- Arrest van 19 april 2013

19/04/2013 - F.11.0158.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Inzake douane en accijnzen is het dwangbevel een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is, zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd; aangezien het dwangbevel de belastingschuld concretiseert, is het onder meer vereist dat het belastbare feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar duidelijk worden gemaakt (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0158.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de heer Ontvanger van het Ontvangkantoor van de Douane en Accijnzen, met kantoor te 3600 Genk, Sta-dionplein,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

CHARKO nv, met zetel te 2600 Berchem, Potvlietlaan 6,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 mei 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 26 februari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 2 Wet Motivering Bestuurshandelingen moeten de be-stuurshandelingen van bepaalde besturen uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Krachtens artikel 3 van deze wet moet de opgelegde motivering in de akte de juri-dische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet deze afdoende zijn.

Inzake douane en accijnzen is het dwangbevel een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is, zodat het bestuur de juri-dische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd.

Aangezien het dwangbevel de belastingschuld concretiseert, is het onder meer vereist dat het belastbare feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar duidelijk worden gemaakt.

2. De veronachtzaming van de formele motiveringsplicht leidt enkel tot de niet-toepassing van een bestuurshandeling als de betrokkene in wiens belang het vormvereiste is voorgeschreven, hierdoor in zijn belangen is geschaad. Als blijkt dat de betrokkene op een andere wijze reeds kennis heeft gekregen van de motie-ven en hij daardoor zijn recht van verweer kan uitoefenen, is het doel van de for-mele motiveringsverplichting bereikt.

3. De appelrechters stellen vast dat:

- bij brief van 7 juni 1995 de eiser aan de verweerster meedeelde dat als gevolg van een controle a posteriori certificaten EUR 1 door de bevoegde instantie van uitreiking vals werden verklaard en dat door het verwerpen van deze certi-ficaten het tarief "derde landen" van toepassing is met betrekking tot de aangif-ten ten verbruik IM4;

- een aanvullend invoerrecht verschuldigd is voor een totaal bedrag van 305.481 frank of 7.572,68 euro;

- de verweerster bij brief van 6 juli 1995 de valsheid van de certificaten en het bestaan van een douaneschuld betwist;

- in het dwangbevel de belastingschuldenaars voldoende nauwkeurig worden be-paald teneinde de verweerster en Dirafrost FFI nv toe te laten zich te identificeren;

- het totaal bedrag tot betaling waarvan het dwangbevel werd uitgevaardigd wordt vermeld alsook het bedrag verschuldigd voor elk van de drie aangiften IM 4;

- het dwangbevel vermeldt dat de belasting gevestigd is bij artikel 2 van de ver-ordening nr. 2144/87 van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld, inmiddels ver-vangen door artikel 201 van het Communautair Douanewetboek vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992.

4. Aangezien uit de feitelijke vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de verweerster door de kennisgeving van het dwangbevel en van de voorafgaande brief van 7 juni 1995 op de hoogte was van het belastbaar feit, het bedrag van de belasting, haar hoedanigheid van schuldenaar en van de wettelijke bepalingen waarop de eiser zich steunde, vermochten de appelrechters niet te beslissen tot een schending van de formele motiveringsplicht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

5. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het uitspraak doet over het ho-ger beroep.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 19 april 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stas-sijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

F. Van Volsem

G. Jocqué

K. Mestdagh

A. Smetryns

E. Stassijns

Vrije woorden

  • Dwangbevel

  • Motiveringsverplichting

  • Wet Motivering Bestuurshandelingen

  • Toepasselijkheid