalen op welk grondgebied de overtreding of onregelma-tigheid is begaan, deze geacht te zijn begaan in de lidstaat waar zij is vastgesteld, tenzij binnen de in artikel 455, lid 1, bedoelde termijn ten genoegen van de doua-neautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het vervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.

Krachtens artikel 454, lid 3, tweede alinea, van deze verordening worden, indien, bij gebreke aan dergelijk bewijs, de overtreding of onregelmatigheid geacht blijkt te zijn begaan in de lidstaat waar zij is vastgesteld, de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze lidstaat overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen ingevorderd.

3. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn beschikking van 8 maart 2012 voor recht verklaard:

"1) Artikel 454, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van veror-dening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1662/1999 van de Commissie van 28 juli 1999, moet aldus worden uitgelegd dat een organisatie die zich garant heeft gesteld, de plaats waar een overtreding of onregelmatigheid is begaan, kan bewijzen aan de hand van de plaats van inschrijving van het carnet TIR en de verzegeling. Zo deze organisatie erin slaagt het vermoeden van be-voegdheid van de douaneautoriteiten van de lidstaat waar een overtreding of on-regelmatigheid tijdens een vervoer onder geleide van een carnet TIR is vastgesteld, te weerleggen in het voordeel van de douaneautoriteiten van de lidstaat waar deze overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, dan worden de douaneautoriteiten van laatstgenoemde staat bevoegd tot inning van de douaneschuld.

2) De artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voor-handen hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/99/EG van de Raad van 30 december 1996, moeten aldus worden uit-gelegd dat de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de goederen zijn ontdekt, in beslag genomen en verbeurd, bevoegd zijn tot inning van accijnzen, ook al zijn deze goederen in een andere lidstaat in het douanegebied van de Unie binnengebracht, voor zover deze goederen voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden, hetgeen de verwijzende rechter dient uit te maken."

Het Hof van Justitie overwoog hierbij (r.o. 42) dat zo de goederen in de lidstaat waar zij werden ontdekt en in beslag genomen, niet voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden, de douaneautoriteiten van de eerste lidstaat van invoer bevoegd blijven om de accijnzen te innen.

4. De appelrechters beoordelen, bij gebreke aan ambtelijke vaststelling van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid is begaan, de bevoegdheid van de douaneautoriteiten om tot het innen van zowel de douanerechten als de accijns-rechten over te gaan, uitsluitend op grond van de plaats waar de begane overtre-ding of onregelmatigheid is vastgesteld.

Zij gaan hierbij niet na of niet is aangetoond dat de overtreding of onregelmatig-heid in een andere lidstaat is begaan dan in de lidstaat waar de overtreding of on-regelmatigheid is vastgesteld.

Wat de accijnsrechten betreft, gaan ze evenmin na of de goederen die in België zijn ontdekt, in beslag genomen en verbeurd, voor commerciële doeleinden voor-handen worden gehouden.

5. Door aldus te oordelen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 19 april 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stas-sijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche F. Van Volsem G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Stassijns

Vrije woorden

  • Douane

  • Douaneschuld

  • Inning

  • Bevoegde lidstaat